Naast de vraag naar de meest effectieve werking van de juiste dopingvarianten, ligt voor de moderne topsporter, de al even belangrijke vraag voor, naar de juiste middelen om die juiste dopingvarianten, bij eventuele controles, afdoende te maskeren.
Omdat de sportdoping-industrie inmiddels is uitgegroeid tot een multi-million dollar project-aangelegenheid, zullen heden ten dage ook de ontwikkeling, aanmaak en distributie van doping-maskeringsmiddelen tot de verantwoordelijkheid van diezelfde industrie behoren.
Volgens mij is het derhalve tijd, om het vraagstuk van de structurele wijdverbreide competitievervalsing door dopinggebruik in de topsport - waardoor bij de grootverdienende professionele topsporter, nebenbei, tevens het economische delict van oplichting zijn intrede doet - vanuit een andere invalshoek te benaderen : Laat inspanningsfysiologen van topsporters op wetenschappelijke basis, een individueel inspanningsprofiel samenstellen en laat vervolgens van elke wedstrijd, een inspanningscoëfficiënt vaststellen, zodat bij gelegenheid beide waardes met elkaar kunnen worden vergeleken.
Zo kan (bij benadering) worden vastgesteld, of sportlieden boven hun “natuurlijke” niveau presteren, waardoor bijvoorbeeld dopinggebruik kan worden vermoed.
Het gaat mij hier vooral om het aangeven van een (nieuwe) denkrichting binnen deze problematiek, eerder dan het formuleren van een waterdichte oplossing, want bijvoorbeeld vragen naar de noodzakelijke nulmeting in een dergelijke procedure en andere (natuurlijke) variabelen, kunnen in dit beperkte kader onmogelijk gedetailleerd worden geadresseerd.
Dit geldt eens temeer, omdat de dopingindustrie steeds verder de weg van de DNA-technologie (genmodificatie) lijkt te zijn ingeslagen, waardoor dopage-detectie weer extra wordt bemoeilijkt.