VN MediagidsBestaan klassieke vragen nog? Annemarie Mol antwoordt
filosofie 05.04.2008
Annemarie Mol (1958) is hoogleraar politieke filosofie aan de Universiteit Twente. Recente publicaties: ‘The Body Multiple’ (een analyse van medische technieken die ziekten op uiteenlopende wijzen helpen kennen en behandelen) en ‘De logica van het zorgen’ (over hoe het ideaal van ‘kiezen’ botst met de realiteit van het leven met een ziek lichaam).
'Wie probeert klassieke filosofische vragen te beantwoorden, miskent dat filosofie zelf iets anders is geworden. Vroeger omvatte de filosofie in het westen alles wat nu wetenschap heet. Met de vraag "wat is de mens?" wordt niet meer bedoeld "hoe stroomt het bloed door onze vaten" of "waardoor klopt ons hart", want dat soort vragen horen sinds een paar eeuwen bij de geneeskunde. De vraag wat "mensen" van "dieren" onderscheidt, stond in de negentiende eeuw centraal in de biologie, die zich toen als wetenschap vestigde. En hoe "de mens" zich verhoudt tot "God", is in de theologie nog steeds aan de orde, maar in de filosofie niet meer. Filosofen zoals ik hebben de neiging om vragen zoals "wat is de mens?" niet te beantwoorden, maar te onderzoeken. Wat is dat voor vraag, wie stelt hem en waarom? Wordt er een hiërarchie mee gemaakt, zoals tussen slavenhouders en slaven, of tussen mannen en vrouwen? Of wordt er een gemeenschappelijkheid mee gevestigd, zoals in: we hebben allemaal mensenrechten, of we hebben allemaal eten nodig?
Hoewel de wetenschappen zich van de filosofie hebben afgesplitst, zijn filosofen nog wel toegerust om zich met die wetenschappen te bemoeien. Dat is van belang, want wetenschappelijke kennis en technieken zijn ingewikkeld. Leken hebben er lastig toegang toe. Met als risico dat ze óf sidderen van ontzag, óf de discussie plat maken door de resultaten van wetenschappelijk onderzoek weg te zetten als "maar een mening". Dat is allebei weinig productief. Wat filosofen te bieden hebben, is dat we lastige vragen kunnen stellen, met respect, maar zonder ontzag. Niet op zoek naar schandalen, maar naar de alledaagse gang van zaken. Wat wordt er onderzocht en waarom, wat zit er vast aan de gebruikte methoden, aan de financieringsvormen? Dat zijn tegelijk technische en maatschappelijke vragen: hoe we de wereld kennen, heeft grote gevolgen voor hoe we haar veranderen.
Daarbij verandert ook het filosofisch repertoire. Kort gezegd: in de twintigste eeuw ging het ten aanzien van wetenschappen om de vraag: "Hoe kunnen we zeker zijn?" Welke methoden garanderen ons onbelemmerde toegang tot de werkelijkheid? Zekerheid is echter een illusie gebleken. Moet je dan doen alsof er alleen gratuite meningen bestaan, onderling inwisselbaar? Nee, we moeten met onzekerheid leren leven. Neem onderzoek naar de werkzaamheid van medische ingrepen, dat is gegoten in de vorm van kansen. Als zulk onderzoek leert dat een ingreep werkt in zestig procent van de gevallen, weet je nog niet of jij, de volgende patiënt, bij die zestig procent hoort, of bij de veertig procent die pech heeft. En zo zijn er veel soorten onzekerheid: aannamen in modellen, variabelen die onverwacht niet constant blijven. Het klimaat, het milieu, nieuwe infectieziekten, de mondiale voedselvoorziening: ze zijn allemaal zo complex dat de hoop op zekerheid, verstandig handelen alleen maar in de weg zit. Maar daarmee is alles nog niet willekeurig. Kolencentrales produceren heus warmte en hiv en malaria maken veel mensen dood. Maatschappelijk betrokken filosofen die over wetenschap nadenken, schuiven in deze eeuw dan ook een andere vraag naar voren: "Hoe verstandig te handelen terwijl onze kennis onzeker is?"'
