VN MediagidsEen betoverde wereld
Wetenschap / filosofie 05.04.2008
Religie maakt een revival door in de filosofie, als basis voor de herbetovering van onze geseculariseerde wereld. Maar volgens Carel Peeters is religie daarvoor niet nodig: de wereld is altijd betoverend geweest voor wie het wilde zien.
Eind zeventiende eeuw verscheen in Amsterdam een kolossaal boekwerk waarin afgerekend werd met het idee dat geesten, verschijningen en duivels rechtstreeks invloed zouden hebben op het leven: De Betoverde Weereld van de predikant Balthasar Bekker. Historisch, filosofisch, bijbelkundig, juridisch, van alle kanten deed Bekker 'een grondig ondersoek' naar vermeende buitenaardse en spirituele krachten. Magie, tovenarij en hekserij werden met de nodige spot teruggebracht tot bedrog of projecties van menselijke angst en vrees.
Er waren al eerder pogingen gedaan om raadselachtige verschijnselen een natuurlijke of aardse oorzaak te geven (kometen die geen waarschuwend teken van God waren) maar Bekkers boekwerk was de eerste systematische ontmythologisering van demonologie en bijgeloof. Het boek werd een Europese sensatie en verscheen binnen enkele jaren in het Duits, Frans en Engels. Er werden tweehonderd boeken en pamfletten tegenin geschreven. Bekker werd in 1692 afgezet als predikant, maar zijn boekwerk speelde nog lang een grote rol in de Verlichting.
Bekkers werk was een belangrijke stap in wat later 'de onttovering van de wereld' is genoemd. In de cultuurgeschiedenis van het Westen heeft wellicht zelden een ongelukkiger uitdrukking zoveel invloed gekregen. Wie zou nu van de wondere kanten van wereld af willen? Wat zou Alice zijn zonder Wonderland? Max Weber, de Duitse socioloog die de uitdrukking tamelijk argeloos introduceerde in het kader van zijn reeks lezingen in 1918 onder de titel Wissenschaft als Beruf, kon niet bevroeden dat zijn uitdrukking zo'n eigen leven zou gaan leiden.
'De onttovering van de wereld' sloeg allereerst op de verdwijning van de premoderne, voorwetenschappelijke tijd waarin mensen nog als in een tovertuin leefden, gelovend in geesten en demonen. Een wereld waarin het lot alles bepaalde. Alles wat gebeurde, werd aan duistere krachten toegeschreven. Maar daarna ging 'de onttovering van de wereld' ook slaan op de modernisering, rationalisering en secularisering die vanaf midden zeventiende eeuw inzette. Met de intrede van de moderne tijd verscheen een rationele wereld waarin alles berekening en planning is. De samenleving werd zo een ijzeren kooi van efficiency, stroomlijning, regels, bureaucratie en economie. Weber vond dat een gevaar voor de menselijke vrijheid.
Deze onttovering van de wereld was reëel genoeg: die was het gevolg van mechanisering, industrialisatie, verwetenschappelijking, opkomst van de massa en ongebreideld gebruik van de natuur. Dit was niet meer het bespotten van de duivel en magische krachten, maar het eentoniger, eenvormiger, eenduidiger en grauwer maken van het bestaan. De kleur werd er afgehaald. De wereld werd in beton gegoten.
God in een luis
Maar in dezelfde eeuw dat Balthasar Bekker het bijgeloof bestreed en de wereld probeerde te ontdoen van hocus pocus, werd de wereld op een heel andere manier weer wel, en zinnig, betoverd door een aaneenschakeling van ontdekkingen die ertoe leidden dat men ging denken dat de wereld voor de tweede keer werd geschapen. De microscoop bijvoorbeeld deed iedereen versteld staan. Zoals Constantijn Huygens in 1622: 'Het is werkelijk of je voor een nieuw schouwtoneel van de natuur staat, op een andere aarde bent.' Wat de nieuwe natuurvorsers door de microscoop zagen, overtuigde hen van 'de onuitsprekelijke Majesteit' van Gods hand. In de volgende eeuw zou Jan Swammerdam zeggen dat de 'almachtige vinger Gods in de anatomie van een luis' is te zien. Wie zijn klassieken kende, wist dat hij daarmee niet iets geheel nieuws beweerde: Aristoteles zei al dat 'in alles iets wonderbaarlijks is te vinden'. En Plinius had het niet over een God toen hij in zijn Naturalis historia over de bouw van insecten schreef: 'Nergens anders manifesteert de kunstvaardigheid van de natuur zich indrukwekkender. Wat een inzicht, wat een macht, wat een ondoorgrondelijke volmaaktheid bij deze zo kleine, zo nietige wezens.'
Er had dus in dezelfde tijd een onttovering van de wereld plaats met als symbool de onttroning van de invloed van de Duivel, en een betovering van de wereld met als symbool alles wat er te zien was door de microscoop. Met de stormachtige ontwikkelingen in de wetenschap en filosofie, en door de ontdekkingsreizen, begon in die tijd ook de langzame secularisering van het leven. Men mocht Gods hand willen zien in de wonderen van de natuur, men ging het wonder van de natuur ook steeds vaker zelf genoeg vinden. Het wonder (de tover) van het concrete leven verscheen: men raakte thuis in de menselijke anatomie, raakte vertrouwd met planeten en sterren, ontdekte nieuwe werelddelen, werd binnengeleid in de bouw van het oog van een mier. De exploratie van wat op aarde concreet voorhanden is, nam zo'n vlucht, en was zo opwindend, dat het belang van een God afnam, tenminste voor degenen die er direct bij betrokken waren.
De secularisatie mag vanaf de achttiende eeuw gestadig voortgeschreden zijn en Charles Taylor mag er zijn onlangs verschenen vuistdikke boek A Secular Age aan gewijd hebben, de invloed van godsdienst is tot ver in de jaren zestig van de twintigste eeuw gigantisch gebleven. De 'echte' betovering van de wereld als gevolg van wetenschappelijk onderzoek en door oog te hebben voor de wonderen van de werkelijkheid heeft tot in de jaren zestig nooit in de schaduw kunnen staan van de morele, sociale en politieke druk die uitging van de godsdienst als systeem. Taylor mag doen alsof religie steeds meer gemarginaliseerd werd omdat de God is dood-verklaring van Nietzsche in wetenschap, kunst en filosofie steeds meer werd onderschreven, pas in het midden van de jaren zestig is de greep van het christendom op de samenleving pas echt losgeraakt, samenvallend met het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). Dat is nog maar zo'n vijftig jaar geleden.
Postseculiere samenleving
De recentste ontwikkeling in de onttovering van de wereld is de bewering dat het juist de secularisering en ontkerkelijking is geweest die de wereld heeft onttoverd. De secularisatie zou de wereld ontdaan hebben van de tover die hoort bij het geloven. Hoe mild van toon ook, dat is de strekking van Gordon Grahams boek The Re-enchantment of the World. Art versus Religion. In het licht van de opkomende islam en de nieuwe christelijke bewegingen beweren steeds meer auteurs (zoals Gilles Kepel) dat de secularisatie slechts een historische fase in de geschiedenis is en dat die nu op zijn eind loopt. Taylors boek heet nog A Secular Age, maar dat is een verouderde titel: Jürgen Habermas had het in zijn Nexus-lezing van maart dit jaar al over de 'postseculiere samenleving'. We leven met andere woorden al in een tijd waarin religie opnieuw geijkt wordt om de opkomst van de islam te kunnen beantwoorden. Het aanhangen van een religie wordt opnieuw gewaardeerd als een verloren zoon aan wie de laatste vijftig jaar de zegenrijke eigenschappen te weinig zijn afgelezen. Taylor ziet religie als een kracht die 'de gefragmenteerde samenleving' weer tot een gemeenschap kan smeden. Hij ziet alleen maar manifestaties van egoïstisch individualisme - het verantwoordelijke individualisme van humanisten bestaat voor hem niet.
De gedaante waarin nu over geloven wordt gesproken, is niet zoals vroeger 'godsdienst' of 'de kerk', het gaat nu in zijn algemeenheid over 'religie'. Het lijkt wel of deze algemene aanduiding ervoor moet zorgen dat men niet gaat denken dat religie nog zoiets ouderwets als godsdienst is. Aan godsdienst zit namelijk onvermijdelijk gehoorzamen vast, het heeft ook alles met sociaal conformisme te maken en daar komt automatisch altijd enige vorm van clericalisme bij kijken: pastoors, dominees, zielzorgers, geestelijke verzorgers. Kortom, in de meeste gevallen hangt godsdienst in de praktijk al gauw samen met een geloofsysteem, dus met geboden, taboes en artikelen des geloofs.
Scepsis onttovert
Ervan uitgaande dat de wereld onttoverd is, vraagt Gordon Graham zich af of het de kunst of de religie zal zijn die voor een herbetovering zal zorgen. Graham doet pogingen om solide argumenten ten gunste van de kunst aan te dragen, maar aan alles is duidelijk dat het in het voordeel van de religie zal uitpakken. Hij gaat ervan uit dat elk mens een 'roeping' (vocation) heeft - wat onverbiddelijk wijst in de richting van warme sympathie voor religie. De roeping van de mens moet volgens Graham zijn dat hij de verschillende aspecten van het leven - rede, emotie, verlangen, werk, vrije tijd en relaties - tot een coherent en zinvol geheel smeedt.
Dat Graham het over een 'roeping' heeft, zal iemand die niet gelovig is al tegen de borst stuiten. Het is aan alles duidelijk dat al deze aspecten van het leven veel makkelijker zijn te realiseren met een geloof dan zonder een geloof. Het geloof zegt bijvoorbeeld dat je je naasten lief moet hebben, ook al zijn die naasten heel vervelende mensen. Iemand die niet gelooft, beoordeelt alles op zijn merites, en niet op wat het geloof wenselijk acht of voorschrijft.
Ongeloof is in vergelijking met geloof altijd in het nadeel, omdat ongeloof spreekwoordelijk sceptisch is als het om die gevoelige aspecten van het leven en samenleven gaat: kunst, politiek, religie, wetenschap, moraal. Scepsis stelt vragen en onderzoekt. Scepsis onttovert.
Charles Taylor en Gordon Graham beschouwen het als een groot voordeel dat de religie zorgt voor 'some large frame' waarbinnen een mens zijn leven kan plaatsen. Een dak boven je geest. Een kerk om te schuilen. Daar kan niets anders dan geloof voor zorgen. Het verlangen naar zo'n groot raamwerk is plausibel, omdat het lijkt op een verlangen dat ook ongelovigen hebben: ze zoeken bijvoorbeeld een historisch patroon waarin ze willen thuishoren, een politieke stroming van hun voorkeur, een kunstenaar of kunstrichting waarbij ze zich thuisvoelen, een schrijver die hun bevalt. Maar een groot imaginair frame, een metafysisch dak boven je hoofd waarin alles wat je doet een plaats krijgt, is het niet. De vraag is natuurlijk of zo'n groot frame wel nodig is.
Subliem!
De ongelovige bevindt zich in een zeer ongunstige positie wanneer Graham zich afvraagt of in de literatuur equivalenten te vinden zijn voor wat hij noemt 'waarachtige religieuze fictie'. Hij bedoelt daarmee: zijn er ongelovige schrijvers die even spiritueel zijn als gelovige? En zorgen die dan voor dezelfde emoties of openbaringen? 'Religieuze fictie' bestaat meestal uit parabels en fabels, verhalen met een akelige morele les of een voorbeeld waaraan men zich moet spiegelen. Natuurlijk heeft seculiere literatuur niet zulke equivalenten, behalve wanneer het om schrijvers gaat die al tegen het geloof aanleunen, zoals Dostojevski. Maar Graham hoeft zich geen zorgen te maken dat de ongelovige lezer tekort komt. De literatuur zit boordevol materiaal dat 'gebruikt' kan worden, al is het gebruiken van literatuur (als les voor het leven) maar één aspect van haar betekenis.
Graham is er op uit om te testen of de kunst wel tegen het geloof op kan. Hij beschouwt het als een voordeel van religie dat ze zorgt voor de tover van de piekervaringen: voor een soort 'verlossing', voor geestelijke hulp, voor mystieke gewaarwordingen en openbaringen van inzicht. Dat laatste, plotselinge flitsen van inzicht ('epifanieën'), kan de seculiere literatuur ook bezorgen, maar op al die andere 'verlossingen' zal een lezer van literatuur niet per se uit zijn, al zal het hem niet ontgaan wanneer hij in de literatuur, muziek of kunst iets tegenkomt wat hem het woord 'subliem!' ontlokt.
De vraag is of dat wat Graham ten gunste van de religie opvoert zoveel betoverender is dan wat seculiere literatuur, kennis, wetenschap of kunst te bieden heeft. De Duitse dichter Novalis schreef dat hij alles een hogere waarde wilde toekennen, het gewone geheimzinnig wilde maken, het bekende de waarde wilde geven van iets onbekends, en het eindige een zweem van het oneindige wilde geven. Hij maakte van zichzelf een tovenaar. In dezelfde tijd had Fichte het over 'het wonderwerk van het eigen ik', waarmee hij zichzelf ook lid van de literaire en filosofische tovenaars maakte. Er zit ook heel wat niet-bovenzinnelijke tover in het gedicht waarmee Eichendorff aangeeft dat uit alles wel een lied valt te halen, als een ode aan de potentie van alles wat op de wereld aanwezig is: 'Schläft ein Lied in allen Dingen / Die da träumen fort und fort / Und die Welt hebt an zu singen / Triffst du nur das Zauberwort.'
Religieuze tovenarij
De poging om de wereld opnieuw te betoveren door een herwaardering van alle (vermeende) zegeningen van de religie zal mensen aanspreken die graag in hogere sferen verkeren, die zich aangesproken voelen door het idee met andere mensen te behoren tot een 'gemeenschap van gelovigen'. Zij verenigen zich om deel te hebben aan allerlei rituelen, om gezamenlijk geloof te hechten aan traditionele symbolen (de Kruisiging, de Opstanding, brood dat in een lichaam verandert, zonden die worden vergeven). Dat heeft inderdaad alles met religieuze tovenarij te maken. Maar het woord 'tover' kan niet exclusief van toepassing zijn op het geloven van zulke wonderen als 'wandelen over de zee' of water dat spontaan in wijn verandert. Het seculiere, ongelovige bestaan heeft natuurlijk niet minder oog voor betovering. Het gaat dan niet over het mirakel van het vermenigvuldigen van brood, maar om de permanente genoeglijke verbazing over hoe goed iets bedacht is, hoe ingenieus iets gemaakt is, hoe mooi die muziek is, en hoe prachtig die uitvinding. Dit is de manier waarop Lucretius (De Rerum Natura), Diderot, Plinius of een bioloog-entomoloog als Jan Swammerdam de wereld ondergingen: nieuwsgierig dorstend naar kennis en zich verwonderend over wat ze tegenkwamen.
Voor Charles Taylor is het belangrijkste aan religie dat God 'something beyond ourselves' is, iets wat groter is dan wijzelf. Iets buiten ons bereik. Het heeft er de schijn van dat dit nu typisch iets voor religie en geloof is, iets exclusiefs. Nergens anders te krijgen, niet in de muziek, niet in de wiskunde, de schilderkunst, niet in de sport. Je moet geloven om de gewaarwording ten deel te vallen dat er iets is wat in alle opzichten boven je macht is.
Maar er is wel degelijk iets vergelijkbaars bij de ongelovigen te vinden: iedereen die een bepaalde kunst of wetenschap beoefent en daarin niet tot de middelmaat wil behoren, weet wat het betekent iets boven je te weten waar je niet bij denkt te kunnen, maar wel wilt: something beyond yourself. Dat 'iets' is het doel, het niveau, de diepte, de hoogte waar je op uit bent.
Kenmerkend voor geloven zou zijn dat mensen er verlossing en vervulling ('fullness', zegt Taylor) in vinden. Dit betekent dat innerlijke verdeeldheid wordt opgeheven, dat twijfel verdwijnt, zorgen uit het zicht raken, de afstand tot God wordt opgeheven. Het leunt aan tegen de mystiek. Het opmerkelijke is dat de niet-gelovige Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum iets vergelijkbaars zegt in het laatste nummer (40) van The Philosophers' Magazine, maar dat niet betrekt op geloven: zij noemt 'the tendency to seek completeness' alomtegenwoordig in het leven van mensen - wat veel lijkt op Taylors 'fullness'. Maar bij Nussbaum is dit op zoek gaan naar een soort compleetheid verbonden met verlangen om het menselijk tekort op te heffen: het besef altijd tekort te schieten. Er is dus geen geloof nodig om te streven naar wat Nussbaum zelfs 'a blissful completeness' noemt. Bij haar betekent het dat iemand zichzelf niet wil teleurstellen. Dat lijkt ook op wat Max Weber zegt, in de lezingenreeks waarin hij de onttovering van de wereld ter sprake brengt, over de ambities van de wetenschapper: die moet zo'n 'innerlijke toewijding' aan de dag leggen dat die hem op één lijn brengt met een kunstenaar. De conclusie moet luiden dat het ongeloof voor ongeveer even veel tover kan zorgen als religie, behalve dat men voor het beoefenen van religie moet geloven en veel gehoorzamen.
Oud misverstand
Het verbazingwekkende aan de Nexus-lezing van Jürgen Habermas is het gemak waarmee hij het al over de 'postseculiere samenleving' heeft. Dat is rijkelijk voorbarig en getuigt van een klassieke meegaandheid. Zodra religies weer luid, duidelijk en en masse het geloof gaan uitdragen, wordt meteen gedacht dat het een stem is waar extra goed naar geluisterd moet worden. Het idee dat religies betere kennis over het leven zouden hebben en dat ze weten wat mensen echt willen, is een oud misverstand; nog ouder dan het vooroordeel waarmee Spinoza en Pierre Bayle eind zeventiende eeuw te maken kregen. Het misverstand dat de niet-gelovige geen moraal zou hebben, duurt maar voort. Deze hardnekkigheid is het gevolg van de niet-gelovige terughoudendheid: de weigering om van de daken te roepen dat zij ook, en misschien wel een betere, moraal hebben, een moraal die misschien wel vruchtbaarder, vrijer, verantwoordelijker en zelfstandiger is. Niet-gelovigen hebben een deftig gebrek aan assertiviteit. Het gevolg is dat gelovigen altijd het hoogste woord hebben.
Max Webers 'onttovering van de wereld' sloeg aanvankelijk op de doorgevoerde rationalisering en bureaucratisering van de samenleving. Daarna ging de uitdrukking duiden op de secularisering, alsof het terugdringen van de invloed van de religie het leven minder kleur zou hebben gegeven. In beide gevallen verloor men uit het oog dat er geen religie nodig is om de wereld als betoverd te beschouwen, zoals Plinius, Lucretius of Swammerdam deden. Wij worden omgeven door wonderen, van de wonderen der natuur tot DNA, internet en wereldomspannende mobiele telefonie. Er is geen religie voor nodig om te zien wat voor Wonderland de wereld is - en tegelijk: wat voor horrorland. De wereld is een toverland, dat zichzelf dagelijks onttovert door oorlog, pech, nijd, haat, ziekte en ongeluk. Maar voor wie het wil zien, breekt de tover er altijd weer doorheen.
Gordon Graham, ‘The Re-enchantment of the World. Art versus Religion’, Oxford University Press, 176 pagina’s, € 46,80. Charles Taylor, ‘A Secular Age’, Belknap/Harvard University Press, 896 pagina’s, € 43,80. Charles Taylor, ‘Bronnen van het zelf’, Lemniscaat, 600 pagina’s, € 59,95. The Philosophers’ Magazine #40, 10th Anniversary Issue, 96 pagina’s, $ 6,95
wonderen der natuur Joseph Wright of Derby: Experiment met een vogel in de luchtpomp, 1768
