Vrij Nederland Tijd van leven: Theo Nijland (58)

Foto: Eddo Hartmann Foto: Eddo Hartmann

Tijd van leven: Theo Nijland (58)

Theo Nijland is singer-songwriter, theatermaker, acteur en scenarist. Zojuist verscheen zijn nieuwe cd '’t Begin van het einde’.

Door Caroline Buijs

Theo Nijland is singer-songwriter, theatermaker, acteur en scenarist. Zojuist verscheen zijn nieuwe cd '’t Begin van het einde’.

Door Caroline Buijs

Heeft u een vaste dagindeling?
‘Ja. Ik ben een ochtendmens en sta altijd vroeg op.

Ik houd van het ochtendlicht en ’s ochtends werk ik het lekkerst: dan ben ik nog niet beïnvloed door stemmen of telefoons of sms’jes. Die tijd is heel waardevol, want zeker als ik aan een nieuw idee werk, heb ik de ruimte van die ochtenden nodig. Zit ik eenmaal echt ergens in, dan kan ik altijd werken – zelfs als er een kudde olifanten langs dendert. Ik stel mezelf altijd een deadline, maar schuif tegelijkertijd de dingen voor me uit, alsof ik de tijd wil tergen. Dat is ook goed, door een paar minuten aan bijvoorbeeld een liedje te denken merk ik al dat zich van alles opbouwt. Toch zet ik dan snel de computer weer uit – nee, nu nog niet, denk ik dan.’

Uw cd heet ‘’t Begin van het einde’. Houdt het einde u bezig?
‘Ik ben wel meer bezig met het besef van eindigheid nu ik achtenvijftig ben, dat heb je in je jeugd natuurlijk helemaal niet. Maar daar schrijf ik dan weer liedjes over, al ga ik er niet heel vrolijk over lopen doen want ik vind het jammer dat het straks is afgelopen. Ik ben wel benieuwd wat het voorstelt, ouderdom, en hoe je je dan verhoudt tot de wereld. Pas kocht ik een Miele-wasmachine, dat zijn natuurlijk goede machines die twintig jaar meegaan, en toen dacht ik echt: dit is mijn laatste wasmachine. Over twintig jaar ben ik achtenzeventig: dan ben ik dood of de was wordt voor me gedaan.’

Hoe was uw kindertijd?
‘Ik vermaakte mezelf, ik was geen druk kind. Ik was creatief, zat veel op mijn kamer te plakken en te knippen. Eigenlijk wilde ik naar de Rietveld Academie, maar mijn pianolerares zei: jij moet iets met muziek gaan doen en zo zat ik ineens op de kleinkunstacademie. En dat klopte ook wel: ik kon dingen maken, het voortouw nemen. Maar ik kon als kind ook heel vaak stil in een stoel zitten en dan zei mijn moeder: “Wat zit die jongen toch in die stoel?” en dan antwoordde mijn vader: “Laat hem toch rustig zitten, hij denkt na.” Mijn vader was veel weg, hij was samen met zijn broer directeur van een fabriek in Enschede en dat was zwaar voor hem omdat hij er eigenlijk niet voor in de wieg was gelegd – hij was een gevoelige man. Mijn moeder had een actief leven, ze is later nog theologie gaan studeren en heeft zelfs nog gepreekt. Ze was actief in de vrouwenbeweging: in de zijkamer stond een stencilmachine, dat was een soort actieruimte. Ik heb heel veel moeten collecteren als kind: voor Groesbeekse tehuizen, dekens voor Willemstad – terwijl ik dacht: het is daar toch warm genoeg? Mijn moeder nam de tijd voor me, maar op een pragmatische manier: om me te overhoren bijvoorbeeld. Maar ach, met een grote familie was er altijd wel iemand die tijd had: ik was de jongste van zeven kinderen.’

Bent u een man van de tijd?
‘Ik kom altijd op tijd, maar veel vrienden van mij niet. Ik heb een Iraanse vriend gehad met wie ik heel veel optrok en met wie ik aan een scenario werkte, die in mijn ogen een tijdsbesef had van níks. Die kwam niet een uur te laat en ook niet acht uur te laat, nee, die kwam gewoon drie dagen te laat. Maar als-ie er was, dan wás-ie er ook en bleef hij gerust drie dagen. Ik heb wel een strijd met hem moeten uitvechten want ik werd er echt gek van, totdat ik dacht: laat ik me nou eens overgeven aan een totaal ander tijdsbesef. Heel ineffectief, maar wel romantisch. Als ik kook voor mensen – en dat doe ik graag – dan weten mijn gasten dat ze op tijd moeten komen, want als ik een soufflé maak dan moet je ook kunnen zien dat-ie lekker hoog is.’

Wat vond u een nare tijd?
‘Ik heb een jaar in een grote musical gestaan van Joop van den Ende, Cabaret, en dan stap je een soort sluis in. Ik had weliswaar een hoofdrol maar 231 voorstellingen in een jaar was echt te veel. Ik was ongelukkig, maar moest natuurlijk wel elke avond vrolijk dat toneel op komen. Toen het jaar voorbij was, ben ik zo vreselijk dronken geworden – ik was eindelijk die sluis weer uit. Wat er misschien wel goed aan is geweest, is dat ik daarna in een eruptie van dingen terecht ben gekomen zoals het maken van de muziek bij de film Bij nader inzien.’

Met wie zou u meer tijd willen doorbrengen?
‘Mijn vriend is kapitein en hij gaat regelmatig voor tweeënhalve maand weg, maar dat gaat juist heel goed, dat is ontzettend fris. De tijd die je samen hebt, is eindig, want je weet dat hij over zes weken weer weggaat. Ook voor hem is het ideaal: hij kan rustig met zijn eigen bemanning zijn, naar de dolfijnen staren, een boek lezen en hij hoeft zich niet steeds in dat sociale systeem van mij te voegen met mensen en eters en theater – allemaal van die aanstellers. We zijn een beetje een raar stel: hij is twintig jaar jonger en een stoere kapitein, er zit niets nichterigs bij. Een zeemansrelatie: ik kan het iedereen aanraden.’

01-10-2012