Vrij Nederland Het talent voor het religieuze

Foto: Kai Pfaffenbach / Reuters Foto: Kai Pfaffenbach / Reuters

Het talent voor het religieuze

Oefenen, oefenen, oefenen – het wordt de zomer van de religieuze ijver

Door Stephan Sanders

Oefenen, oefenen, oefenen – het wordt de zomer van de religieuze ijver

Door Stephan Sanders

De sportzomer grijnst ons tegemoet – en het gaat er allang niet meer om of we van ‘sport’ houden of niet. Houdt u van de mens, houdt u van de natuur? Vragen van ongeveer dezelfde reikwijdte. Wat kwam, komt en komen gaat: Roland Garros, EK voetbal, Wimbledon, Tour de France, Olympische Spelen, US Open en Paralympische Spelen. De grote golf- en schermevenementen sla ik gemakshalve even over.

Dit alles zal ons leven beïnvloeden: via kranten, gesprekken in het café, het aanbod in supermarkten. De onontkoombaarheid van het geheel roept als vanzelf verzet op. Er lijkt geen alternatief: we moeten kiezen tussen het langdurige televisiestaren, liefst met vriendengroep of ander collectief, of de wrokkige terugtrekking in een vacuümverpakte privésfeer. Je bent van het spel, of je bent spelbreker.

Een andere kwestie die minder urgent lijkt: ik mag op zondagochtend graag de televisiezenders langsgaan op zoek naar een mis, een dienst of een samenkomst van religieuze aard. Ik krijg geen genoeg van de symboliek, de rituelen, het samen zingen, samen bidden.

En omdat ik vaak niet precies weet wat ik vind, laat staan van iets, helpt het me om mezelf stellingen voor te leggen en die hardop uit te spreken in gezelschap. Het is een vorm van oefenspreken: eens horen hoe zoiets klinkt uit mijn mond, eens kijken of de omstanders die mening van mij met mij kunnen rijmen.

Dus waren er laatst vrienden te eten en liet ik me achteloos ontvallen: ‘Misschien moet ik maar gelovig worden.’

Dat was niet als lolletje bedoeld, maar als eerzame overweging die ik wilde testen bij mensen die mij al lang kennen. Er viel een stilte – geen verbijsterende stilte waarbij monden openvallen, maar een bedachtzame. Het was een beschaafde kring, de sfeer deed me denken aan de oude Duitse theoloog Schleiermacher, die een betoog hield over het belang van religie ‘voor de ontwikkelden onder haar verachters’. Ik wil maar zeggen: niemand begon te lachen of vuur te spuwen.
‘Zou je dat nu wel doen?’ vroeg goede vriend ten slotte.

Het klonk een beetje zoals vroeger, wanneer ik als kind zeker wist dat ik nu op schermen wilde, of nee, harp, er moest een harp in huis komen. ‘Weet je dat nu wel zeker,’ zei moeder.

Een week later begon ik aan het boek van de filosoof Peter Sloterdijk, virtuoos vertaald door Hans Driessen: Je moet je leven veranderen. Het is wat in meisjesboeken wel ‘een echte kluif’ wordt genoemd, en ik ben nog niet eens halverwege, maar ik raak steeds enthousiaster.

De eerste zin luidt: ‘Er waart een spook door de westerse wereld – het spook van de religie’. Die zin is natuurlijk gejat uit het Communistisch Manifest – ‘het spook van het communisme’ – maar terwijl Marx en Engels in 1848 een nieuw ‘spook’ wilden aankondigen, betoogt Sloterdijk dat religie niet aan een terugkeer bezig is, maar nooit is weggeweest ‘om de eenvoudige reden dat zoiets als “religie” of “religies” niet bestaat, maar dat alleen verkeerd begrepen oefensystemen bestaan.’
‘Je moet je leven veranderen’, luidt de laatste regel van het gedicht van Rainer Maria Rilke, een regel die als een boom uit de lucht komt vallen en de lezer zowat verplettert, want hij had die boom niet zien aankomen. Die regel is dus de leidraad van Sloterdijk geworden, die een lans breekt voor een ‘cultuur van de ambitie’. Wij mensen worden niet zozeer getekend door het verschil tussen arbeid en kapitaal, zoals Marx en de zijnen meenden, maar door ons streven naar het ‘hogere’: wij zoeken manieren om ‘het basiskamp van de alledaagsheid’ te verlaten en putten onszelf uit in zelfverbetering, zelfbeheersing en vervolmaking.

Dit oefenaspect, dit eindeloos testen van jezelf om tot een betere prestatie te komen, ziet Sloterdijk als essentie van religies en van sporten. Oefensystemen voor de geest en het lichaam. Hij toont bijvoorbeeld op overtuigende manier aan hoe Pierre de Coubertin zijn Olympische droom in vervulling zag gaan, terwijl de man zelf een veel grootser en spiritueler vergezicht op het oog had – een Olympisch soort godsdienst, een mengsel van christendom en hellenisme.

Zijn droom werd ontdaan van de spiritualiteit en gereduceerd tot een strikt atletische: maar voor Sloterdijk schemert ‘het talent voor het religieuze’ net zo goed door in de marathon als in de meditatieruimtes van mensen, die zich met enige slagen om de arm ‘boeddhistisch’ noemen – want het staat zo aanstellerig, als je Marieke heet en gewoon in Zoetermeer woont.

Oefenen, oefenen, oefenen – het wordt in dat opzicht dus een zomer van de religieuze ijver. En dat boek van Sloterdijk is de beste programmagids die je je kan wensen.

13-06-2012 / Samenleving / Leven