VN MediagidsLentefilosofie
Wetenschap / filosofie 05.04.2008
De vrucht van het denken
De filosofische titels van het voorjaar beloven veel: gidsgedachten voor de verdoolde stadsbewoner, tips voor politieke vernieuwing, handvatten voor het goede leven en humor.
Welkom in Megapolis. Denken over wonen, stad en toekomst.
Jan-Hendrik Bakker, Atlas, 304 pagina's, € 19,90
De stad is dit jaar het thema van de Maand van de Filosofie. Volgens journalist en filosoof Jan-Hendrik Bakker schiet de organisatie daarmee in de roos. Want 'urbaniteit is de architectuur van het moderne leven zelf'. Volgens Bakker is 'Hoe woont de moderne mens?' niets minder dan de grondvraag van deze tijd. Net als de Borôro-Indianen die totaal ontredderd waren toen missionarissen hen naar de stad overplantten, wonen wij om de werkelijkheid leefbaar te houden en de dood te temmen. Maar de stadsmens is footloose geworden. De 'niet-plaats' die een genius loci mist, een geest van de plek, rukt op. Denk aan een winkelstraat waarin het godsonmogelijk is te ontdekken in welke stad we ons bevinden. Maar ook de woonwijken die zich als derrie over de gemondialiseerde wereld verspreiden zijn steeds meer inwisselbaar. In de epiloog van zijn boek vergelijkt Bakker de moderne mens met Viktor Navorski uit de Spielberg-film The Terminal. De uit verre streken afkomstige Navorski zit vast op het vliegveld van New York. Hij kan niet terug naar het land van herkomst, maar mag de Nieuwe Wereld ook niet binnen. Net zo zitten wij, verdoolde stadsbewoners, opgesloten in een niemandsland. En, luidt de slotzin van Bakker, 'de transit terminal mag geen eindbestemming worden'.
Weet de journalofilosoof de uitgang te vinden? De Verlichting zal ons de richting niet weten te wijzen, vreest hij. 'Het verlichtingshumanisme geeft geen antwoord op de vragen van dit moment.' Het heeft een blinde vlek voor gemeenschapsgevoel en verantwoordelijkheidszin en is in haar eigen idealen vastgelopen, is Bakkers diagnose. Maar hij heeft de Verlichting nog maar net met een breed gebaar van tafel geveegd, of hij ontpopt zich als een superverlichter. In de tijd na de verdwijning van het utopische denken is er, mogen we hem geloven, maar één vraag die overblijft: 'Hoe overleeft de mens zijn succes?' Daarvoor hebben we een 'toekomstethiek' nodig, die ook de generaties na ons recht geeft op schone lucht. We moeten toe naar 'een werkelijk universeel gelijkheidsbeginsel'. Kan het verlichter? Concrete vingerwijzingen hoe die toekomstethiek vorm te geven, biedt Bakker niet. Ook zijn stadsodyssee mondt niet uit in ideeën met groot verrassingseffect. 'De metropolitische mens moet het wonen weer tot levenskunst weten te maken.' 'Zorg voor de eigen omgeving is de basis van alles.' Filosofen, altijd goed in algemeenheden.
Tomas Vanheste
Plato en kornuiten. De filosofie in honderd-en-een grappen.
Thomas Cathcart en Daniel Klein. De Bezige Bij, vertaling Th.H.J. Tromp, 206 pagina's, € 15,-
'Ik ben een weter.' Het was introductieweek voor studenten wijsbegeerte, en de niet onknappe jongen met engelachtig lang blond haar keek parmantig om zich heen terwijl hij zijn persoonlijke filosofie verkondigde aan het gezelschap bierdrinkende eerstejaars. De rest van de prille filosofiestudenten keek hem licht verbijsterd aan, sommigen stiekem toch wat onder de indruk. Zou hij echt...?
Had deze arme jongeman maar zoiets als Plato en kornuiten tot zijn beschikking gehad, dan had hij ongeveer geweten wat een studie filosofie aan de universiteit inhoudt en was hij nooit in de buurt gekomen van de Oudemanhuispoort. Het boekje van Cathart en Klein, die elkaar uit de collegebanken kennen, is namelijk een uitstekende inleiding in de wijsbegeerte. In tien hoofdstukken razen ze door de filosofische stromingen heen, van metafysica via ethiek en taalfilosofie tot metafilosofie. Met achterin een nuttige woordenlijst waarin filosofische basisbegrippen nog eens rustig worden uitgelegd. En uitleggen kunnen ze. Dat doen ze op een luchtige, speelse manier, doorspekt met anekdotes, ongeveer zoals een goede docent in de collegezaal doet. Wanneer het gaat over de teleologie van Aristoteles, leg je uit dat volgens hem in alles een innerlijk doel zit, een telos. Het telos van een eikel is: eik worden.
Cathart en Klein vervolgen hun uitleg met 'Mevrouw Godstein', die met haar twee kleinkinderen aan de wandel is wanneer ze een vriendin tegenkomt die vraagt hoe oud de koters zijn. 'Haar antwoord: "De dokter is vijf en de advocaat zeven."' Nog steeds een uitstekende illustratie van hoe het begrip 'telos' ook op te vatten is. Maar één alinea verderop vervolgen ze met een grap over een dolende ziel in India, en weer een paar regels verder gaat het over 'Sam Lipschitz, tandarts in Philadelphia.' Dat is de zwakte van het boek: de auteurs willen zo verschrikkelijk graag lollig zijn. 'Filosofieën en moppen hebben namelijk dezelfde bedoeling,' schrijven ze, 'ons in verwarring brengen over de manier waarop dingen in elkaar steken.' Dat kan wel zo zijn, maar ze doen hun eigen gedegen uitlegwerk tekort door alweer met een mop als illustratie te komen. 'Lachen geblazen!' staat er om de haverklap, of: 'U lacht nog steeds niet?' Waarna weer een andere grap met Sam en Moos, of Dimitrios en Tassos in de hoofdrol volgt.
Toch kunnen anekdotes om iets uit te leggen, heel goed uitpakken. Dat blijkt vooral in het hoofdstuk over logica. Aangekomen bij logische en semantische paradoxen, dient de volgende anekdote ter illustratie: 'In een bepaalde stad scheert de enige barbier uitsluitend alle mannen die niet zichzelf scheren. Scheert deze barbier zichzelf? Doet hij het wel, dan doet hij het niet. En als hij het niet doet, doet hij het wel.' Dat is toch echt een stuk begrijpelijker dan hoe Bertrand Russell, de bedenker van deze paradox, hem formuleerde: 'Is de verzameling van alle verzamelingen die geen element van zichzelf zijn een element van zichzelf?'
Niks mis mee dus, zo'n versimpelde, anekdotische uitleg van een ingewikkeld begrip. Alleen, zo dolkomisch is het verhaaltje over de barbier niet. Bovendien: om er plezier in te hebben, hoeft filosofie helemaal niet grappig te zijn.
En de blondgelokte, zelfverklaarde allesweter? Die ontdekte al snel dat studenten geacht werden zich stevig te verdiepen in de ideeën van Plato, Kant en Heidegger, alvorens zelfbedachte theorieën te mogen verkondigen. Na een paar hoorcolleges 'Inleiding in de filosofie: historische en metafysische verkenningen: 1' verliet hij teleurgesteld, want onbegrepen, de opleiding. Waarna de overgebleven studiebollen opgelucht de neus weer in de boeken staken.
Padu Boerstra
Het goede leven. Een briefwisseling.
Piet Gerbrandy en Andreas Kinneging, J. M. Meulenhoff, 128 pagina's, € 15,90
Het is heel passend dat in Het goede leven, de briefwisseling tussen de dichter, poëziecriticus en classicus Piet Gerbrandy en de conservatieve politieke filosoof Andreas Kinneging (schrijver van De geografie van goed en kwaad) de brieven van Gerbrandy in een moderne schreefloze letter zijn gezet en die van Kinneging in een traditionele letter met schreef. Zo liggen de verhoudingen: Kinneging is een traditionalist en conservatief, op het karikaturale af, en Gerbrandy is de moderne twijfelaar die met bevrijde voelhorens alle indrukken van de moderne tijd opvangt en selecteert. Tussen de vele rommel vindt hij nog zoveel hedendaags waardevols dat hij vol onbegrip bij Kinneging leest dat wij al half in de wereld van de barbarij leven. Voor de andere helft zouden we in morele, filosofische en politieke verwarring verkeren, zozeer dat wij aardig op weg zouden zijn ten onder te gaan in de stijl van het Romeinse Rijk. Kinneging doet het niet voor minder.
Het is wel vermakelijk om in de brieven van Kinneging alle conservatieve clichés in slagorde afgewerkt te zien worden. Je kunt er na een paar brieven vergif op innemen dat Kinneging met de Deugd zal aankomen en met de Zeven Hoofdzonden. En dat we aan het 'verdierlijken' zijn, terwijl het er in het leven toch op aan komt dat wij het Beest in ons leren beheersen. Want in de ogen van conservatieven zijn wij mensen halve wilden. Dat idee is tot een obsessie uitgegroeid. Al het menselijk gedrag wordt afgemeten aan de mate waarin het nog wild is en niet beantwoord aan de gewenste zelfbeheersing. De Romantiek moet het daarom bij Kinneging ontgelden als de bron van alle ellende, uitmondend in de bevrijding van het Beest in de mens in de jaren zestig van de vorige eeuw.
Gerbrandy's reacties op de benauwende wereld van Kinneging zijn afkomstig uit een wereld waarin de ramen openstaan, waarin de wereld binnen wordt gelaten en niet meteen onder de meetlat van de Moraal wordt gelegd. Gerbrandy laat eerst leven. De Romantiek beschouwt hij als een verrijking van het bestaan, aangezien het menselijk lichaam en de daarin huizende emoties de kans kregen zich te uiten. De Romantiek zorgde voor het inzicht 'dat je het beest in jezelf niet te zeer aan de ketting moet leggen, omdat het dan vals wordt. Je moet het beest te vriend houden.' Het gaat niet om het temmen van de menselijke natuur (het 'dierlijke'), maar om het vormgeven ervan.
Kinneging moet zich in deze tijd wel heel erg misplaatst voelen wanneer hij alle verstofte denkbeelden opvoert uit de tijden van vóór de Verlichting en de Romantiek. Er duiken bij hem afschuwelijk afgelebberde metaforen op als de 'brede en de smalle weg'. De brede weg zijnde 'de weg van de begeerten en de minste weerstand, de smalle weg de weg van de noeste arbeid, moraal, plicht, de deugd.' Bovendien zijn wij in het Westen volledig 'de weg kwijt'. Als traditionalist put Kinneging al zijn wijsheid uit al eeuwenlang terugkerende bronnen (zoals de Bijbel en Plato), want dat is voor hem het bewijs van hun waarde en duurzaamheid. Hij geeft ruiterlijk toe in geen enkel opzicht origineel te zijn. Maar het is wel armzalig. Er is in zijn brieven helemaal niets te vinden waaruit blijkt dat hij ook wel eens zelfstandig, op eigen kracht, heeft gedacht en niet alleen aan de hand van canonieke geschriften. Kinneging ontdekt alleen maar wat al is ontdekt.
Gerbrandy wijst hem er op dat hij alle verschijnselen van onze tijd in een historische mal wil wringen. Als dat niet lukt, krijgt onze tijd de schuld. Vervelend is ook dat Kinneging zo nobel, verheven en braaf is dat hij alleen maar kennis wil nemen van het beste dat ooit is gezegd, gedacht en geschreven. Voor minder doet hij het niet. Dat maakt van hem de filosoof als zuinige schoolmeester, compleet met liniaal ('alle levenswijsheid is naar de verdommenis').
Gerbrandy is in de ogen van Kinneging een wilde jongen die nog niet bij zijn verstand is gekomen, ook al is hij geboren in 1958. Maar Gerbrandy is nu juist een voorbeeld van iemand die niet met de liniaal rondloopt. Als classicus weet hij wat de waarde van de klassieken is (zoals blijkt uit zijn boek Het feest van Saturnus. De literatuur van heidense Rome), maar dat maakt hem niet tot een fetisjist van de Traditie: 'De Traditie behelst veel waarheid en schoonheid, maar ook veel gevaarlijke onzin,' antwoordt hij Kinneging nadat die de Traditie heilig heeft verklaard. Het lezen van Het goede leven is vooral geschikt om een snelle indruk te krijgen van het gedachtegoed van een conservatieve denker. En het is natuurlijk aardig weer iets van Gerbrandy te lezen.
P.S.: De titel Het goede leven is overigens wel een heel zielig geval: er liggen al vijf boeken die zo heten in de boekwinkel: M. Smalbrugge, Het goede leven, M. Sarot, Het goede leven, M. van Hees, Het goede leven, Jay MacInerny, Het goede leven, Fernando Savater, Het goede leven.
Carel Peeters
Vreemd lichaam. Over medisch ingrijpen en persoonlijke identiteit.
Jenny Slatman, Ambo, 229 pagina's, € 19,95
Jenny Slatman is niet alleen filosoof, maar ook fysiotherapeut. Weliswaar heeft ze sinds haar afstuderen in de filosofie niet meer in een fysiotherapiepraktijk gewerkt, maar de ervaring die ze daar opdeed, is ongetwijfeld bepalend geweest voor haar denken. Het lichaam, dat is waar de docent filosofie aan de universiteiten van Tilburg en Maastricht zich mee bezighoudt, of beter gezegd: denken over het lichaam.
In Vreemd lichaam, haar eerste boek voor een breder publiek, onderzoekt ze wat moderne technologieën die in het lichaam ingrijpen, betekenen voor ons begrip van identiteit. Wanneer Slatman het over de maakbaarheid van het lichaam heeft, houdt ze geen ethisch betoog over de wenselijkheid hiervan, maar kijkt ze telkens naar wat een medische ingreep doet met het beeld dat de betrokken persoon van zichzelf, van zijn lichaam heeft. Hierbij gaat ze grondig te werk: ze haalt talloze voorbeelden uit neurologisch onderzoek aan, uit onderzoeken naar fantoomervaringen, maar ook naar transplantaties. Als je een harttransplantatie hebt ondergaan, of een hand- of zelfs gezichtstransplantatie, ben je dan nog dezelfde persoon? Noem je de getransplanteerde hand 'mijn hand'?
Kern van het betoog is dat 'vreemde' elementen in het lichaam best als 'eigen' kunnen worden geaccepteerd, omdat het lichaam van zichzelf al een vreemdheid is: je bent niet alleen een lichaam, je hebt een lichaam. 'Het zijn van het lichaam dat je hebt', zoals Slatman het mooi zegt. Voordat ze tot deze uitspraak komt, bespreekt ze een groot aantal theorieën over lichaam en identiteit. Dat doet ze prachtig en op wonderlijk toegankelijke wijze, want het is geen lichte kost die hier wordt behandeld. Stap voor stap leidt Slatman je door Plato, Descartes, Husserl en Merleau-Ponty en Nancy, en door haar eigen redeneringen die ze, vertrekkend uit hun ideeën, formuleert.
Het Cartesiaanse mensbeeld, met de strenge scheiding van lichaam en geest, is nog steeds bepalend voor hedendaagse opvattingen over het lichaam, schrijft Slatman. Descartes zag het lichaam als een machine, en beschouwde het bewustzijn als bepalend voor het menszijn. In de huidige medische wetenschap wordt het lichaam ook als een machine opgevat, waaraan je naar hartelust kunt sleutelen. Maar betekent dat ook dat wij het lichaam als niet bepalend voor onze identiteit zien? Dat weerspreekt Slatman. Uitgebreid laat ze zien hoe het dubbele perspectief op het lichaam - we ervaren ons eigen lichaam soms als vreemd, maar tegelijk is het iets eigens - juist bepalend is voor onze identiteit.
Het boek is een waardevolle verdieping van de discussies over medische en cosmetische ingrepen in het menselijk lichaam. Daarnaast is het de neerslag van Slatmans ontwikkeling van een eigen ideeëngoed.
Padu Boerstra
De zin van het leven
Terry Eagleton, Atlas, 192 pagina, € 19,90
'Is jazz dus de zin van het leven?' Het staat er echt op de een-na-laatste pagina van Terry Eagletons De zin van het leven. Het boekje bestaat uit vier compacte hoofdstukken, waarvan de eerste drie de vraag naar de zin van het leven taalanalytisch onderzoeken. In zijn voorbeelden en verwijzingen leunt Eagleton, een bekende en ooit marxistische literatuurcriticus, royaal op schrijvers (Wittgenstein, Shakespeare, Walter Benjamin, Freud, Nietzsche) aan wie hij al eens eerder een boek wijdde. Hoewel er van argumentatie geen sprake is, is Eagleton in die eerste drie hoofdstukken een dikwijls spitsvondige tour-guide door de vermeende hoogtepunten van wat een Oxbridge-denker-op-leeftijd reeds gelezen behoort te hebben. En de ontwikkelde lezer deelt met Eagleton het plezier van herkenning en de trots in haar eigen eruditie. Hij is op zijn best als hij schrijft hoe de herinnering aan een betekenisvolle wereld die voorgoed voorbij lijkt te zijn, het werk van modernisten en existentialisten heeft gekleurd. Maar behoudens een enkele opmerking over Monty Python heeft hij geen interesse voor volksvermaak of kunst van meer recente generaties; die worden onder de noemer 'postmodernisme' afgedaan.
In het laatste hoofdstuk gaat het goed mis. Daar komt Eagleton met een antwoord op de vraag of er een zin van het leven is, op de proppen: jazz. Het is volgens Eagleton een uitstekend beeld voor het 'doel' van het soort 'gemeenschap' dat tot stand gebracht moet worden. Hij laat in het midden hoe dit aan te pakken. Een zin van het leven benoemen zonder dat er consequenties aan verbonden hoeven of kunnen worden, is een vorm van escapisme.
Nu kan elk filosoferen een risico van wereldvreemdheid hebben. Maar Eagleton gaat hierin heel ver. 'Wat we nodig hebben,' schrijft hij, 'is een levensvorm die geen enkel nut heeft, net zoals de jazzuitvoering geen nut heeft.' Wie zijn deze bevoorrechten die in dat ogenschijnlijk onschuldig 'we' besloten liggen? Eagleton zwijgt hierover. Wel moeten het mensen zijn die zich vanzelfsprekend tegen het nuttige gekeerd hebben. Een ieder die in onze managerscultuur een beetje verstand en eerzucht heeft, moet de verleidelijkheid van dit beeld meteen aanvoelen, en het 'genot' en 'liefde' dat het samen jazzspelen oproept, direct proeven.
Het is geen toeval dat Eagleton in het laatste hoofdstuk via Wittgenstein teruggrijpt op Aristoteles. Eagleton en Aristoteles delen een aristocratische aversie tegen het nut en waarderen het belang van een hechte groepscultuur. Maar Aristoteles durft te benoemen wat de mogelijkheidsvoorwaarden voor zijn houding zijn: een maatschappij die militair sterk genoeg is om te overleven en die genoeg slaven heeft om een luxeklasse te bekostigen. Het is bijna ironisch dat Eagleton juist de 'complexe muziekvorm' die ontwikkeld is door de kinderen van slaven als ideaal aanprijst. En ofschoon Eagleton goed oog heeft voor het seksisme van Aristoteles, zwijgt Eagleton discreet over de materiële voorwaarden en politieke structuren die volgens hem nodig zijn om een zinnig leven te hebben. De vraag naar de zin van het leven kan niet zomaar losgekoppeld worden van reflectie over de juiste staatsvorm die hiervoor noodzakelijk is.
Eagleton is lyrisch over de 'zelfexpressie' binnen de hechte groepscultuur van een jazzorkest. Ik ken mensen die jazz vooral iets voor ondeugende jongens vinden die graag samen voor een groep masturberen. Maar deze jazzhaters zijn blind voor de techniek en gedisciplineerdheid van een jazzensemble.
Voor Eagleton 'dient [jazz] geen praktisch doel of serieus metafysisch streven, maar is een genoegen op zichzelf… In dit opzicht komt de zin van het leven interessant genoeg dicht in de buurt van het zinloze.' Het verschil tussen utopia en zuivere escapisme is soms moeilijk te benoemen. Hier niet. Eagleton zegt een wereld met 'gemeenschappelijke betekenissen' (terug) te willen, maar in werkelijkheid wil hij in een plezierige fantasiewereld zonder schaarste en ongelijkheid leven.
Eric Schliesser
Politiek vernieuwen: op zoek naar publiek in een technologische samenleving
Huub Dijstelbloem, Van Gennep, 264 pagina's, € 22,50
Dat de filosofie kan leven en zich ook buiten de boekenkast manifesteert, bewijst filosoof Bruno Latour, als curator van experimentele tentoonstellingen en bouwer van virtuele rondleidingen in Parijs. De rode draad in zijn werk is een kruistocht tegen het dualisme, dat volgens Latour sinds de Verlichting de filosofie en de wetenschappen gijzelt. Conceptuele onderscheidingen tussen object en subject, tussen wereld en woord en tussen kennen en handelen, hebben de wereld betekenisloos gemaakt. Volgens Latour moeten we kijken naar netwerken, die bestaan uit relaties tussen mensen en objecten. Die netwerken vormen een brug tussen deze veronderstelde dichotomieën. Of, nog mooier, vormen de rivier die de oevers van de verschillende, artificieel gescheiden werelden verbindt. Het is aan de filosoof om die rivier te bedwingen met een kajak om zo de werkelijkheid te kunnen benaderen. Deze aanpak staat zowel centraal in Latours wetenschapsfilosofie als in zijn politieke denken.
Huub Dijstelbloem neemt in Politiek Vernieuwen deze zienswijze over en voegt er een andere, bijna net zo abstract theoretische notie aan toe. Van de Amerikaanse pragmatist John Dewey leert Dijstelbloem dat de klassieke opvatting van een democratie geen ruimte laat aan een essentiële en vanzelfsprekende eigenschap van een technologische cultuur: nieuwe publieken centreren zich rond nieuwe problemen. Een democratie bestaat niet uit een collectief demos, maar uit verschillende publieken die zich aandienen als er nieuwe problemen ontstaan. Deze problemen zijn onlosmakelijk verbonden met wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen en vraagstukken. En zijn, door hun impact, van grote politieke betekenis. Voorbeelden die Dijstelbloem aanvoert, zijn de BSE-crisis en aids: wetenschap en politiek lopen door elkaar heen, en nieuwe groepen uit de samenleving (publieken) raken direct of indirect betrokken bij deze complexe problematiek.
Aan de hand van Dewey concludeert Dijstelbloem dat het primaat van een democratisch project in deze tijd moet uitgaan van dergelijke problemen en publieken, en van Latour leert hij dat de publieken waar Dewey het over heeft niet slechts bestaan uit een groep mensen, maar uit een netwerk dat bestaat uit relaties tussen mensen en objecten. Het ontstaan van deze netwerken moet het brandpunt van het democratisch project zijn.
Het werk van Dewey en Latour is technisch. Toch slaagt Dijstelbloem erin deze twee denkers logisch met elkaar te verbinden en bovendien aan de hand van hun werk een wezenlijk probleem van deze tijd bloot te leggen. Nieuwe technologische of wetenschappelijke kwesties brengen geheel nieuwe constellaties teweeg, en deze constellaties worden niet gevat door de notie van de representatieve democratie. Een nieuwe dimensie van het democratisch tekort.
De verschillende cases die Dijstelbloem aanvoert, zijn zeer goed gedocumenteerd en illustreren de aannames in zijn boek op scherpe wijze. De volgende stap die Dijstelbloem maakt, is de vertaalslag naar een democratisch institutioneel programma. Hier moeten de abstracte lessen van Latour en Dewey concreet vertaald worden. Dijstelbloem ontstijgt hier het technische jargon niet of nauwelijks, en dat is jammer. Zo wordt niet geheel duidelijk wat exact de rol van de overheid en de verschillende instituties moet zijn. Een bemiddelende en innovatieve overheid met flexibele instituties, opdat nieuwe publieken zichtbaar worden en zich kunnen articuleren, is nog te vaag. Als Politiek Vernieuwen wordt gelezen als een goed opgezet denkexperiment, een eerste aanzet om op een alternatieve en innovatieve wijze democratie in een technologische samenleving te benaderen, dan is het een geslaagd boek. Het vocabulaire is af en toe wat technisch, maar verfrissend. In het midden blijft of Dijstelbloem een politieke filosofie, een filosofie van politiek en wetenschap of een politieke theorie uiteenzet. Maar in het midden blijven, dat is precies zoals Latour het graag ziet.
Maurits Martijn
