VN MediagidsPeter Vos en Charles Donker: gevleugelde vrienden
Samenleving / kunst 11.09.2010
Bevriende kunstenaars én tegenpolen Peter Vos en Charles Donker jubileren met een gezamenlijke overzichtstentoonstelling in Utrecht.
Een gezamenlijke tentoonstelling van Peter Vos en Charles Donker wil zeggen een figuur uit de commedia dell'arte in dezelfde ruimte laten optreden als een personage uit een toneelstuk van Samuel Becket: een gemaskerde vrolijkheid (waar zich veel melancholie achter verschuilt) tegenover het eeuwig weerkerende bestaan dat zwijgend, verstild of passief wordt ondergaan. Er is geen groter contrast. Theatrale vrolijkheid tegenover ingekeerde verstilling.
Kapper
Een van de eerste etsen van Donker die we zien is er een van het landschap rond het Fort Rhijnauwen uit 1972: een keurige bomenrij in de verte met op de voorgrond rechts, als een repoussoir, het zwarte silhouet van een hoog geschoren heg. Landschappen staan stil, maar dit is vastgezet, verstild, hier wuift geen blad of tak. Er moeten veel vogels vliegen en fluiten (Donker heeft de namen onder de ets gezet) maar je ziet ze niet. Het is een verstard tafereel, en dat wordt nog versterkt door de vorm die de kruinen van de bomen hebben: het is alsof ze naar de kapper zijn geweest, zo mooi heeft de tondeuse de takken en de bladertooi geschoren. Zo mogelijk nog strenger is een andere ets, Twee eiken in de winter uit 1974, waarop twee steile pilaren van bomen met wat takken staan, één links, één rechts, en daartussen een bevroren winterse ruimte met uitzicht op wat grijze bosschages. Alsof de wilde natuur een lesje geleerd wordt.
Dit is een naar perfectie strevende soberheid die Donker zijn hele leven heeft volgehouden, ook als hij de details van bomen, bladeren, struiken, gevlochten hout of riet etst met zijn minuscule stippeltechniek. Het valt niet te ontkennen dat juist de natuurliefhebber Donker, de etser van uilen, eenden, mollen en krabben, regelmatig behoefte heeft aan een geometrische vlakverdeling, aan een abstracte 'gelaagdheid', zoals Jan Piet Filedt Kok in zijn essay in de catalogus schrijft.
Vergeleken hiermee komen de tekeningen van Peter Vos uit een vrolijk-melancholisch circus. Vanaf het Klein Pulcinellenboek voor Anneke van eind jaren zestig, via De 100 Reigers, het Beestenkwartet, de Sprookjes van de Lage Landen, Wat je ook niet vaak ziet tot en met de meest recente reeks tekeningen onder de titel Villa Inzicht, staat alles bij Vos in het teken van de opgewekte verkleedpartij en gedaanteverwisseling. Of het nu wisselende humeuren zijn, leeuwen die van gedaante veranderen, zoals hij ze wekelijks voor Vrij Nederland tekende (wat hij vanaf 1960 tot voor kort deed) of mythologische figuren die van een mens in een dier transformeren, het is nooit gewoon bij Vos. Het is alles verkleden, vermommen, maskerade.
Dieren ondergaan bij Peter Vos veranderingen, krijgen kleren aan en worden half mens. Alleen de mus lijkt daarvan uitgesloten, die tekent hij meestal naturel, in zijn low profile-status. In het grote leven van eksters, reigers, kluten en zwanen moet geleefd en gestreefd worden en daarvoor zijn maskers nodig. Daar doen de mussen niet aan, daar zijn ze te bescheiden voor, ze scharrelen meer dan dat ze echt leven. Alle andere vogels geeft Vos al gauw menselijke trekjes. Een goed voorbeeld is Gorzenzang, een tekening met drie vogels van de gorzenfamilie (bekend om hun 'tinkelende zang'): ze staan op een soort podium, gekleed in opera-achtige lappen en met de brede mimiek van echte zangers, alsof ze de tenoren Luciano Pavarotti, José Carreras en Placido Domingo zijn die zo in een lied zullen uitbarsten.
Uitgedost
Peter Vos lijkt zich minder op zijn gemak te voelen wanneer hij mensen zonder meer, zonder theatrale uitdossing, moet tekenen. Hij voelt zich prettiger als hij ze als clowns, harlekijns, nepridders, of als personificaties van een humeur of karakter kan opvoeren. En dieren als mensen. Dat is te zien aan zijn illustraties voor Lieve kinderen hoor mijn lied van Rudy Kousbroek. De poezen, muizen, varkens en egels vertonen louter met ironie gebracht antropomorf gedrag, geheel tegen het zere been van Maarten 't Hart, van wie dieren in boeken zelfs niet mogen spreken, laat staan dat een varken een liefdevolle poot om het middel van een klein meisje zou mogen slaan, zoals hier gebeurt. De als vogel verklede vogelvanger Papageno uit Mozarts Der Zauberflöte is het ideale personage voor Vos. Geen wonder dat hij zijn eigen zoon Sander tekende als een boom waarop alle vogels af vliegen.
- Peter Vos heeft eens gezegd dat hij niet weet hoe hij 'aan zijn toevallige vrolijkheid' komt
Je zou een verdeling kunnen maken tussen Vos' tekeningen gebaseerd op observaties en de werken die gebaseerd zijn op fantasie en verbeelding. De 100 reigers zijn afkomstig van kijken en nog eens kijken, net zoals Een studie in grijs, zijn boek met uilen, valken, strandlopers, flamingo's, kluten en meer dan honderd andere vogels. Zijn tekeningen bij verhalen of gedichten van anderen, zoals Toon Tellegen, Mensje van Keulen, Raoul Chapkis en Rudy Kousbroek, horen daar eigenlijk ook bij, al weet hij er toch altijd een wending aan te geven in de richting van zijn eigen verbeelding.
De geest van de volkse commedia dell'arte is bij Vos zelden ver weg, maar evenmin de geleerde variant, de commedia erudita: Vos weet ontzettend veel, is voortdurend aan het parodiëren en aan het verwijzen naar al dan niet bekende gedichten, verhalen, mythen, sprookjes of fabels. In een lang en mooi weergegeven gesprek dat Joop van Tijn in 1995 met hem had in Vrij Nederland is hij aan de lopende band uit het hoofd aan het citeren. Hij heeft zoveel literatuur paraat, zegt hij tegen Van Tijn, omdat 'het goed is om mooie spullen in je hoofd opgeslagen te hebben'. Vos is het voorbeeld van de frivole, melancholieke, erudiete kunstenaar.
Kloothommel, uilskuiken
Vos vindt graag typen uit, mensen die zich op een bepaalde vaste manier gedragen, zoals in de commedia dell'arte. Daaruit kwam zijn inmiddels klassiek geworden Beestenkwartet voort, met de kloothommel, de klavierleeuw, de sloddervos en het uilskuiken. Zijn behoefte om mensen een andere gedaante aan te laten nemen, te vermommen en te verkleden, gaat volgens Eddy de Jongh in zijn essay over Vos in de catalogus, terug tot zijn jeugd. Daarin werd hij vertrouwd gemaakt met de katholieke mirakelverhalen: 'We zijn met wonderen opgegroeid; verhalen over mensen die in een vogel veranderen staan in wezen vrij dicht bij verhalen over heiligen met wie iets bovennatuurlijks gebeurt.' De Jongh wil hem geen ovidiaans kunstenaar noemen, maar wel zijn de Metamorfosen van Ovidius hem op het lijf geschreven. Als mythologisch prototype tekende hij verscheidene malen de metamorfose van koning Tereus, die als straf voor het verkrachten van Philomela in een hop verandert, een vogel die bekend staat om zijn stank.
Peter Vos heeft eens gezegd dat hij niet weet hoe hij 'aan zijn toevallige vrolijkheid' komt. Hij vindt ook 'dat je argeloos door het leven moet kunnen lopen'. Het zijn allebei uitspraken die behoren tot de categorie wishful thinking. Charles Donker is in zijn tekeningen een en al gelijkmatigheid, Vos is onderhevig aan zijn humeuren en temperament. Vos maakt zijn stemmingen productief, tekent een figuur gekleed in voddige lappen en noemt de tekening naar Dantes Purgatorio. Zijn vele mannen met stierenkoppen, Minotaurussen, zijn altijd droevige figuren, opgesloten als ze zijn in het labyrint van Daedalus.
Zoals Charles Donker zijn zenit bereikt in zijn etsen van sprinkhanen, libellen, muizen, schelpen en uilen, zo komen alle kwaliteiten van Peter Vos, zijn humor, eruditie en tekentalent, samen in de subtiele ronde miniaturen van Wat je ook niet vaak ziet. Het heten 'alledaagse emblemata', maar ze zijn allerminst alledaags. In Half vergeten zit iemand zonder hoofd in een fauteuil. In Dodo's natte droom zien we wat de dodo droomt: dat hij kan vliegen. In Zelfverdediging heeft een man zijn hoofd van zijn romp genomen en maakt aanstalten hem weg te gooien.
Dit zijn allemaal subtiel-diepzinnige plaatjes, waarmee Vos zich volgens Eddy de Jongh schaart onder de tekenaars van het disegno, het tekenen dat tijdens de Renaissance rechtstreeks in verband werd gebracht met het intellect. Dat betekent samenwerking tussen het vernuft van hoofd en hand, zodat 'we kunnen rillen van genoegen'.
Peter Vos en Charles Donker in het Centraal Museum Utrecht: van 11 september tot en met 2 januari 2011.
