VN MediagidsDe andere Erasmus
Wetenschap / filosofie 08.11.2008
Vijfhonderd jaar geleden groeide Erasmus uit tot het geweten van Europa door zijn pleidooi voor vrijheid en verdraagzaamheid. Maar er is ook een andere Erasmus: de felle satiricus en moralist. Carel Peeters haalt die militante humanist uit de schaduw. En vraagt zich af welke hedendaagse humanisten zijn erfenis waardig zijn.
Een militante humanist
Hij heeft altijd twee gezichten gehad. Erasmus is de vertrouwde, minzaam glimlachende geleerde op de schilderijen van Holbein de Jongere en Quinten Massys, en hij is de onrustige en gespannen schrijver zoals hij in veel van zijn brieven opduikt, achtervolgd door felle ambities. Hij is de verzoener, de vredestichter en de ontwijker van conflicten, maar ook de polemist die het niet kan laten te schrijven wat hij vindt.
De gematigde Erasmus die in elke strijdende partij wel iets goed wist te ontdekken, schreef ook radicale satires tegen de oorlog, de domheid, decadente prelaten, priesters, pausen en vorsten. De vrome Erasmus die iedereen de eenvoud van Christus voorhield, was ook een grote ijdeltuit, zeer van zichzelf vervuld ('je moet er maar op wijzen dat ik uniek ben' schrijft hij zijn vriend Jacob Badt wanneer die bij iemand een goed woordje voor hem moet doen). Deze Erasmus wil de 'grootst mogelijke geleerdheid verwerven' en daarom kijkt hij neer 'op alles wat gewoon is, want ik zie, ja ik zie al lang de dwaasheid van het volk.' De minzame Erasmus is de man van wie men denkt dat hij tot een heel andere tijd behoort, bijna nog tot de late Middeleeuwen. De andere Erasmus zou een hedendaagse satiricus, moralist en criticus kunnen zijn. Deze Erasmus zou begrijpen dat het humanisme, dat zo op de goedheid in de mens vertrouwt, door een gewelddadige geschiedenis beschamend is ingehaald. Dat gebeurde al in zijn eigen zestiende eeuw met het begin van de godsdienstoorlogen die hij altijd heeft geprobeerd te voorkomen, en door de eeuwen daarna, tot en met de rampzalige eeuw die achter ons ligt.
Het clichébeeld van de minzame Erasmus verdwijnt achter de horizon zodra die andere verschijnt: de rusteloze door Europa trekkende literator en geleerde die er steeds weer toe wordt verleid te reageren op wat hem niet bevalt. Hij was voor korte (een paar maanden) of langere tijd (drie tot vijf jaar) te vinden in steden als Londen, Cambridge, Leuven, Parijs, Freiburg, Rome, Turijn, Venetië of Basel. Er waren verschillende redenen waarom hij van de ene stad naar de andere trok, maar de belangrijkste was dat hij mensen hoopte te ontmoeten die zijn intellectuele nieuwsgierigheid konden bevredigen. En drukkers en uitgevers die zijn boeken wilden drukken. Hij wilde omgaan met intellectueel gelijken en, nadat hij er eenmaal kennis mee had gemaakt tijdens zijn eerste verblijf in Engeland, met mensen met gezag en aanzienlijke posities. Als een stad niet aan zijn verwachtingen voldeed, zoals Parijs vanwege zijn toen middelmatige en orthodoxe universiteit, dan vertrok hij. Als hij in een plaats kwam waar de ontvangst van gemengde aard was omdat zich er nogal wat vijandige orthodoxe theologen bevonden, zoals in Leuven, dan liet hij zich niet intimideren. Er was ook een aardse reden voor zijn onrust en verplaatsingen: tot ver in zijn dertiger jaren was hij een bedelgeleerde op zoek naar mecenassen die er met gulle toelagen voor konden zorgen dat hij zijn boeken kon schrijven zonder al veel te worden afgeleid door het geven van onderwijs. En hij vond ze, en niet onder de minsten: van John Colet, de deken van St. Paul's Cathedral in Londen, tot de Engelse koning Hendrik VIII.
Afkeer van monniken
Rond 1515 (hij is dan bijna veertig jaar) werd hij algemeen gezien als de knapste kop van Europa: als 'de vorst der letteren', de schrijver van de Spreekwoorden (Adagia), Lof der Zotheid en de Samenspraken. En van een veelgelezen verhandeling over het praktische christendom waarin hij zich afkerig toont van vrome bigotterie en van kerkelijke rituele en ceremoniële poespas. Hij had ook een levenslange afkeer van monniken en asceten. Tegen de zin van de orthodox christelijke theologen (de barbaren en 'boerenkinkels' in zijn boek Tegen de barbarij) begon hij aan de herwaardering van de klassieke Latijnse en Griekse schrijvers, van bij voorkeur echte stilisten als Lucianus, Cicero, Plato, Ovidius en Horatius. De Italiaan Lorenzo Valla bracht hem op het idee het Nieuwe Testament opnieuw uit te geven, op basis van de bronnen, en ontdaan van alle ongerechtigheden die er door de eeuwen heen waren ingeslopen. Hij was een van de eerste geleerden van wie iedereen in de wereld van kerk, cultuur en politiek wist waar hij verbleef, altijd hopend dat hij nog eens hun stad of land aan zou doen. Zijn portret was over heel Europa bekend door de gravure die Dürer van hem had gemaakt.
Door zijn voorkeur voor een uitgeloogd christendom, door zijn superieure intelligentie, en niet in het minst door zijn vrijzinnige nieuwsgierigheid naar alles wat 'een sieraad voor de geest' kon zijn, maakte Erasmus gemakkelijk vrienden. Door die vele contacten, vriendschappen en zijn correspondentie met geletterden en geleerden (meer dan drieduizend bewaard gebleven brieven van en aan hem) begon in Europa met Erasmus in feite de Respublica Litteraria, de Republiek der letteren, de wereld van schrijvers, dichters en geleerden die intensief contact met elkaar onderhielden. Erasmus initieerde in het begin van de zestiende eeuw wat pas in het midden van de zeventiende eeuw tot echte bloei zou komen in tijdschriften en geleerde genootschappen: het over de grenzen heen met geestdrift en polemisch vuur uitwisselen van ideeën en opvattingen, uitmondend in het tijdschrift Nouvelles de la République des Lettres (1684-1687) van Pierre Bayle.
Als visuele bezegeling van het ontstaan van deze Republiek der letteren zou men de twee portretten kunnen beschouwen die Quinten Massys in 1517 van de vrienden Erasmus en Pieter Gillis (stadssecretaris van Antwerpen) maakte. Beide schilderijen waren voor hun vriend Thomas More in Londen bestemd. More, in dienst van Hendrik VIII en kersvers schrijver van de toekomstroman Utopia (1516), bedankte in stijl: in de vorm van een gedicht. Als bewijs van deze geletterde vriendschap heeft Gillis op het schilderij een door More geschreven brief in zijn handen. Op het schilderij van Erasmus liggen in een kast de boeken waarover hij met More tijdens zijn verblijf in Engeland heeft gesproken, waaronder het aan More opgedragen Lof der Zotheid.
Afrekening met predestinatie
Het is niet alleen omdat Erasmus een kleine veertig jaar van zijn leven in verschillende Europese steden heeft doorgebracht dat hij met Europa en de Europese cultuur wordt geassocieerd. Het is vooral omdat hij in het begin van de zestiende eeuw in Europa een algehele verandering van mentaliteit heeft veroorzaakt: hij gaf de mens terug aan zichzelf, nadat hij eeuwenlang door God en zijn aardse plaatsvervangers bij de hand was genomen. Dat deed hij op een moment dat het ernaar uit zag dat Luthers Reformatie Europa in de ban zou brengen van een rigide protestantisme. Volgens de stellingen die Luther in 1517 op de deur van de slotkerk in Wittenburg wereldkundig had gemaakt, zouden de mensen geheel afhankelijk worden van de genade van God. Niets vrije wil.
Erasmus had niet minder kritiek op het decadente katholicisme dan Luther. Hij was als een van de eersten tekeergegaan tegen de handelaren in aflaten, had zich gestoord aan de luisterrijke levenswijze van bisschoppen en kardinalen op kosten van de brave gelovigen en was in 1513 de schrijver van de klinkende satire Julius Exclusus, gericht tegen paus Julius II, een oorlogspaus en uitbuiter. Toch ging Erasmus de eenheid van de Kerk boven alles, hij wilde geen scheuringen. Maar de grofheid en het radicalisme van Luther stonden Erasmus tegen. Na hem jarenlang de hand boven het hoofd te hebben gehouden, schreef Erasmus uiteindelijk in 1524 zijn verhandeling Over de vrije wil (De Libero Arbitrio) tegen Luther. Het betekende niet alleen voor Luther, maar voor iedereen duidelijkheid: Erasmus keerde zich ondubbelzinnig van het protestantisme af. Zijn pleidooi voor de vrije wil was, samen met Pico della Mirandola's Over de menselijke waardigheid (1486), een belangrijke stap in het ontstaan van het humanisme. Erasmus is wel bereid te erkennen dat er zoiets als goddelijke genade bestaat, maar het is voor hem ondenkbaar dat het daarbij zou kunnen blijven. Waarvoor bestaat de mens als hij geheel afhankelijk zou zijn van de grillen van God: 'Waar is de mens goed voor als God met hem werkt als de pottenbakker met de leem?' Erasmus rekent af met de predestinatie.
Over de vrije wil is een reddingsboei voor de Europese cultuurgeschiedenis geworden. Bovendien heeft Over de vrije wil een illustere voorgeschiedenis. Het werk verscheen in september 1524, nog in april had Luther in een brief aan Erasmus dringend gevraagd zich buiten de discussie te houden en neutraal te blijven. Hij had hem bij die gelegenheid ook in alle toonaarden geprezen. Maar Over de vrije wil was nog niet verschenen of Luther liet zijn toorn de vrije loop: 'Ik haat Erasmus, ik haat hem uit alle kracht.' 'Erasmus is een aal.' 'Erasmus is, zoals zijn gelaatstrekken aantonen, een mens vol list en boosheid, die zowel met God als met godsdienst spot.' Eind 1525 komt Luther met zijn eigenlijke antwoord: zijn traktaat De slaafse wil (De Servo Arbitrio), een verdediging van wat de titel belooft: dat de mens volledig afhankelijk is van de goddelijke genade.
Geheel tegen zijn eigen kritische praktijk in had Erasmus eerder aan Luther geschreven: 'Tegenover de woeste polemiek die sommigen voeren, past eerder verachting dan weerlegging. Te allen tijde moeten we ons hoeden voor aanmatiging of partijdigheid in ons spreken of handelen. Zo, meen ik, behaagt het Christus' geest. Intussen moeten we onze ziel ervoor hoeden dat ze wordt bedorven door toorn, haat en eerzucht.' Erasmus 'maant' Luther zich hier aan te houden bij alles wat hij onderneemt.
Vrijheid voor de geest
Het is allerminst de enige kant van Erasmus, maar het is juist deze, terughoudende en gematigde kant die aan hem en het door hem geïnspireerde humanisme zijn gaan kleven. Het humanisme heeft de reputatie gekregen zich tussen de strijdende partijen te begeven, altijd het midden te zoeken. Het staat haaks op heethoofdigheid en radicalisme. Met 'ingetogenheid en zelfbeheersing' wordt volgens Erasmus meer bereikt dan met 'onstuimigheid'. Erasmus werd vermaard vanwege zijn vele pogingen om buiten 'geschillen' te blijven. Dat zorgde voor zijn beroemde 'ambivalentie'. Hij verweet Luther dat hij alleen maar slecht over de mens kon denken, terwijl er evenveel goeds aan mensen te ontdekken valt. Omdat hij kritiek had op het katholicisme werd Erasmus door de katholieken voor een ketter gehouden, en omdat hij zich niet bij de protestanten aansloot, was hij voor hen een lafaard. Hij bedacht een voor hem typerende matigende noviteit binnen de wereld van de graag oorlogvoerende vorsten en vorstjes: dat er scheidsrechters nodig waren ter beslechting van grote geschillen.
Erasmus' blik was altijd op iets gericht dat verder lag dan waar de strijdende partijen zich druk over maakten: hij zocht naar een gemeenschappelijke noemer, die bovendien beter, redelijker, nuttiger, christelijker en vooral: universeler was, voor meer mensen gold en tegelijk voor meer vrijheid voor de geest zorgde.
Voor menige Nederlandse historicus (Busken Huet, Huizinga, Jan Romein) is de gematigdheid en redelijkheid van Erasmus tot een kenmerk van alle Nederlanders geworden. Vorsten, regenten, geleerden en kunstenaars werden er door aangesproken (vaak zonder dat ze het wisten), te beginnen bij Willem van Oranje en zijn geestverwanten, maar ook Coornhert, Laurens Spieghel, P.C. Hooft, Constantijn Huygens, Hugo de Groot, Vondel, Spinoza en Pierre Bayle, volgens Jan Romein stuk voor stuk schakels tussen Erasmus' principiële verdraagzaamheid en de tolerantie van de achttiende eeuw. Busken Huet trekt dit nog door: in alle eeuwen die op Erasmus volgen, is de Erasmiaanse geest 'ondanks de gereformeerde staatskerk en de Heidelbergse katechismus, een getrouwe beschrijving van de stille algemene denkwijs der Nederlanders geweest'.
Multatuli-achtig venijn
Het is vreemd dat Erasmus zo vaak met gematigdheid wordt geïdentificeerd terwijl Lof der Zotheid zijn meest gelezen boek is en Tegen de barbarij een goede tweede. Daarin is Erasmus helemaal niet gematigd, daarin is hij een satiricus, moralist en criticus. Hij, die tegen zijn zin tot priester was gewijd, heeft het gemunt op een hele wereld van aanstellerige geleerdheid en zelfgenoegzaamheid wanneer hij het, vermomd als de Zotheid, in hoofdstuk 48 over de theologen heeft: 'Deze lieden, die de apostolische liefde verkondigen, maken een reuze heisa over een verkeerd omgorde pij of eentje van iets te donkbruine kleur.' 'En als een orakel verkondigen ze: deze stelling is aanstootgevend, die is niet eerbiedig genoeg, deze stinkt naar ketterij, die klinkt beroerd.' Over hovelingen: 'De meesten van hen zijn slaafs, kruiperig, laf en verachtelijk, maar willen toch in alles haantje de voorste zijn.' Over bisschoppen: 'Ze hebben het keurig voor elkaar en mesten zichzelf vet.' Over vorsten: 'Ze doen zich te goed en om geen zorgen te hoeven hebben laten zij niemand binnen gehoorsafstand komen die onaangename dingen zegt.' Diezelfde vorsten 'bedenken dagelijks nieuwe methoden om de rijkdom van hun onderdanen te verminderen en die naar hun schatkist over te hevelen'. Met een Karel van het Reve-achtige nuchterheid kijkt hij neer op de scholastieke haarkloverijen van 'realisten, nominalisten, thomisten, albertisten, ockhamisten en scotisten'. Met een Multatuli-achtig venijn ziet hij hoe de christenen zich opsplitsen in sektarische ordes en richtingen: in 'coletanen, minderbroeders, minstebroeders of bullisten, benedictijnen, bernardijnen, birgitinessen, en augustijnen, wilhelmieten en jacobijnen, alsof het niet genoeg is christen te worden genoemd'. Al veel eerder, in zijn Tegen de barbarij dat hij als twintigjarige schreef, heet het: 'Wie vandaag de dag zijn brood verdient met een godsdienstig beroep, ziet onwetendheid als toppunt van vroomheid en stelt zich voornamelijk in dienst van zijn beurs en buik.'
Tere ziel
Het is niet de Erasmus van Tegen de barbarij, Lof der Zotheid of Julius Eclusus die school heeft gemaakt, maar de Erasmus van het eerste gezicht, de gematigde, sussende en begrijpende. Vandaar dat het humanisme de reputatie heeft gekregen ongevaarlijk te zijn, begrijpend, menselijk en inlevend. Een humanist is ongevaarlijk, want hij haalt het niet in zijn hoofd om iets te doen dat zijn humanisme zou ontkennen: geen begrip tonen, geen nuances aanbrengen, geen scrupules hebben, niet terughoudend zijn, wél duidelijk kiezen. Vandaar dat de Italiaanse schrijver en Erasmusprijswinnaar Claudio Magris het in zijn dankwoord in 2001 had over 'ons arme humanistische zelf', daarmee aangevend dat iedereen weet waarover hij praat. Hij zegt hiermee dat wij mensen zijn met een tere ziel, maar dat dat 'arme humanistische zelf' van ons uiteindelijk niet veel weerstand heeft, eigenlijk weerloos is wanneer het met vijanden zonder scrupules te maken krijgt. Humanisme slaat op het echte, het weerloze goud der aarde: op de alledaagse deugdzaamheid van zorg, liefde, toewijding, trouw, scrupules, niet op list, ondeugd, verraad, geweld. Magris heeft het over Erasmus' 'terughoudendheid, zijn ontwijkende houding, zijn ironische glimlach' die uitdrukking zijn 'van een beminnelijkheid die bewaard blijft'.
We mogen hopen dat deze beminnelijkheid bewaard blijft. Maar het is niet voldoende. Dit humanisme heeft natuurlijk niets in te brengen wanneer het gaat om het voorkomen van oorlogen of grote maatschappelijke conflicten. Het staat ook niet sterk in de discussie over de gevolgen van biotechnologie, robottechnologie of het genetisch determinisme dat leidt tot posthumanisme. In 1935 wist Thomas Mann al dat dit 'arme humanistische zelf' van Magris niet genoeg was tegen de barbarij. In een essay met de programmatische titel Let op, Europa! schreef hij toen: 'In elk humanisme ligt een element van zwakheid dat met zijn afwijzing van het fanatisme, met zijn verdraagzaamheid en zijn liefde voor twijfel, kortom: met zijn natuurlijke goedheid samenhangt en in bepaalde omstandigheden zijn noodlot kan worden. Wat nu nodig zou zijn, is een militant humanisme, een humanisme dat zijn mannelijkheid ontdekt en tot het inzicht komt dat het principe van vrijheid, verdraagzaamheid en twijfel zich niet mag laten uitbuiten en omverlopen door een fanatisme dat geen schaamte en twijfel kent. Is het Europese humanisme onmachtig tot een strijdbare wedergeboorte van zijn ideeën, is het niet meer in staat zich de eigen ziel strijdlustig en met frisse kracht bewust te maken, dan zal het te gronde gaan, en er zal een Europa komen dat zijn naam alleen nog om puur historische redenen zal dragen, een Europa dat maar beter zijn toevlucht kan zoeken in het onverschillige-tijdloze.'
Machiavelli
Het eenzijdige beeld van de beminnelijke en verdraagzame Erasmus heeft ervoor gezorgd dat de hedendaagse humanist, zoals Menno ter Braak schreef, een 'karikatuur geworden is van Erasmus'. Wat Thomas Mann het 'militante humanisme' noemt, het humanisme dat zijn 'mannelijkheid' heeft ontdekt, kunnen we al in de satirische en kritische Erasmus vinden die te veel in de schaduw is gebleven.
Om het publieke beeld van de terughoudende Erasmus te corrigeren, kwam Menno ter Braak op het idee om Erasmus een huwelijk te laten sluiten met zijn tegenpool, de Italiaanse politicus en filosoof Niccolò Machiavelli, geboren in hetzelfde jaar 1469 als Erasmus. Als we in de geest van Thomas Mann blijven, dan staat Machiavelli voor de mannelijkheid waarvan Mann vindt dat het humanisme die in zichzelf moet ontdekken. Voor Machiavelli mocht, als het zo uitkwam, het doel de middelen heiligen. Men moest niet altijd even ethisch willen zijn.
Uit de combinatie Machiavelli en Erasmus zou een modern humanisme kunnen ontstaan dat zich niet laat uitbuiten en omverlopen. Machiavelli staat voor de macht, iets waar de humanist niet veel mee heeft. Maar in combinatie met Erasmus zou Machiavelli's listige omgang met de macht er voor kunnen zorgen dat de humanistische deugden niet het onderspit delven maar tot ontplooiing kunnen komen. Machiavelli kan er voor zorgen dat 'de aarzelende, steeds naar twee kanten georiënteerde, voorzichtig manoeuvrerende Erasmus' zijn eigen andere strijdbare kant tot bloei laat komen. Voor zover deze Erasmus Machiavelli in zich heeft, schrijft Ter Braak, 'is hij bereid zich gelijk te stellen met het roofdier en luider te brullen over machtsverhoudingen dan de menselijke stem op papier toelaat'. De component Machiavelli in het humanisme betekent dat aan het gezonde midden dat het humanisme altijd opzoekt niet te stringent vastgehouden zal worden. Dat nekt de strijdlust. Het elastiek moet uitgerekt kunnen worden.
De mens als gok
We leven niet in de tijd tussen de twee wereldoorlogen waarin Thomas Mann zijn essay Let op, Europa! schreef. Maar het militante humanisme dat hij nodig vond, heeft niets aan noodzakelijkheid ingeboet. Als men het heil niet verwacht van een God, niet van 'structuren' en niet van collectiviteiten of massa's, dan zal men moeten proberen de invloed daarvan te weerstaan. Houdt men evenmin van fanatisme of fundamentalisme, dan is enige strijdlust nodig om humanistische tegenkrachten in te zetten die, bijvoorbeeld, de menselijke zelfstandigheid verdedigen. Met de opkomst van de nieuwe religiositeit dreigt namelijk ook de terugkeer van de Lutherse 'slaafse wil'. De door het humanisme verworven autonomie van het individu heeft het al zwaar te verduren door de talloze nauwelijks te vermijden invloeden die op mensen inwerken. Wat ervan over is, moet niet ook nog tot niets of weinig worden gereduceerd door een heel andere dreiging: de nieuwe predestinatieleer, dit keer afkomstig van de moderne wetenschap die zegt dat alles in de mens 'genetisch bepaald' is en dat niets dat kan verhelpen. Dan zouden we al in het tijdperk van het posthumanisme zijn beland.
Zijn de hedendaagse humanisten ook nu nog 'karikaturen van Erasmus', zoals Ter Braak vond? Toen Ter Braak dit schreef, had hij Just Havelaar voor ogen, een 'humanitarist' uit de jaren twintig die geloofde in de komst van een vage 'nieuwe mens'. Die hield van de hele wereld. Dat was een religieus dweperig humanisme en dat is niet het soort humanisme dat we vinden bij hedendaagse humanisten als Vaclav Havel, Isaiah Berlin, Nelson Mandela, Saul Bellow, George Steiner, Tzvetan Todorov, Stephen Toulmin, Luc Ferry of Martha Nussbaum. Dit zijn moderne humanisten die weten waar Erasmus voor stond en die rekening zijn gaan houden met alle aanslagen op het humanisme die in de eeuwen na hem plaats hadden. Die eeuwen hebben de mens en het humanisme er niet mooier op gemaakt.
Dat de mens er niet mooier op werd, was het gevolg van een manier van denken die haaks stond op de ideeën van Erasmus en verwante geesten als Montaigne: het door Descartes geïnitieerde eenzijdige rationalisme, dat vanaf het begin van de zeventiende eeuw Europa veroverde. De geschiedenis van Descartes' invloed op het Europese denken ten koste van Erasmus, Montaigne, Rabelais en Shakespeare wordt door Stephen Toulmin beschreven in een baanbrekend boek: Kosmopolis. Het laat zien dat deze schrijvers van de humanistische traditie ervoor hebben gezorgd dat een cruciaal ideaal levend bleef: dat van evenwicht tussen rationalisme en praktische wijsheid, tussen abstracte exactheid en de esprit de finesse.
Je kunt onmogelijk zeggen dat de hedendaagse spraakmakende humanisten allemaal even strijdlustig zijn. Volgens de bekende Franse humanist Luc Ferry, onder meer schrijver van een boek tegen het antihumanisme van filosofen als Michel Foucault en Jacques Derrida, is er 'niets heiligers, niets kostbaarders dan de mens.' Met deze heiligverklaring en vergoddelijking van de mens belandt de mens weer in een soort religieus vaarwater dat veel lijkt op dat van Just Havelaar. Wat is er zo absoluut heilig aan 'de mens' wanneer die tot alles in staat is gebleken? Als we Ferry moeten geloven, kunnen monsters ook heiligen zijn, want monsters zijn mensen vaak geweest.
Veel nuchterder van toon, ook al is hij een van Ferry's beste vrienden, is Tzvetan Todorov, de schrijver van De onvoltooide tuin, een boek uit 2002 over het humanistisch denken in Frankrijk. Todorov heeft het niet over de heiligheid van 'de mens'. Hij beschouwt de mens evenals Montaigne als een altijd en eeuwig onvoltooide en vooral onvolmaakte tuin. Hij kiest voor de mens als gok, als weddenschap, want er kan altijd iets goeds of iets slechts uit komen, en niet zelden komen ze er allebei uit. Volgens Todorov wordt er te veel van mensen verwacht als er alleen maar iets goeds uit mag komen. Dat kunnen ze helemaal niet aan. Humanisten hebben de sterke neiging om erop te vertrouwen dat mensen veel goeds in zich hebben. Daardoor gaan ze ook al snel dromen van een betere wereld. De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum is permanent bezig zichzelf voor ogen te houden dat haar vertrouwen in de goedheid van de mens niet te groot moet worden. Dat doet ze door de literatuur als een leerschool voor het leven te beschouwen. Daarin is alles te vinden waartoe mensen in staat zijn. Cultivating Humanity, haar boek over onderwijs en opvoeding, is een pleidooi voor wereldburgerschap, maar niet gebaseerd op de kosteloze illusie van de universele broederschap.
Mensenhaters
Het humanisme van Martha Nussbaum, Luc Ferry, Tzvetan Todorov en Stephen Toulmin krijgt het beste reliëf wanneer je het tegenover uitgesproken mensenhaters en antihumanisten zet als de Engelse politiek filosoof John Gray, schrijver van Strohonden, een boek waarin hij weinig van de status van de mens heel laat. En Theodore Dalrymple, de arts, psychiater en schrijver van Beschaving of wat er nog van over is, een boek gericht tegen de 'edele progressievelingen' die denken dat er iets aan de mens valt te verbeteren. Toch staan deze twee anti-humanistische misantropen minder ver af van de Erasmus die ook de schrijver was van Tegen de barbarij en Lof der Zotheid. Er is duidelijk verwantschap in de manier waarop Erasmus het heeft over 'de onzin en de verzinsels' waardoor het volk zich laat leiden. In dezelfde geest vindt Gray dat mensen zich helemaal niet laten leiden door de rede. De mens, dat is voor Gray een en al impuls, instinct, onbewuste, toeval en omstandigheden. Daar komt geen verstand bij te pas.
Om het eenzijdige mensbeeld van deze antihumanistische misantropen te weerstaan, is het militante humanisme van Thomas Mann nodig. Erasmus was zelf ambivalent genoeg om ook begrip te hebben voor debunkers van de menselijke goedheid en goede bedoelingen, alleen al omdat hij er zelf aan meedeed. Het militante humanisme is noodzakelijk omdat het niet lijdzaam wil toezien hoe domheid, commercialiteit, aanstellerij, fanatisme en hebzucht de dienst gaan uitmaken.
