VN MediagidsIn memoriam Peter Vos

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Samenleving / kunst 08.11.2010

Door Carel Peeters


Peter Vos was de tekenaar van de Hollandse versie van de Italiaanse commedia dell’ arte: het leven getekend als een maskerade. Hij tekende ook veel dieren: mussen, uilen, kikkers, reigers en natuurlijk de wekelijkse leeuw in de rubriek Terzijde van Vrij Nederland.

Peter Vos heeft zijn hele leven de rol gehad van versierder en opluisteraar, maar niet op een uitbundige manier. Hij was een erudiete melancholieke tekenende clown die aan alles een fantasierijke wending wist te geven en daarmee de demon van de namiddag op een afstand probeerde te houden. Vrij Nederland heeft daar lang van mogen profiteren, vanaf 1958, toen Rinus Ferdinandusse hem vroeg zijn tekeningen voor het studentenblad Propria Cures voortaan in VN te plaatsen. Dat waren in het begin getekende grappen (cartoons) voor de rubriek Vrij Blijvend, die later Terzijde zou gaan heten. In het begin bestond die rubriek nog uit pastiches en parodieën geschreven door Rinus Ferdinandusse en Hugo Brandt Corstius, en niet uit de oneliners (‘Als je van lezen houdt is de Tros een goede omroep’) waarmee de rubriek later vermaard zou worden omdat VN-lezers hem altijd als eerste lazen.

In die verzuilde tijd kon een tekening van Peter Vos nog voor de nodige ingezonden brieven zorgen. Zoals de tekening in het kerstnummer van het jaar 1960: het is kerstavond en we zien Jozef op het moment dat een engel hem laat weten dat er een kindje is geboren. ‘’t is een jongen!’ juicht ze. En toen in 1964 de aflevering ‘Beeldreligie’ van het satirische programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer zoveel verontwaardiging had gewekt, maakte Peter Vos de tekening van de man die voor de televisie zit en zijn vrouw roept: ‘Mien, kom. Het is weer kwetsen.’

Zijn bijdrage aan Terzijde ging vooral bestaan uit het tekenen van de wekelijkse leeuw. Die werd zo’n vaste verschijning dat je hem bijna over het hoofd zag. Maar wie zich dat niet liet gebeuren zag de mens in de gedaante van een leeuw elke week tegen de aanvallen van het leven vechten. Hij nam in de loop der tijd elke denkbare manhaftige pose aan. De leeuw werd met alles geconfronteerd, al meteen elke ochtend met zichzelf in de spiegel, en verder in de loop van de dag met allerhande tegenstanders die hij niet zelden met een zwaard te lijf ging, tot hij zich bedacht. De leeuw van Vos ging het leeuwtje heten, want hij streed meer tegen zijn eigen verlegenheid, angst en vrees dan tegen de wereld en het leven, dat hem toch te vlug af was. Het leeuwtje werd een antiheld die iedereen vanwege zijn robuuste haardos wel op het eerste gezicht afschrikte, maar van wiens benauwde borst je ging houden wanneer je hem beter leerde kennen.

- Vos wilde het onmiskenbaar dierlijke in de mens op vrolijke manier laten zien

Ook al was Peter Vos de vrolijkheid zelf, in aanleg was hij schuw en verlegen. Hij wist hoe hij dat kon maskeren. Hij dronk dan het een en ander of ging vrolijk in de aanval en overrompelde je met zijn ongedwongen eruditie. Dan kwam het ene na het andere treffende citaat te voorschijn, uit verschillende talen, tot en met Italiaans, geleerd op de Rijksacademie. Zoals hij zijn leeuwtje elke week een andere martiale pose liet aannemen, zo gaf hij de menselijke figuren in zijn vrije tekeningen altijd iets waarmee ze zich optuigden: een kostuum, een uniform, een sjerp, een masker, een toga, of alleen maar een hoop lappen. Of hij maakte er verklede dieren van. Voor hem konden dieren gewoon menselijke dingen doen, en andersom ook. Dat was niet alleen omdat de Fransman Grandville dat ook zo virtuoos had gedaan, maar omdat Vos het onmiskenbaar dierlijke in de mens op een vrolijke manier wilde laten zien. Niets dierlijks was de mens vreemd.

Zijn katholieke jeugd had hem vertrouwd gemaakt met wonderen en bizarre verhalen (‘een prachtige vooropleiding’ noemde hij het). Van een met pijlen doorboorde Sint Sebastiaan keek hij niet op. Hij was ook al jong vertrouwd met de Fabels van La Fontaine en de Sprookjes van Perrault. Toen zijn hoogleraar aan de Rijksacademie in Amsterdam (Van Thienen) hem liet kennismaken met het achttiende eeuwse toneel van Carlo Goldoni was zijn belangstelling voor de commedia dell’ arte gewekt. Dit was de wereld van de maskerade, goedmoedig bedrog, list, vastliggende karakters. ‘Het is tweedimensionaal. Schoften zijn schoften en wie goed is, is goed. Anders is het niet. Het is prachtige overdrijving,’ zei hij. Toch gaat dit niet helemaal op voor zijn Klein Pulcinellenboek. Daarin neemt Pulcinella alle vormen aan die de natuur te bieden heeft, behalve als zichzelf: als boom, als hand, als labyrint, zelfs als graspol.


Peter Vos was voortdurend aan het verkleden, omdraaien, transformeren, vermommen. Hij hield van de omgekeerde wereld. Hij liet niet Sint Franciscus voor de vogels preken, maar de vogels voor Franciscus. Een zwerm vogels bedekt en beschermt hem kwetterend. In Villa Uitzicht, zijn laatste bundeling van tekeningen, staat een tekening waarop een oude man, een boom, een auto, een hond en twee vogels zijn ingepakt met papier, zoals Christo dat in het groot deed. De tekening heet ‘Een gemaskerde dag’. Hij tekende een kat ‘verkleed als kat’. Vos werd (net als Picasso) gefascineerd door hybride wezens als de minotaurus (mens met stierenkop), door de griffioen (adelaar en leeuw ineen) en de harpij (roofvogel met meisjesgezicht).

Dit gaat allemaal over de fantasierijke kant van Peter Vos. Hij had ook een realistische kant. Een fantast was hij in Klein Pulcinellenboek (1969) en Villa Uitzicht (2003), een realist was hij zijn boek met de tekeningen die hij maakte in Artis met zijn zoon Sander: Een studie in grijs (1980). Zijn uilen, maraboes, muizen, mussen, hoornkikkers en al dan niet dode gierzwaluwen wilde hij zo betrouwbaar mogelijk naar de natuur tekenen, uit ‘waarheidsliefde’. Vooral de houding, de motoriek, de uitdrukking van de ogen, de rechte of gekromde poten interesseerden hem, alsof hij er toch steeds iets menselijks in wilde zien. De maraboe tekende hij zo dat zijn vrouw Saïda er toch (bij gebrek aan een echte) ‘een wijze schoonvader’ aan had.

- Zijn tekeningen maakten boeken tot iets bijzonders

Vos’ belangstelling voor Griekse mythen en de Metamorfosen van Ovidius lag in het verlengde van de picturale verkleedmanie die hij uitleefde in commedia dell’ arte-figuren. In feite hoort zijn beroemde Beestenkwartet (1970) hier ook bij. Het is een briljant bestiarium van menselijke zwakheden in de vorm van een gezelschapspel. Probeer zoveel mogelijk kwartetten bij elkaar te krijgen zodat je de complete Klavierleeuw kunt maken, en de Sloddervos, de Kloothommel, de Landrot, de Werkezel en de Snotaap. Ze worden allemaal in het volle ornaat van hun slechte of vruchtbare eigenschap getekend. Toen Adèle Bloemendaal met Paul Steenbergen en Gijsje Andriessen in de jaren zeventig een theatrale versie van het Beestenkwartet maakten voor de NRCV-televisie, mocht de Kloothommel om redenen van ‘decentie’ niet meedoen.

Een speciale categorie zijn de reeksen tondo’s, de ronde kleine zwart-wit tekeningen in Wat van eksters komt, huppelt graag (1989) en Wat je ook niet vaak ziet (1991). Het eerste is de verbeelding van zegswijzen, zodat we een zwaan zijn zwanenzang zien zingen terwijl hij de deksel van zijn lijkkist over zich heen trekt. Of we zien een marmot slapen als een marmot. Of een spin die zo nijdig is als een spin. In Wat je ook niet vaak ziet gaat het om ‘doordeweekse emblemata’. Dat is een weinig zeggende ondertitel, want hier zien we meteen al iets niet-doordeweeks: een tekening van een vliegende dodo heeft als bijschrift ‘Dodo’s natte droom’. Heel toepasselijk is de tekening van ‘Idealisme’ waarop drie revolutionairen hun vlag zo laten wapperen dat hij voor hun ogen hangt en ze niets meer zien. Hier duikt ook ‘Villa Inzicht’ op: het huis waarvan de ramen dichtgemetseld zijn.


Peter Vos hoorde ook bij het tijdschrift Hollands Weekblad, later Holland Maandblad. Je wist: wanneer het Hollands Maanblad weer eens een jubileumnummer moest maken, omdat het vijftig jaar bestond (in 2009) of het zevenhonderdvijftigste nummer er aan kwam (in 2010), dan had de redactie één zorg minder: het nummer zou weer geïllustreerd worden door Peter Vos. Zijn werk gaf die nummers onmiddellijk iets feestelijks. Hij illustreerde veel boeken, van George Orwells Boerderij der dieren tot de Fabels van Leo Vroman en columns van Renate Rubinstein, van Jules Renards Natuurlijke historietjes tot de Varkensliedjes van Rudy Kousbroek en de gedichten van Edward Lear. Zijn tekeningen waren zo belangrijk voor al die boeken dat zijn naam hetzelfde gewicht had als de schrijver ervan. Zijn tekeningen maakten het boek tot iets bijzonders. Voor De Bijenkorf maakte hij zo’n vijftien jaar geleden een schitterend doosje met delicate Ex Libris-vignetten. Het zijn dieren die iets met boeken doen: een krokodil huilt grote tranen boven zijn boek. De stekels van een stekelvarken staan recht overeind terwijl zijn ogen niet geloven wat ze lezen. Een mus slaat een bladzijde om voor een zingende mus. Een dodo (daar is hij weer) vliegt (!) een boek achterna. Een vogel schrijft een brief met een van zijn eigen veren en maakt er een knoeiboel van.


De duizenden tekeningen van Peter Vos, zijn tientallen boeken en de tallozen van anderen die hij heeft geïllustreerd, zijn het gevolg van een gelukkig toeval aan het eind van de jaren vijftig. Het begon ermee dat hij en de latere uitgever van de Arbeiderspers Theo Sontrop samen op het St. Bonifaciuslyceum in Utrecht zaten. Daardoor wist Sontrop hoe goed Peter kon tekenen. Een paar jaar later werkte Sontrop als werkstudent op het Amsterdamse postkantoor, als sorteerder van brieven. Op een dag herkende hij daar een envelop van Peter Vos omdat hij versierd was getekende vogels. Het heet dat dit ‘het begin was van een niet te verwoesten vriendschap’. Sontrop vroeg hem voor Propria Cures te tekenen. Zo kwam hij bij Vrij Nederland, en bij ons.


Een overzicht van Peter Vos’ werk staat in 'Peter Vos – tekenaar', met bijdragen van Ben van der Velden, Rinus Ferdinandusse, E. de Jongh, Judith Herzberg e.a.. Uitgegeven door Veen in 1995.

Tekeningen van Peter Vos en bevriend tekenaar Charles Donker zijn nog tot en met 2 januari te zien in het Centraal Museum Utrecht. Een recensie van deze tentoonstelling is hier te vinden.

Blanco

Geplaatst door: Bauke Jan Douma reacties

Leuke dat je het 'Klein Pulcinellenboek' noemt, dat een juweeltje is.

Van Peter Vos is staat een prachtig, enkele uren durend oud marathon-interview online bij de VPRO.

bjd

Tjielp

Geplaatst door: Truusje van Tol reacties

Mooi om te lezen, vooral de anekdote over Theo Sontrop als postsorteerder en de envelop met vogels erop getekend.
Peter Vos, die een mus kon neeretten als geen ander. Hippend, kopje schuin omhoog, pikkend aan een onzichtbaar kruimeltje, de kop mismoedig tussen de schouders. Bij het gedicht 'De mus' van Jan Hanlo (Tjielp tjielp tjielp) denk ik altijd meteen een tekening van Vos.
Gelukkig blijven ze, zijn tekeningen.

Streken van de Vos

Geplaatst door: Yvonne Koenderman reacties

Ik dacht al, waar blijft het. Dank je voor dit mooie stuk over Peter Vos, uniek in zijn soort.
http://papaver.web-log.nl/papaver/2010/11/de-streken-van-de-vos.html

jammer

Geplaatst door: janine schenkkan reacties

Peter Vos overleden dus nooit meer een kans op voetenwringende, scheef en verontschuldigend lachende leeuwen die de getooid waren met de leukste hoofddeksels. Jammer dat Vrij Nederland de rubriek "Terzijde"voortijdig de nek heeft omgedraaid. Nú is het echt te laat voor inkeer.

[reageren]