Vrij Nederland Het web rond Diederik Stapel

Afbeelding bij Het web rond Diederik Stapel

Het web rond Diederik Stapel

Meeliften met de meesterbedrieger

Door Tomas Vanheste / Maurits Martijn

Meeliften met de meesterbedrieger

Door Tomas Vanheste / Maurits Martijn

Enkele verloren ballonnetjes kleuren de grauwe hal van de faculteit der Sociale Wetenschappen van de Universiteit van Tilburg. Pas nog was het hier feest: de afdeling psychologie vierde haar achtste lustrum. Op het symposium ‘40 jaar psychologie in Tilburg’ blikten professoren en alumni terug op de hoogtepunten van de afgelopen decennia. Het moet een wrang partijtje zijn geweest, dik twee maanden nadat de charismatische decaan van de faculteit, de wonderboy van de sociale psychologie, de kluit belazerd bleek te hebben en zo niet alleen de naam van de faculteit maar die van de hele psychologische wetenschap bezoedelde.

Op de Tilburgse universiteit lijkt iedere herinnering aan Diederik Stapel gewist. De portrettengalerij van medewerkers van de afdeling sociale psychologie vertoont een gapend gat. Op het prikbord met alle publicaties, ontbreken Stapels schrijfsels. Het is symbolisch voor de poging de geest van de zondaar ritueel uit te drijven en zo de gemeenschap van elke blaam te zuiveren. Met het rapport van de speciaal ingestelde onderzoekscommissie als getuige trachten zijn oud-collega’s en promovendi alle schuld op Stapel af te schuiven. De meesterfraudeur wist hen zo geraffineerd om de tuin te leiden dat zij louter slachtoffers, zeker geen collaborateurs zijn.

In de gang waar Stapel kantoor hield, blijven de deuren gesloten. Stonden zijn oud-collega’s eerder nog te trappelen om met hun media genieke collega in de krant te komen, over hun eigen rol in dit drama houden ze de lippen liever stijf op elkaar. Universitair docente Kirsten Ruijs, die samen met Stapel tien publicaties schreef, laat per mail weten niet te denken ‘dat ik er als wetenschapper bij gebaat ben om dit onderwerp nog langer onder de aandacht te houden in de media’. Ook elders in Nederland doen de meeste vakbroeders met wie Stapel publiceerde er het zwijgen toe. De Groningse hoogleraar Janka Stoker publiceerde vier artikelen met Stapel. Toch kan ze, schrijft ze, ‘uit mijn eigen ervaring niets zeggen over de werkwijze van Diederik.’ Ze heeft een wonderlijke uitvlucht. ‘Ik begeef me niet op het terrein van de psychologie.’ Gewezen op hun laatste gezamenlijke stuk over de relatie tussen macht en vreemdgaan in het vakblad Psychological Science, geeft ze aan geen prijs te stellen op verdere correspondentie.

Stapels netwerk verbond hem met vele collega’s in verre buitenlanden. De meesten van die gerenommeerde wetenschappers laten merken hem nu te beschouwen als een besmettelijke zieke bij wie ze bij voorkeur ver uit de buurt blijven. ‘Deze calamiteit domineert elke conferentie. Ik wil er niet meer over praten,’ schrijft Hart Blanton, een professor sociale psychologie in Connecticut met wie Stapel sinds 2004 drie artikelen en een boek schreef.

Mediatop 40
Wie toch wil praten, staat onder druk om te zwijgen. Zowel in Tilburg als in Groningen, waar Stapel tot 2006 werkte, hebben zijn collega’s en oud-promovendi te horen gekregen dat ze de pers beter niet te woord kunnen staan. Maar niet iedereen laat zich daardoor beletten. Ad Vingerhoets, Stapels Tilburgse collega-hoogleraar in de psychologie, vindt het ‘bezopen’ dat hem is afgeraden met journalisten te spreken. ‘De universiteit gaat er prat op voor transparantie te staan, maar handelt er niet naar,’ zegt de gezondheidspsycholoog in zijn werkkamer. ‘Het is belangrijk dat mensen snappen wat er gebeurd is. Ik zou dat zelf ook willen weten.’ Normaal gesproken is de universiteit maar wat trots op de media-optredens van de professor die wereldberoemd is door zijn onderzoek naar de functie van huilen. Hij neemt de tweede plaats in op de Tilburgse Mediatop 40. De UvT pronkt ermee van alle Nederlandse universiteiten het meest radio, televisie en kranten te halen. Slechte publiciteit rekent de ‘Best Commu nicerende Universiteit’ voor het gemak niet mee: met terugwerkende kracht is Diederik Stapel uit de topvijf van de Mediatop geknikkerd.

'Zo'n jonge, mooie, ambitieuze hoogleraar, dat vindt men natuurlijk prachtig'

Het mediagenieke duo zou samen onderzoeken of kinderen meer bereid zijn om snoepjes te delen als ze een ander zien huilen. Toen Vingerhoets vorig jaar de data ontving van Stapel, geloofde hij zijn ogen niet. ‘Onze verwachtingen kwamen precies uit. Het was te mooi om waar te zijn. Ik dacht: Jezus, hoe kan dat? Zulke mooie resultaten heb ik nog nooit gehad.’ Toch gingen er bij Vingerhoets, zelf goed voor driehonderd publicaties, niet meteen alarmbellen rinkelen. Wel vroeg hij de data bij Stapel op, omdat hij wilde kijken naar het verschil tussen jongens en meisjes. ‘Toen gebeurde er iets merkwaardigs, want hij zei in eerste instantie dat die nog niet waren ingevoerd.’ Stapel had Vingerhoets wel een maat voor de statistische significantie gemaild. ‘Dat is een vrij ingewikkelde berekening. Ik dacht: hoe kun je die maken zonder dat de data zijn ingevoerd? Hé, wat is hier aan de hand?’

Gaandeweg begon de hoogleraar gezondheidspsychologie zich steeds meer vragen te stellen over hoe Stapel het onderzoek had uitgevoerd. ‘Als je het goed deed, kon het niet klassikaal, maar moest het in groepjes van twee. Ik vond het wel onwaarschijnlijk dat ze op een school negentig leerlingen in duo’s hadden getest.’ Vingerhoets vertrouwde het zaakje niet en nam een grote stap: hij trok aan de bel bij een emeritus hoogleraar. Die adviseerde hem de zaak te laten rusten. ‘Blijkbaar vond hij mijn argwaan onvoldoende gefundeerd,’ zegt de Tilburgse toponderzoeker. Na de zomervakantie zou Vingerhoets zijn twijfels aan Stapel voorleggen. Maar van die afspraak is het niet meer gekomen omdat Stapel ondertussen was ontmaskerd.

Het is een opmerkelijke geschiedenis. De eerste de beste keer dat Vingerhoets met Stapel samenwerkte, rook hij onraad. Waarom verwonderden al die grote namen met wie Stapel publiceerde zich nooit over de wijze waarop hij data uit zijn hoed toverde? ‘Dat snap ik ook niet,’ zegt Vingerhoets. Even opmerkelijk is dat zijn grote twijfels de gepokte en gemazelde onderzoeker niet aanspoorden om er echt werk van te maken. Spijt heeft Vingerhoets niet. ‘Ik vind nog steeds dat ik het goed heb gedaan.’

Speurzin
De door de Universiteit van Tilburg ingestelde Commissie-Levelt, die de affaire onderzoekt, oordeelde daar in haar tussenrapportage anders over. Zij constateert dat het ondanks twijfels onder professoren de verdenkingen van Tilburgse junior-onderzoekers zijn die Diederik Stapel de nek hebben omgedraaid. ‘De Com missie concludeert dat de zes jonge klokkenluiders meer moed, alertheid en speurzin hebben getoond dan de zittende hoogleraren.’

Het beeld dat alom is geschetst, is dat Stapel een charismatische man was die iedereen inpalmde en wiens genialiteit niet ter discussie stond. Dat is maar een deel van het verhaal. Want in de tussenrapportage is ook te lezen dat er al in Groningen een jonge onderzoeker was die geen genoegen nam met de wetenschappelijke mores van de hoogleraar. Hij eiste de ruwe data te mogen zien en kreeg daar een hoogoplopend conflict over. Ook was er een postdoc die ernstige twijfels had over de integriteit van Stapel. Die staat niet op de lijst van mensen met wie de onderzoekscommissie sprak. ‘Dat is echt een dramatisch verhaal,’ vertelt Bram Buunk, de senior-hoogleraar die Stapel in 2000 naar Groningen haalde. ‘Op een gegeven moment kreeg ik mee dat het tussen die postdoc en Diederik moeizaam ging. Maar ik kreeg er geen greep op wat er aan de hand was. Het enige dat ik hoorde, is dat Diederik het verhaal de wereld in hielp dat hij zich fysiek bedreigd voelde door die jongen.’

De talentvolle onderzoeker moest het veld ruimen en vertrok naar een andere universiteit. Erover praten wil hij niet, omdat hij oude wonden niet wil openrijten en ook omdat hij dat destijds met de universiteit heeft afgesproken bij de contractuele afhandeling. Wel zegt hij dat hij vanaf dag twee al het gevoel had dat Stapel niet te vertrouwen was, omdat hij zou manipuleren en gemaakte afspraken niet nakwam. De onverkwikkelijke geschiedenis bewijst dat er al jaren geleden vraagtekens waren bij Stapel. Maar die bereikten blijkbaar niet de bevoegde instanties. Sterker nog, de voorvallen zijn uit het Groningse geheugen gewist. Bert Creemers, toen decaan van de faculteit, weet zeker dat dit conflict hem niet ter ore is gekomen. ‘In de vijf jaar dat ik decaan was, waren er allerlei personeelsproblemen. Maar van dit geval wist ik niets.’

De relatie tussen professor Bram Buunk en Stapel bekoelde ook snel. Aanvankelijk was Buunk ervan overtuigd een supertalent aan de haak te hebben geslagen. ‘Iedereen had het gevoel dat Stapel geniaal was.’ Buunk had zich op hun samenwerking verheugd. Hij dacht dat ze een ideale match waren. Samen zouden ze een mooi onderzoeksprogramma opzetten. Stapel haalde toen een heel grote onderzoekssubsidie binnen bij NWO, waar Buunk ook een rol in had. En van de ene op de andere dag liet de jonge hoogleraar weten niets meer te zien in de samenwerking. Zijn senior-collega was verbijsterd. ‘Er was niets gebeurd, geen conflict of zo.’

Buunk klopte met zijn teleurstelling aan bij decaan Creemers. ‘Die had verhalen over dat Stapel niet wilde dat ik met hem mee zou liften. Deze man werd op handen gedragen, hoor. Zo’n jonge, mooie, ambitieuze hoogleraar, dat vindt men natuurlijk prachtig.’ De universiteit liet haar nieuwe ster zijn eigen gang gaan. Buunk: ‘Achteraf denk ik dat Stapel geen pottenkijkers wilde. Hij was waarschijnlijk bang dat hij al die prachtige ontdekkingen die hij in zijn onderzoeksvoorstel had voorspeld, niet waar kon maken. Die postdoc zei dat hij zijn angstzweet kon ruiken. Als we wel hadden samengewerkt, dan had ik het denk ik wel ontdekt.’

Creemers verdedigt nu zijn welwillende houding van destijds. ‘Stapel had een geweldige drive. Bovendien was bij zijn aanstelling besproken dat hij een eigen groep mocht vormen.’
De decaan merkte wel dat Stapel zich al snel als een prima donna ging gedragen. ‘Of het nu om bonnetjes of personen ging, hij uitte zijn klachten duidelijk. Hij had natuurlijk recht op goede ondersteuning, maar ik vond dat hij zich geen keizerlijke manieren zou moeten aanmeten en op een wat prettiger manier met zijn collega’s moest omgaan. Ik dacht: dit is mijn lot dat ik af en toe zo’n hoogleraar heb, een jeune premier die je wat tot bedaren moet brengen.’ Maar Diederik Stapel was niet te stoppen. Hij eiste dat hij net als Buunk tot hoogleraar B, de hoogste rang, werd bevorderd. Toen de decaan hem liet weten dat de tijd daar nog niet rijp voor was, stapte hij achter de rug van Creemers om naar het College van Bestuur. Ook daar kreeg hij niet zijn zin. Creemers: ‘Dat was uiteindelijk een reden voor hem om uit Groningen te vertrekken.’

Snoepjes
Stapels brandende ambitie was al aan het begin van zijn carrière zichtbaar. De Schotse hoogleraar Stephen Reicher was zijn begeleider toen hij begin jaren negentig aan de universiteit van Exeter studeerde. ‘Ik mocht hem graag. Hij was ongelooflijk enthousiast. Breed geïnteresseerd, in kunst en literatuur. Zijn passie voor de wetenschap raakte me. Hij had alle ingrediënten om de top te bereiken.’ Maar Reichers bewondering voor Stapel nam af toen hij hem in zijn Groningse tijd opnieuw ontmoette. ‘Een van de dingen die ik altijd tegen mijn studenten, en ook tegen Diederik zei, is: je gaat de wetenschap niet in om beroemd te worden. Dat was bij hem veranderd. Hij was zijn oorspronkelijke passie en nieuwsgierigheid verloren en cynisch geworden.’

‘Dat heb ik van meer mensen gehoord,’ zegt Joop van der Pligt. In 1997 promoveerde Stapel cum laude bij de hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Hij was verblind door ambitie, denk ik. Het is allemaal heel erg triest en heeft ook wel klinische proporties,’ zegt Van der Pligt in zijn werkkamer in de vroegere Amsterdamse diamantbeurs. Al in de jaren dat Stapel promoveerde, liep hij over van de gedrevenheid. Van der Pligt had er wel bewondering voor. ‘Hij voldeed op fenomenale wijze aan het beeld van de beloftevolle wetenschapper. Hij was een primus inter pares met een enorme uitstraling. Som­migen vonden de competitie met Stapel wel wat hevig. Een deel ging niet meer mee lunchen omdat ze niet steeds wilden aanhoren hoe succesvol Diederik was.’

De promotor herinnert zich nog dat Stapel met dozen vragenlijsten binnenkwam. Hij kan niet geloven dat hij toen al fraudeerde, en vermoedt dat het allemaal rond 2003 is begonnen. Daarna ging de publicatiefabriek in versneld tempo draaien. Maar zeker weten kan Van der Pligt dat niet. ‘Je gaat nu aan alles twijfelen.’ Want alle data uit die tijd zijn vernietigd. En de Commissie-Levelt schrijft dat Stapel ook in Amsterdam ‘vrijwel altijd geïsoleerd, ongecontroleerd en ongetoetst’ te werk ging. Van der Pligt is het met dit oordeel niet eens. ‘Zijn dagelijkse begeleider was Wim Koomen, en die is statistisch goed onderlegd.’ De nu gepensioneerde Koomen publiceerde tot in 2006 bijna veertig stukken met Stapel. Volgens zijn oud-collega’s zit hij thuis in zak en as. Van der Pligt beschermt hem. ‘Het komt niet in je hoofd op dat iemand data verzint. Dit systeem is gebaseerd op vertrouwen. Het is bijna net zoiets als dat je aan iemand vraagt: heb je je moeder vermoord? Alsof je dat elke dag zou moeten verifiëren.’

Vastgesteld is dat Stapel in de periode dat hij in Groningen hoogleraar was, tussen 2000 en 2006, al aan het frauderen was geslagen. Kant-en-klaar leverde hij data aan zijn promovendi die hij beweerde op scholen te hebben verzameld. Dat deed hij met een doortraptheid van ongekende proporties. Hij droeg promovendi op de vragenlijsten in zijn auto te leggen, samen met de snoepjes die hij aan de kinderen zou geven. Voor een nooit uitgevoerd experiment kocht een jonge onderzoeker kilo’s gewone en fairtrade-chocolade in. Ook gaf Stapel een promovendus de opdracht alle nietjes uit vragenlijsten te halen en die opnieuw in elkaar te zetten, toen de inkt wat doordrukte op een van de pagina’s. Een hoogleraar marketing wist hij op de mouw te spelden dat hij een experiment van een gezamenlijk onderzoek zou uitvoeren op een wetenschappelijk congres. Voor zijn laatste klapper in Science over het verband tussen stereotypering en chaos verzon hij experimenten te hebben gedaan op rommelige treinstations.

Achteraf verbaast iedereen zich erover dat promovendi complete datasets in ontvangst mochten nemen. Maar op het moment zelf hadden de superieuren dat blijkbaar niet in de gaten. ‘Die werkwijze kende ik niet,’ zegt de Groningse oud-decaan Creemers. Bram Buunk is er zeker van dat de data op tafel hadden moeten komen als hij samen met Stapel begeleider van een jonge onderzoeker was geweest. ‘Dat verlang ik altijd. Ik acht de kans groot dat ik dan kritische vragen had gesteld en onraad had geroken.’

Maar Stapel kon in splendid isolation zijn gang gaan. In sommige onderzoeksgroepen geldt de regel dat promovendi altijd twee begeleiders moeten hebben. ‘Bij ons is wat er gebeurd is, daarom onmogelijk,’ denkt de Nijmeegse hoogleraar sociale psychologie Ap Dijkster huis. Hij herinnert zich Stapel als een leuke en vlotte collega. Maar hem viel ook op dat zijn ambitie een keerzijde had. ‘Hij heeft mij wel eens aangekondigd op een congres waar hij de voorzitter was en ik de keynote speaker. Het was de bedoeling dat hij over mij praatte, maar vijfeneenhalve minuut van de zes ging over hemzelf.’

Als alleenheerser kon Stapel zijn promovendi makkelijk overbluffen. Met uitspraken als ‘besef je wel dat je goud in handen hebt?’ paaide en suste hij hen. Wie doorvroeg, kreeg de wind van voren. Buunk: ‘Er is een verhaal van een promovendus die hij achteruit liet deinzen tot die met zijn rug tegen de muur stond. Dan stond er een lange man tegenover je die intimiderende taal uitsloeg. Hij heeft alle kenmerken van een narcist, een klassieke oplichter die aan de ene kant heel charmant kan zijn en aan de andere kant buitengewoon naar als hij zijn zin niet krijgt.’

Op tijd gepromoveerd
Die kant van Stapel kreeg de in 2009 bij hem gepromoveerde Lennart Renkema niet te zien. ‘Ik vond het een heel aardige, charismatische man. Makkelijk te benaderen, pragmatisch in allerlei dingen, niet heel strikt qua regels.’ Een flink deel van Renkema’s proefschrift kan de prullenbak in. Het is gebaseerd op gegevens die Stapel in Tilburg bij psychologiestudenten zou hebben verzameld. Een paar weken nadat ze samen de opzet van de experimenten hadden besproken, kreeg Renkema een nette spreadsheet waarop de data al waren ingevoerd. Zelf vond hij het ook wel bijzonder dat al hun voorspellingen juist bleken te zijn. ‘Normaal komen een paar verwachtingen uit en andere niet, en moet je het allemaal weer herzien en opnieuw doen om het er mooier uit te krijgen.’

Stapel was altijd goed voor klinkende resultaten. Dat schreven de aio’s toe aan zijn bijzondere gaven als onderzoeker. In de kroeg werd er wel eens grappend gezegd dat het allemaal wel erg toevallig was. Een aandrang het tot de bodem uit te zoeken, had Renkema niet. ‘Als het om je eigen data gaat, wil je niet eens al te kritisch zijn. Als iets mooi uitkomt, worden er geen vragen gesteld. Je wilt de dingen afronden, opschrijven en publiceren.’ Ergens vindt de doctor die intussen de wetenschap heeft verlaten het wel jammer dat de fraude niet eerder is ontdekt. ‘Dit is een van de grootste blamages uit de psychologie.’ Tegelijk prijst hij zichzelf gelukkig dat het nu pas is uitgekomen. ‘Ik ben wel mooi op tijd gepromoveerd. Anders had ik de helft overnieuw moeten doen, en was ik nog twee, drie jaar bezig geweest.’

De Commissie-Noort, die het Groningse deel van het onderzoek naar de affaire verricht, meent dat de aio’s ‘geen enkel verwijt treft’ en adviseert Stapels promovendi in het bezit te stellen van een officiële verklaring dat ze de graad van doctor terecht hebben gekregen. Raar, vindt Eric-Jan Wagenmakers, universitair hoofddocent methodologie van de psychologie in Amsterdam. ‘Stel dat ik een atleet ben en mijn trainer dient me buiten mijn medeweten om doping toe. Ik kwalificeer me voor de Olympische Spelen en vervolgens word ik gepakt. Dan word ik echt wel gediskwalificeerd. Hoewel ik er geen schuld aan heb, is de prestatie niet eerlijk geweest. Als ik een proefschrift publiceer met gegevens die niet kloppen, hoeveel is die proeve van bekwaamheid dan nog waard?’ Ook vindt dat hij dat de aio’s een kritischer houding hadden moeten aannemen. ‘Als je bij iemand werkt die je telkens van data voorziet maar je de echte data niet wil geven, is dat toch een beetje apart.’

De onderzoekscommissies hinken op twee gedachten. Aan de ene kant proberen ze Stapel te schetsen als de grote boosdoener die alle schuld draagt en iedereen geslepen om de tuin leidde. Daarmee draagt hij volgens Levelt ‘de volle verantwoordelijkheid voor de enorme schade die aan mensen en hun carrières, alsmede aan het aanzien van de wetenschap, in het bijzonder van de sociale psychologie, is toegebracht.’ Aan de andere kant constateren ze dat er al in Groningen verdenkingen waren en dat de affaire een teken is dat de wetenschappelijke kritiek ernstig tekort is geschoten.

Het is daarom veel te makkelijk Stapels praktijken af te doen als de geïsoleerde dwaling van een meesterbedrieger, vindt Wagenmakers. ‘De affaire-Stapel is het beste wat de psychologie kon overkomen,’ zegt hij aan de telefoon vanuit Californië. Want de affaire leidt tot reflectie over hoe binnen het vak data worden beheerd en geanalyseerd. Het botweg gegevens uit de duim zuigen zoals Stapel deed gaat wel heel erg ver. Maar veel psychologen zijn wel van hetzelfde hellende vlak aan het afglijden. Ze ‘martelen’ de data tot die iets ‘bekennen’. De Amsterdamse methodoloog en president van de Society for Mathematical Psychology schetst een hele serie martelwerktuigen waarvan zijn vakgenoten zich bedienen. Ze beginnen hun experimenten met een beperkt aantal proefpersonen. Als er dan niet het gewenste resultaat uitkomt, testen ze er nog wat bij, net zolang tot ze wel iets te pakken hebben dat statistisch significant mag heten. ‘Bijna iedereen doet dit,’ zegt Wagenmakers. ‘Het is gewoon vals spelen en veel onderzoekers beseffen niet eens dat ze dat doen.’ Ook favoriet: alle manieren om je data te analyseren uitproberen en dan de methode kiezen die het beste resultaat oplevert. Mensen die zich niet aan de instructies houden of heel extreem in hun reacties zijn, kun je weglaten. ‘Zo ben je bezig de krenten uit de pap te vissen,’ becommentarieert de methodoloog. Een andere geliefde strategie is het doen van wat experimentjes en achteraf bedenken welk theoretisch verhaal er mooi bij aansluit. Dat lukt natuurlijk altijd. Maar is de verkeerde volgorde, legt Wagenmakers uit.

Trukendoos
Als je uit die trukendoos graait, kun je zo’n beetje alles wel bewijzen. Meer dan de helft van de psychologen geeft toe wel eens creatieve datatrucjes toe te passen, vertelt Jelte Wicherts, een collega van Wagenmakers. In een commentaar in Nature schreef hij eind november dat psychologen kritisch moeten kijken naar de context waarin deze enorme fraudezaak kon plaatsvinden. ‘Onze resultaten liegen er niet om,’ zegt hij in een Amsterdamse koffiebar. Wicherts vroeg bij psychologen hun data op. Slechts een kleine minderheid kwam daar meteen mee over de brug. Een flink deel gaf toe de gegevens niet eens in een behapbaar formaat te hebben. ‘Dat wijst erop dat zij de enigen zijn die de data bekeken hebben. Want als je ze aan een co-auteur wilt laten zien, moet je ze wel netjes hebben ingevoerd.’ Ook zegt de Amsterdamse methodoloog dat je in pakweg de helft van de artikelen statistische fouten vindt. Simpel narekenen leert al dat bij één op zeven artikelen de resultaten die de auteurs significant noemen, dat niet zijn. ‘Dat is eigenlijk een achterlijke manier. Als je niet gepakt wil worden, moet je het niet zo doen.’ Bij een snelle scan van Stapels recente publicaties vond Wicherts al meteen een fout. Het resultaat van één van de drie studies die werden gepresenteerd in een artikel in het Journal of Personality and Social Psychology, blijkt bij herberekening niet meer significant te zijn.

Wicherts wijst op nog een andere merkwaardigheid in dat artikel. ‘De effecten zijn abnormaal groot voor dit soort studies. Dat is in de literatuur nog nooit vertoond.’ Aan dat euvel lijden veel van Stapels publicaties. ‘Het ziet er te goed uit.’ Wonderlijk dat de vele mensen die samen met hem stukken schreven en de beoordelaars ervan bij tijdschriften dat nooit opviel. ‘Co-auteurs hadden het moeten zien. Reviewers ook,’ vindt hij.

Maar die staan onder druk van de tijdschriften die graag mediageniek onderzoek publiceren. ‘Er is steeds meer vraag naar leuke vindingen. Redacteuren laten de hippigheid passeren en honoreren onderzoekjes met drieëndertig proefpersonen,’ zegt Wicherts. Veel van het onderzoek uit het web van wetenschappers dat Stapel om zich heen spon, voldoet perfect aan dat hippe profiel. Een hit in de media was het onderzoek dat hij in 2008 met zijn promovenda Janneke Jolij publiceerde over hoe de attributen van Sinterklaas – staf, mijter en boek – kinderen zouden aanzetten tot socialer gedrag. Marijn Meijers, een Tilburgse promovenda van Stapel die in oktober haar bul zou halen maar wier promotie is uitgesteld, mocht dit voorjaar op de radio vertellen dat wie merkkleding draagt meer status heeft en vriendelijker bejegend wordt. Debra Trampe, die in 2007 bij Stapel promoveerde, haalde in januari van dit jaar de The New York Times met een samen met Stapel geschreven artikel over experimenten die zouden uitwijzen dat vrouwen zich door advertenties voor schoonheidsproducten lelijker voelen.

In 2008 uitte in Tilburg een hoogleraar in de consumentenwetenschap bij zijn oratie grote zorgen over de stand van de psychologie. Hij waarschuwde: ‘Publicatiedrang leidt tot wetenschappelijke pornografie. Dit zet een premie op veel publiceren en niet goed onderzoek doen. Academici worden stukloonwetenschappers die geen interessante onderzoeksvragen zien maar geinige effectjes.’
De professor in kwestie heette Diederik Stapel. En het was niet de enige keer dat hij een geniaal zelfinzicht toonde. Het is van een schitterende ironie dat hij in 1999 in een enquête sociaal-psychologen een fictieve plagiaataffaire voorlegde. Hij wilde onderzoeken hoezeer grote misdraging van een beroemde collega bij hen gevoelens van schaamte opriepen. Precies volgens de verwachtingen kwam de hypothese uit dat als de plagiator zelf een sociaal-psycholoog was, de gêne onder collega’s het grootst was.

Maar zelfs Stapel had niet kunnen vermoeden hoe groot de schaamte was nadat hij op 7 september 2011 op non-actief werd gesteld. Direct begonnen zijn collega’s aan de operatie-schadebeperking. De wetenschappers die normaal zo goed zijn in het opzoeken van de media, trokken de ophaalbruggen op. Iedere medeverantwoordelijkheid wezen ze af. Zelfreflectie was niet nodig, want dit was een geïsoleerd incident en fraudeurs liepen in elk vakgebied rond.
Maar zo simpel is het dus niet. Al jaren geleden waren er mensen die twijfelden aan Stapels integriteit. Zijn werkwijze was zo ongewoon dat het moeilijk te bevatten is dat collega’s en promovendi er geen vragen bij hadden. In het café grapten ze wel over de toverkunsten van Stapel. Maar doorvragen deden ze liever niet en ze waren maar al te blij dat ze mochten meeliften op zijn succes. De jonge god van de sociale psychologie publiceerde met talloze co-auteurs van naam en faam. Zij drongen niet aan op het zien van de ruwe data. Als ze dat wel deden, legden ze zich snel neer bij een van zijn smoesjes. Nooit viel het hun op dat resultaten vaak te mooi 
waren om waar te zijn en de gevonden effecten onwaarschijnlijk groot. Ook reviewers van artikelen lieten na eenvoudige statistische controletoetsen op zijn analyses uit te voeren.

Enkele jaren geleden zei Diederik Stapel in een interview: ‘De sociale psychologie heeft overtuigend aangetoond dat het vaak niet de persoonlijkheid van de betrokkene is die de doorslag geeft, maar de omstandigheden waarin hij of zij verkeert.’ Het is misschien wel het diepste inzicht uit zijn gefnuikte loopbaan. De affaire-Stapel kon alleen potsierlijke proporties aannemen doordat vele vakgenoten gretig op zijn succes meeliftten, elke kritische distantie lieten varen en hun neus dichtknepen als ze stront roken.

Illustraties: Paul Faessen

22-12-2011 / Wetenschap


Over Tomas Vanheste

Tomas Vanheste (1968) werkt sinds 2001 als freelancer en vanaf 2004 als vaste redacteur bij Vrij Nederland. Hij schrijft over kwesties op het gebied van wetenschap, milieu en ruimtelijke ordening en interviewt grote denkers.

Over Maurits Martijn

Maurits Martijn (1981) is sinds oktober 2007 redacteur van Vrij Nederland. Daarvoor coördineerde hij de succesvolle debatreeks ‘Vrij Nederland in debat’.

Meer van Tomas Vanheste, Maurits Martijn

Meest gelezen artikelen

Volg ons