Willem Breuker

Interview

Willem Breuker was ‘strijder’ met muziek (1944-2010)

23 juli 2010
Leestijd:

Musicus en componist Willem Breuker (1944) is gisteren overleden. Hij was ruim veertig jaar alomtegenwoordig in de wereld van de Nederlandse Jazz en Hedendaagse muziek. Hij was betrokken bij de oprichting van de Stichting Jazz In Nederland (SJIN) en de Beroepsvereniging Improviserende Musici (BIM). Hij bestierde 35 jaar het Willem Breuker Kollektief, waarmee hij over de hele wereld tourde. Hij schreef meer dan vijfhonderd stukken, ondermeer voor symfonie-orkesten, theater, films, opera, fanfare en draaiorgel. Hij won talloze prijzen, waaronder de Wessel Ilcken Prijs (1970), een Gouden Kalf (1982), een Edison (1984), de Bird Award (1988) de Boy Edgar Prijs (1993) en de prestigieuze Ehrenurkunde der Deutsche Schallplattenindustrie (2005) voor zijn gehele oeuvre. In 1998 werd hij Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
In een interview met Vrij Nederland (december 2008) zei een toen al zieke Breuker: ‘De muzikant als een strijder in de maatschappij, dat heeft me altijd aangesproken’.

Lees het volledige interview.

'Ik vecht wel, maar ik heb al verloren';

Vrij Nederland, 27 december 2008

door Sander Donkers
Componist Willem Breuker onderging vorig jaar een levertransplantatie. Weer op de been kreeg hij het bericht dat de subsidie voor zijn Kollektief na 35 jaar wordt stopgezet. 'De strijders van toen zijn de baasjes van nu.'

'Ik heb een heel enerverend, ruig leven achter de rug. De geneugten geproefd, dat zeker, maar vooral altijd keihard gewerkt. Je voortdurend kunnen concentreren op het maken van iets - dat is voor mij altijd het belangrijkste geweest. Dat is een hysterische dwang. Dus sla je allerlei dingen over waarvan men zegt dat ze noodzakelijk zijn. Ga je slecht eten, veel te weinig slapen, nooit rust nemen, nooit op vakantie. Want wat moet ik op vakantie? Ga toch weg, daar heb ik niks mee te maken.

Nou ja, op een goeie dag word je dus tot de orde geroepen. Mijn lever was naar de klote. Zeven jaar eerder was ik al gestopt met drinken. Bij sommigen herstelt die lever zich dan, bij mij ging hij achteruit. Alle giftige zaken in je lijf worden niet meer afgevoerd, dus ik moest een transplantatie. Dan word je eerst helemaal gescreend. Mijn longen, mijn hart - dat was allemaal in orde, dus ik kwam in aanmerking. Maar ja, het gaat hier niet zoals in China. Dat ze tegen een arme drommel zeggen: kom jij eens hier, we slopen dat ding eruit. Dus er was ook een gerede kans dat het niet op tijd zou lukken. En dan was ik doodgegaan.

Het was best een leuke periode, die anderhalf jaar wachten. Concerten geven ging niet meer, maar ik kon nog wel componeren. En ik kon ook mijn sociale leven eens wat meer onderhouden. Mooie brieven schrijven en zo. Ik was wel vaak moe, ging er slecht uitzien. Mijn vriendin Olga (Zuiderhoek - SD) had een mantelclubje voor me geregeld, met mensen die voor me zorgden als zij moest werken. Dan hing ik een beetje de vrolijke klant uit. Alleen liep het ammoniakgehalte in mijn bloed soms zo hoog op dat ik opeens niet meer kon praten en even crazy werd. Goed mis was het dan, al wist ik dat zelf helemaal niet. Ik werd gewoon wakker in het ziekenhuis, en dacht: hoe kom ik hier? Na een dag of twee was ik dan weer de oude. Nou ja, min of meer.

Je toestand wordt uitgedrukt in cijfers. Als je één hebt, ben je oké. Heb je veertig, ben je dood. Ik zat steeds maar rond de twintig. Anderen waren er rottiger aan toe, dus ik bleef maar een beetje zeuren op die lijst. Tot op een goeie dag, september vorig jaar, de telefoon ging, dat ik binnen een uur in Rotterdam moest zijn. Er was iemand overleden met een lever die precies bij me paste. Eigenlijk zaten er nog vier voor me, maar die waren of niet te bereiken, of woonden te ver weg. Met een ambulance en politie-escorte ging ik erheen. Binnen veertig minuten lag ik op de operatietafel. En twee weken later zat ik weer thuis. Moest ik opnieuw leren lopen en alles, want je hele lijf concentreert zich op het accepteren van die lever. Tja, het is bizar.

Ik mag me natuurlijk gelukkig prijzen dat ik een tweede leven gekregen heb. Maar zenuwslopend? Neuh… Het leven is toch één grote tobberij. En ik heb er niet om gevraagd om geboren te worden. Ik ben allang blij dat ik niet, zoals mijn vader, mijn hele leven lang om acht uur bij mijn baas moest zijn. Dat ik het voor mezelf een beetje aangenamer heb gemaakt. Verder zal het me worst wezen. Als ik die noten maar kan schrijven.'

Lekkere meisjes

'Muziek - of misschien moet je zeggen: geluid - daarvan ben ik mijn hele leven bezeten geweest. Het achtervolgt me als een spook, het is haat-liefde, een merkwaardige ziekte.

De visboer bij ons in de buurt schreeuwde altijd iets wat ik niet kon verstaan. Een soort yell waarmee hij zijn waar aanprees. Daar werd ik helemaal opgewonden van. Draaiorgels ook. Of de brandweerauto's. Ik woonde op de Zeeburgerdijk, in Oost, en als er in de buurt een fikkie was, kon je die wagen al vanaf de molen horen aankomen. Ging-ie de hoek om, dan zwol het geluid aan. Moest hij het spoor onderdoor, werd het weer anders. Buitengewoon spannend vond ik dat. Ik wist dat er muziek moest zijn die beantwoordde aan de klanken die ik hoorde in mijn hoofd. En die móést ik leren kennen. Ik speurde de radiogids na, en als een uitzending in schooltijd viel en mijn moeder niet thuis was, dan spijbelde ik. Later liet ik in de bibliotheek platen voor me draaien. Zo ontdekte ik Edgar Varèse, Schönberg, en Nederlanders als Willem Pijper. Altijd de afwijkende, rare muziek. Dat waren de opwindendste momenten in mijn nog jonge leven.

Het sloot niet lekker aan bij mijn omgeving: ik kom uit een arbeidersmilieu. Hardwerkend, rood als de neten. Mijn ouders dachten vaak dat ik de zijkant van de plaat draaide. "Als je dan echt die muziek moet horen," vroegen ze, "kun je dat dan doen als wij er niet zijn?" Op school bezorgden mijn voorkeuren me een behoorlijk geïsoleerde positie, en soms was dat vervelend. Maar ik was geen zielige, eenzame jongen, hoor. Ik had een enorm grote bek en was voor niemand bang. Kon ook goed meekomen met sport. En ik was bloedgeil op lekkere meisjes. Ha! Dat was het probleem niet.

Maar... dansavonden, met de mode mee - die hele rampzaligheid die je opgedrongen wordt, het lukte me niet om daar last van te hebben. Als ik al naar zo'n avond ging, was het met de gedachte om zo snel mogelijk zo'n meid te grijpen. Al kon ik ze met mijn muziek niet in bed krijgen. Toen nog niet... Kan ik me ook wel voorstellen. Zulke maffe klanken, en dat in de tijd van Little Richard en Elvis.'

Die gek uit Oost

'Ik ging klarinet spelen, en later saxofoon, leerde mezelf noten lezen en ging partituren bestuderen. Steeds weer blijven steken bij de knopen in de muziek. Hele zaterdagavonden zat ik op drie maten, vloekend. Verdomme, hoe zit dat nou? Ik móét eruit komen, anders heeft het allemaal geen zin. Daarna ging ik zelf noten schrijven. Veel noten. Vanuit de niet te stelpen behoefte om mijn eigen ideeën vorm te geven.

De meeste muzikanten beginnen met het imiteren van hun helden. Ik niet. Op klarinetles was ik te lui om de bladzij om te slaan. Als ik aan het eind kwam, improviseerde ik gewoon verder. Vond ik veel leuker. Begrijp me niet verkeerd: Charlie Parker vond ik prachtig, hoor. Ellington, Count Basie - je kunt niet zeggen dat het niet goed is. Maar het was zo'n volstrekt andere context. Zwarte muziek uit de goot in Amerika. Discriminatie. Sociale verdrukking. Nou, ik kom niet uit de goot, niet uit Amerika en ik ben niet zwart. Amsterdam, daar liggen mijn roots. En bij al die gekke klanken waar anderen geen waarde aan hechten. Vanuit dat startpunt wilde ik wel muziek maken. Maar het was heel lang onduidelijk of dat me zou lukken.

Bij het conservatorium werd ik onmiddellijk weggestuurd. "Als jij de muziek in gaat," zeiden ze, "zal je een heel vervelend en slecht leven krijgen." Nou, dat hebben ze goed voorspeld.

Jazzliefhebbers vonden me een idioot. Als ik ergens binnenkwam met mijn sax, zag je ze denken: Jezus! Als-ie maar niet gaat meespelen. De generatie van toen, dat waren pure bebopjongens - Louis van Dijk, Johnny Engels, Pim Jacobs. Allemaal een jaar of tien ouder dan ik. Ze spraken schande van wat ik deed. Dat stelde helemaal niks voor. En dat deed het ook niet, maar het was in elk geval iets anders.

En het viel op. Ik werd gevraagd voor een Duits orkest, van Gunter Hampel. En gaandeweg verzamelde ik orkestjes om me heen, met mensen die het wel interessant vonden - die gek uit Oost, die iets deed wat-ie zelf bedacht had. Jan Wolff bijvoorbeeld, van De IJsbreker en later het Muziekgebouw, speelde vanaf het eerste uur mee. Voor de kreukels die geen noten konden lezen, noteerde ik grafisch. Zo van: daar korte noten, daar je bek houden, enzovoort. Enfin, er kwam geluid uit en we eindigden allemaal tegelijk.

In 1966 schreef ik een compositie die gebaseerd was op de rellen bij het Telegraafgebouw. De eerste grote rellen na de oorlog. Met allemaal gedeclameerde krantenberichten. Want ik dacht toen dat het zo moest. Ik noemde het, heel romantisch, Litany for the 14th of June 1966. Dat stuk voerden we uit met drieëntwintig man op een concours in Loosdrecht, en het werd een enorm schandaal. Het publiek begon te joelen, de ene helft positief, de andere kwaad. Juryleden vlogen elkaar in de haren. De progressieven vonden het bijzonder, de rest zei: dit is het eindpunt van de muziek. Hierna is het afgelopen.

Achteraf gezien was die dag een waterscheiding in de Nederlandse jazz. Vooral omdat we een nieuwe mentaliteit introduceerden. Dat je muziek en de maatschappij met elkaar kon verbinden. En vooral: dat wij de baas zijn over hóé we muziek wilden maken. Toen we ook nog doodleuk beweerden dat we er ons beroep van wilden maken, was de boot helemaal aan. Want tot dan toe was jazz het naäpen van Amerikaanse musici. En dat deed je erbij, in je vrije tijd.

Het leverde me interesse op uit andere hoek. Theatergezelschappen en filmmakers als Johan van der Keuken dachten: hé, hij beweert ook wat, en ze vroegen of ik iets voor hen kon schrijven. Daarmee ontstond ook het eeuwige probleem tot welke categorie mijn muziek behoorde. Is het nou jazz, modern klassiek, hedendaags? Maar goed, dat heeft me nooit kunnen verrotten. Ik voel me toch nergens thuis. En tegelijkertijd heb ik wel de pretentie dat ik weet wat wel en wat niet in orde is.'

Kaartenhuis

'De muzikant als een strijder in de maatschappij, dat heeft me altijd aangesproken. Daar zijn veel historische voorbeelden van. Mensen die zich niet in de zeik laten nemen door het geteisem om hen heen. Die zeggen: het gaat om wat ik wil, niet om wat jullie willen. En ik zal het jullie door de strot duwen tot ik niet meer verder kan. Lukt dat niet, nou ja: pech gehad. Je gaat geen dingen maken waarmee je een groot publiek pleziert, maar waar je zelf doodongelukkig van wordt.

Voor die houding heb je ruggengraat nodig. Van dat soort mensen heb je er maar weinig, en ze maken ook nog vaak enorme klotemuziek. Maar goed… op mijn eigen muziek valt ook van alles aan te merken. Dat is niet erg, vind ik. Het is een constante vraagstelling, een poging voortploeterend een antwoord te vinden. Soms heel aardig, maar wat heb je er allemaal aan. Vind jij dat raar? Tja, zo is mijn mentaliteit nou eenmaal. Je bouwt heel zorgvuldig een kasteel, en het blijkt een kaartenhuis te zijn. Maar wel in alle vrolijkheid, hoor. Er mag gelachen worden. Ik hou niet van driehoogachter-kunstenaarsgesomber.

Wat ik indertijd voor ogen had, was een zich constant vernieuwende beweging van mensen die snappen waar het om gaat. Ik zei: het moet ons beroep worden. Het moet sámen, en dan dwars overal doorheen rammen. Dus geen eigenbelang, geen nepotisme. Zo'n vijftien, twintig jaar heb ik me overal tegenaan bemoeid. Met een aantal kameraden namen we de Stichting Jazz In Nederland over en richtten we het Bimhuis op. Dat was hard knokken. Ik zat indertijd ook in de Amsterdamse Kunstraad en daar zeiden ze: "Een eigen gebouw? Voor jázz? Zijn jullie nou helemaal van God besnuffeld!" Gelukkig zaten ook Reinbert de Leeuw en Willem van Manen in de Raad, en die zagen het belang van een eigen plek wél. Dus zo kregen we een meerderheid.

Toen ging de ambtenarij dwarsliggen door ons gewoon niet te betalen. Ik heb drie maanden uit eigen zak de huur van het pand aan de Oude Schans betaald. En Hans Dulfer betaalde de muzikanten uit van het geld van de auto's die hij toen verkocht. Die hoefde bij die zaak pas aan het eind van de week de balans op te maken. Dus hij had wat speling. Ja, er werd flink gesjoemeld. Toen dat niet langer ging, zijn we in Den Haag gaan schreeuwen. Je zag ze kijken, die politici. Kannibalen! Figuren van Mars! Maar die poen kwam er. En het Bimhuis bleef.

We hadden gewonnen, zou je kunnen zeggen. En ik heb even gedacht dat we er waren. Maar eigenlijk ging het meteen mis. We konden zelf bepaalde subsidies verdelen, en we gaven muziek met Europese wortels voorrang. Geen dixieland, tango of Spaanse flamingo. Want tja, dan richt je zelf maar een flamingo-bond op. Het knalde uit elkaar toen Hans Dulfer opeens andere muziek ging maken. Hij was een van de weinige écht daadkrachtige figuren, haalde de duvel en zijn ouwe moer naar Nederland. De commissies zeiden: Hans, die muziek van jou heeft niks meer te maken met waar wij voor staan. Dat werd een gigantisch conflict. Ja, Hans doet de dingen niet geruisloos.

Toen ik ziek was, zijn Hans en ik weer naar elkaar toegegroeid. Kreeg ik opeens een mail. Hij bleek ook zijn makke te hebben. En we hadden het nog steeds over dezelfde dingen - alleen vertalen we het anders. Zijn houding, van niets íets maken, heb ik altijd waanzinnig gewaardeerd. Dat is jazzdenken. Zelf heb ik ook mijn eigen weg gekozen, en langzamerhand al die functies opgegeven. Aan de ene kant omdat ik het druk had met het Kollektief, met tournees door Europa en Amerika, met toneel- en filmmuziek. Maar ook omdat ik de ridiculiteit ervan inzag. De ambities van toen zijn niet waargemaakt.'

Crossover-ziekte

'Eind jaren zestig, begin zeventig was er een zekere welwillendheid ten opzichte van het experiment. We waren opgegroeid in een suffe, duffe maatschappij, en iedereen wilde dat er wat zou gebeuren. Maar de provo's, waar ik toch een beetje bij hoorde, die haatten mijn muziek ook, hoor. Het was Dylan voor en Dylan na. Muzikaal analfabetisme, dat gerommel met zo'n gitaar en een harmonica.

En nu… Uit nieuwsgierigheid luister ik vaak naar dat programma Een Goedemorgen Met..., waar allerlei mensen hun klassieke voorkeuren mogen draaien. Van hoogontwikkelde linkse types tot de meest rechtse idioten - de hele samenleving komt voorbij. En állemaal blijven ze steken bij de meest behoudende, ongevaarlijke klassieke muziek. Stravinsky is nog te hoog gegrepen. Dat vind ik buitengewoon moeilijk om te accepteren. Die gasten kiezen niet voor vrijheid, voor onafhankelijk denken, maar ze hebben het wel voor het zeggen. Dat zegt veel over de huidige maatschappij. Kunstenaars worden getolereerd, we hebben er soms zelfs een klein zakje geld voor over. Als ze maar in hun eigen zandbak blijven.

In dat klimaat is het niet zo vreemd dat er een grote schoonmaak wordt gehouden onder muzikanten van mijn generatie. Van die populaire, overal opduikende allesweter die zo graag een cowboyhoed opzet om op tv Bob Dylan-liedjes te zingen, weet je sowieso al dat je niet veel hoeft te verwachten. Die háát hedendaagse muziek.

De voorvorige staatssecretaris, Van der Ploeg, riep dat wij alleen nog maar mochten spelen met allochtonen. Moesten we op de mat met zo'n Turk of Marokkaan die drie-akkoorden muziek maakt en geen noten leest. Heb ik nog gedaan ook, onder anderen met Sezen Aksu, de Madonna van Turkije. Die concerten waren uitverkocht, dat wel. En hier in Oost werd ik opeens herkend door Turkse meisjes, die uiterst verbaasd waren dat ik zomaar in het wild rondliep. Dat was wel vrij merkwaardig. Ik ben naar Turkije geweest om het voor te bereiden. De bedoeling was dat ze ook iets van mij zou zingen, dat we samen tot iets kwamen, weet je wel. Maar het was: je mag met ons meespelen als je wilt. En zo niet: ook goed. Ze had niet eens naar mijn muziek gekéken. Die mensen waren totáál niet geïnteresseerd in een uitwisseling. Al die groepen waar het geld vanwege die crossoverziekte naartoe moest, zijn er in deze subsidieronde weer uit gelazerd.'

Schijndemocratie

'Er kwam geen waarschuwing of niks. Geen briefje: joh, je bent op je retour, we gaan je afbouwen. De subsidie voor het Kollektief is helemaal stopgezet, na vijfendertig jaar. Van 260.000 euro naar nul. Dat is vrij dramatisch, zeker voor de mensen met wie ik vaak al tientallen jaren werk. Want ik denk dat het ophoudt. In elk geval zullen we veel minder kunnen spelen.

Wat ik er persoonlijk van vind, mag je zelf invullen. Maar ik speel in Nederland nooit voor lege zalen. Ben net terug van de zoveelste tournee in Amerika, waar de publieke belangstelling heel groot was. Met dat kleine beetje financiële hulp - het grootste deel halen we zelf binnen - heb ik mijn vleugels kunnen uitslaan. Zoals dat met het overgrote deel van de Nederlandse cultuur het geval is. Daar konden we een kantoortje van betalen, repeteren, en die elf mensen van het Kollektief de garantie geven dat ze tweehonderd euro per concert verdienden.

Ik heb ook dertig jaar met oud en nieuw De Klap op de Vuurpijl georganiseerd, de vijf december concerten, ik heb de BV Haast opgericht - een platenmaatschappij waarop ook andere groepen worden uitgebracht. Daardoor was er toch een zekere doorstroming, kwamen jongere muzikanten ook aan bod. En nu blijkt dat men dat niet meer belangrijk vindt. Althans, de overheid. Men wil ons niet meer kennen. Dat is al een jaar of tien aan de gang.

Er staan allerlei dingen in de weigering die aantoonbaar niet kloppen. Als je daar bezwaar tegen maakt, met harde bewijzen, krijg je gewoon dezelfde brief terug die je al had gehad. Alles is dichtgetimmerd met advocaten. Het is een schijndemocratie, en dat is gekmakend. Ik vecht wel, ik mag wat komen schreeuwen op de radio bij Met het oog op morgen, maar ik heb al verloren.'

Arrogantie en kinnesinne

'Nou ja, ik heb een brede rug, ik red me wel. Ik realiseer me ook dat het wél krijgen van subsidie op dezelfde willekeur berust. Vroeger bestonden commissies uit mensen die affiniteit hadden met de muziek; tegenwoordig zijn het managers. De Raad voor de Kunsten, een adviesorgaan, is gewoon gepasseerd. En die managers hebben ons nooit gehoord. Behalve de voorzitter, die haat mijn muziek. Heeft vroeger nog wel eens een stuk van mij gedirigeerd. Kon-ie ook niet.

Uiteindelijk gaat het om een ander fenomeen. Om de zelfingenomenheid van mijn generatie. De strijders van toen zijn de baasjes van nu. Ze hebben zich teruggetrokken op hun eiland. En niemand had in de gaten dat als je van dat eiland geen olievlek maakt, een brede beweging die zich hard maakt voor wat afwijkt, het je op een goeie dag allemaal ontnomen wordt. De hele infrastructuur van de jazz is ingestort. Er zijn nog maar zo'n acht clubs over, en iedereen staat te dringen om daar te mogen spelen. Een nieuwe generatie conservatoriumstudenten maakt weer dezelfde brave muziek als vijftig jaar geleden. We zijn door onze eigen arrogantie en kinnesinne weer op hetzelfde amateuristische niveau terechtgekomen waar we waren toen ik begon.'

Over Sander Donkers

Sander Donkers (1967) werkt sinds 1999 bij Vrij Nederland. Hij schrijft wekelijks de rubriek 'De Week Waarin' en verder over zo'n beetje alles. Zijn specialisme is popmuziek.

Portret

Jacqueline Oskamp

Muziek als reden van bestaan

Portret van 'Zomergast' Reinbert de Leeuw, dirigent, pianist en kunstpaus

Interview

Sander Donkers

Trafassi's Edgar Burgos

Surinaams Goud: Trafassi en de anderen

 

Rudie Kagie

Een poging tot film over Sonny Rollins

Saxofonist Sonny Rollins (83), laatste icoon van de bebopgeneratie, werkte mee aan een documentaire over hem, maar kreeg spijt

Interview

David Kleijwegt

Interview met Bobby Womack: 'I'm smokin!'

Interview met Bobby Womack (1944 - 2014). 'Ik vond die gitaar het mooiste dat ik ooit had gezien. Ik moest ’m bespelen.'

Profiel

Sander Donkers

Beyoncé: De perfecte illusie

Beyoncé: de superster die alle wetten tart

Bladwijzer

Anne Janssens

Het ABC van Beyoncé

Bladwijzer bij het stuk 'De perfecte illusie', over het succes van Beyoncé, deze week in Vrij Nederland.

'Dit keer stond de deur open'

David Kleijwegt

David Mitchell: ‘We staan waarschijnlijk helemaal alleen’

Anna Luyten

Dit is goed! Ik ontvang graag wekelijks verhalen in mijn inbox

E-mailadres *
Ja, ik wil graag de VN Nieuwsbrief ontvangen

Neem nu een
abonnement
Jaar
Half jaar
Kwartaal
Proef
Papier en digitaal
Alleen digitaal