Foto: Harry Cock Foto: Harry Cock

De dood van Nanne Tepper

Door Igor Wijnker
8 juni 2013
Leestijd:

Schrijver Nanne Tepper was een van de grootste beloften van de jaren negentig. Twee jaar geleden pleegde hij zelfmoord. 'Hij wilde niets liever dan dat boek schrijven.'

Sinds Paul Scheffer in 1980 met zijn schip Hoop op Welvaart aanmeerde aan de Wilhelminakade in Groningen – net na de beruchte knik – zijn er al vaker auto’s van de weg geraakt en in zijn kadetuin beland.

‘Een stuk of zes.’ Maar de zilvergrijze BMW e46 die zaterdagochtend 16 juni 2012 met hoge snelheid de stoeprand raakt, haaks op de weg belandt, de andere stoep op raast (daarbij rakelings een jogger missend), wordt gelanceerd door het heuveltje in de berm, in zijn vlucht een boom ontwortelt, lage groeiers en een eendennest vernielt en tegen de 130 ton zware klipperaak dreunt, is van een andere orde. De Scheffers schrikken op van hun zaterdagochtendritueel. De koffiekopjes rammelen op de schotels.

De jogger, Thomas Meijer, denkt even dat hij hallucineert, maar sprint meteen naar de zinkende BMW en roept luidkeels om hulp. Achter het stuur zit een van de meest getalenteerde schrijvers van zijn generatie: winnaar van de Anton Wachterprijs in 1996 en genomineerd voor de Libris Literatuurprijs in 1999. Nanne Tepper (50) zinkt naar de bodem van het Reitdiep, en heeft er vrede mee. Hij pakt zelf zijn puutje om nog een laatste sjekkie te draaien, zal hij later tegen zijn overbuurvrouw Marjon vertellen.

Thomas Meijer stapt het water in en probeert – kloppend op het raam – contact te zoeken met Tepper. ‘Hij reageerde wel, maar sloom, hij keek heel wazig uit zijn ogen.’ Hij instrueert Tepper om zijn gordel af te doen en opent het portier: het water stroomt naar binnen en direct begint de auto naar het diepe midden van het Reitdiep te schuiven. Op dat moment schiet Stef Bergen, die in een naburige tuin een schuurtje aan het bouwen is, te hulp. Wat hem vooral verbaast is dat de bestuurder doodkalm blijft zitten. ‘Ik zou panisch worden in zijn situatie,’ zegt Bergen. ‘Ik had het idee dat hij onder de medicatie zat.’

Terwijl Meijer met al zijn kracht de deur verder opent, trekt Bergen de schrijver aan zijn kraag uit de bestuurdersstoel. ‘Dat ging wel makkelijk, hij had een leren jas aan en woog bijna niks. We waren net op tijd, want toen ik hem omhoog trok ging die auto tegelijkertijd naar het diepe. De bestuurder deed niets, hij zei dat hij niet kon zwemmen en had ook helemaal geen kracht.’

Volgens overbuurvrouw Marjon was er meer aan de hand. ‘Nanne was er helemaal niet blij mee dat ze hem wilden redden. Hij was er wel klaar mee, met het leven.’

Tepper zelf schrijft zes dagen later op Goner Records Message Board, een obscuur Amerikaans forum voor liefhebbers van garagerock, het volgende: ‘Het zou misschien opwindend moeten zijn, maar ik voelde me kalm en tevreden terwijl ik naar de bodem zonk.’ Hij is wel vol lof over zijn redders, ‘echte helden. Ik was het liefste verdronken, maar ik wilde ze geen trauma bezorgen.’

Vijf maanden later, nog voor Meijer en Bergen op het stadhuis worden onderscheiden voor hun heldendaden, maakt Nanne Tepper alsnog een einde aan zijn leven.

Foto: Privéarchief Foto: Privéarchief

Hartstochtelijke fans

Een leven dat vooral wordt vereenzelvigd met het boek waarmee hij op z’n drieëndertigste debuteerde: De eeuwige jachtvelden, een van drank doortrokken roman over een incestueuze relatie tussen een broer en een zus. ‘Een even voortreffelijk als intrigerend debuut’, vond De Groene Amsterdammer. ‘Meeslepend’, schreef de Volkskrant. NRC-recensent Hans Goedkoop was lyrisch, en vergeleek Teppers stijl met die van Salinger, Nabokov en Reve.

‘Iedereen voelde wel aan dat hier iets bijzonders aan de hand was,’ zegt Thomas van den Bergh, sinds 2009 zijn redacteur bij De Bezige Bij. ‘Dit was een van de belangrijkste debuten in jaren. Je had kort daarvoor natuurlijk ook Grunberg gehad, en dit was van hetzelfde kaliber.’

Tepper had hartstochtelijke fans. Zoals de Groningse boekhandelaar Albert Hogeveen, die De eeuwige jachtvelden nog steeds het beste boek vindt dat na de Tweede Wereldoorlog is gepubliceerd. Hogeveen manoeuvreerde zich in 1996 zelfs in de jury van het Belcampo Stipendium met maar één doel: dat Tepper die prijs kreeg en zijn volgende boek kon schrijven. Zo geschiedde. En met dezelfde discipline als de jonge auteur werkte aan zijn debuut schreef hij in opdracht De avonturen van Hillebillie Veen, dat in 1997 in kleine oplage werd verspreid.

‘Dat is een groot meesterwerk,’ zegt schrijver Kees ’t Hart, die van 1995 tot 2002 intensief contact had met Tepper. ‘Ik bezocht hem zo’n vier keer per jaar en we correspondeerden veel. Hij schreef zeker zeventig brieven. Dat was iets om je op te verheugen. Hij was een gretige jongen die álles wilde weten.’

Kranten en tijdschriften wilden Tepper dolgraag in de kolommen. Na zijn debuut haalde toenmalig boekenredacteur Pieter Steinz hem naar NRC. ‘Zoals hij over muziek schreef: dat was absoluut bijzonder. Een schrijver die een grote voorliefde had voor keiharde rappers en rare bandjes uit de jaren tachtig. Hij had een heel eclectische smaak.’ Maar ook over Amerikaanse literatuur schreef Tepper memorabele stukken, vindt Steinz. ‘Bij sommige schrijvers en onderwerpen gaf hij echt iets wat anderen niet konden geven.’

Later publiceerde Tepper ook columns en recensies in het AD, OOR, voetbalblad Johan en Het Parool. ‘Ik kan mijn woede uiten in een columnpje,’ zei hij in 2003 op de VPRO-radio, ‘maar dat doe ik niet in mijn boeken, dat zijn nooit wraakexercities. Het moet wel kunst blijven.’

'Dat je dacht: met zijn volgende boek gaat hij de status van een van de groten bereiken'

Drie jaar na zijn debuut publiceerde hij De vaders van de gedachte. Deze kleine roman werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. Tepper was zesendertig jaar en de literaire wereld lag voor hem open. Steinz: ‘Hij was een romancier waarvan je zeker wist dat hij het perfecte boek ging schrijven. Zijn eerste boeken zijn natuurlijk heel mooi, maar je voelde dat hij nog veel meer kon. Dat je dacht: met zijn volgende boek gaat hij de status van een van de groten in de Nederlandse literatuur bereiken.’

Gedonder in het hoofd

Nanne Tepper werd in 1962 geboren in Hoogezand. Zijn vader Jannes was chemicus in de aardappelmeelindustrie, zijn moeder Jelly een ondernemende huisvrouw. Een paar jaar na haar eerste kind beviel zij van nog een zoon: Wim. In 1972 verhuisde het gezin naar Veendam. De jonge Nanne vond het er verschrikkelijk, een gevoel dat hij later ook vertolkte in zijn debuut en in De avonturen van Hillebillie Veen, die beide grotendeels in de veenkoloniën spelen.

Sonja, zijn enige grote liefde, was veertien toen ze Tepper leerde kennen. Het moment dat ze voor hem viel, lijkt op een scène uit De avonturen van Hillebillie Veen. Sonja: ‘Nannes jeugdliefde was mijn vriendin. Ik vond hem heel pittig, bepaald niet op zijn mondje gevallen. Op een dag vroeg hij mij: “Kan ik jou na schooltijd even spreken in het fietsenhok, maar zij mag dat niet weten.” Hij had een ring voor haar gekocht en vroeg: “Denk je dat ze die wel mooi zou vinden, of moet ik een andere kopen. Wat vind jij ervan?” En toen zag ik opeens die héél kwetsbare kant bij hem. Nou ja, toen ben ik eigenlijk wel gevallen. Want dat was een kant die je niet snel te zien kreeg.’

En die zelfverzekerde, welbespraakte jongen, met dat lange haar, cowboylaarzen en die peuk dan? ‘Dat was om zich te wapenen tegen de buitenwereld. Nanne was extreem gevoelig. Hij was heel bang om gekwetst te worden. Zijn hoofd zat altijd vol kleuren en geuren; hij deed ontzettend veel indrukken op. Toen had hij ook al zwaarmoedige perioden.’

‘Gedonder in het hoofd’, noemde Tepper dat zelf op de VPRO-radio. ‘Muziek hield me op de been toen ik jong was.’

Op z’n achttiende vluchtte hij naar de stad Groningen, waar hij zich inschreef voor de lerarenopleiding. Tepper werd ook meteen actief in de popscene en richtte in 1980 samen met een vriend RTC (Rocking Teenage Combo) op, een experimentele groep die op allerlei instrumenten speelde, soms zelfs op een levende kat. Na zijn vertrek begon hij de garagerockband Imaginary Diseases. ‘Het ene na het andere bandlid wordt gek,’ meldt de website van Poparchief Groningen. ‘Vandaar de vele bezettingswisselingen.’ Oud-bandlid Johanz Westerman herinnert zich wel ‘dat de andere gitarist veel psychiatrische hulp kreeg vanwege de drank en is opgenomen. We hebben niet veel opgetreden, wel een demo gemaakt. Nanne dacht goed na over zijn gitaarsound. En zijn stem, dat was ook echt gewoon goed. Hij was niet ambitieus, maar wel perfectionistisch.’

Foto: Privéarchief Foto: Privéarchief

In 1982 betrok Tepper met Sonja een grote kamer in een studentenhuis. Ze werden buren van dichter en schrijver Wouter Godijn: ‘Ik was zesentwintig, was net gestopt met mijn studie en van plan om schrijver te worden.’ Tepper studeerde nog aan de lerarenopleiding, maar wilde eigenlijk ook alleen nog maar schrijven. Sonja: ‘Hij moest dat doen. En dat zag ik ook. Op een gegeven moment besloten we dat hij zijn opleiding niet af zou maken en zou kiezen voor het schrijverschap. Dat was nogal wat, want op dat moment was het helemaal niet duidelijk of hem dat zou gaan lukken.’

Godijn: ‘Binnen een paar maanden kwam hij al aan met het verhaal ‘Duizelingen’. (Dat later ook in De eeuwige jachtvelden werd opgenomen, IW). Ik las dat en dacht: jééézus, wat is dit goed zeg. Dit gaat iets geweldigs worden.’

Melodrama

Toch duurde het nog tien jaar voordat Tepper zijn eerste boek zou publiceren. Hij begon eerst aan een lijvige roman waarover hij later in NRC zou beweren dat hij die uiteindelijk door een vriend aan de voet van de Rocky Mountains had laten begraven. ‘Een gedrocht van een boek waar ik tien jaar aan heb zitten peuteren. (…) Ik heb een groot zwak voor melodrama. Ik wilde door dat begraven letterlijk tot uitdrukking brengen: zand erover.’

‘Ik ben daar niet zeker van,’ zegt Godijn, ‘en ik denk zelfs dat er nog een exemplaar op mijn zolder ligt. Dat ligt een beetje gevoelig, want toen ik dat tegen Nanne zei, antwoordde hij: “Als je daar óóit iets mee doet dan kom ik je straffen. Zelfs als ik dood ben dan keer ik terug uit het hiernamaals.” Dus ik ben wel huiverig om er iets mee te doen. Ik heb ook geen idee meer hoe goed of slecht het is. Het zal iets chaotischer zijn, want Nanne was nog heel jong toen. En altijd wel onder invloed van iets. Heel lang was dat een combinatie van alcohol en hasjiesj. Je zou kunnen zeggen dat hij nuchter het leven onverdraaglijk vond.’

Toespelingen op zelfmoord maakte hij toen ook al. ‘Dan had Nanne een nieuw huis betrokken met Sonja en zei hij: “Wouter, ik moet hier weer weg want ik moet steeds vaker naar het plafond kijken en dan denk ik: houdt dat nou wel?”’

Het was Sonja die hem op de rails hield, zegt Godijn. ‘Zij had een bijna ouderwetse manier van zichzelf wegcijferen voor de man in haar leven. Hij koos voor een antiburgerlijk bestaan en zij vond echt: ik moet hem verzorgen. Haar eigen ambities leek ze daar heel erg aan ondergeschikt te maken.’

Sonja: ‘Ik sta en stond anders in het leven dan Nanne. Ik keek er allemaal wat positiever tegenaan. Maar ik kon ook gewoon regelen dat het leven doorging. Als Nanne in een boek zat, dan was hij weg. Dat er dan ook nog eens een was gedraaid moest worden was niet zo belangrijk. Dan haalde hij ook nachtenlang door en was hij helemaal gesloopt. En daar wilde ik wel af en toe een stokje voor steken. “Hé joh, een beetje uitkijken, je moet volgende week ook nog.”’

Die bezetenheid staat Thomas van den Bergh – destijds als jonge redactiesecretaris van literair tijdschrift Optima ook nauw betrokken bij de eerste verhalen van Tepper – nog helder voor de geest. ‘Nanne was altijd heel erg gebrand op de details, wou ook altijd nog de drukproeven zien. Wat ik mij goed herinner is zijn bezetenheid en hoe hij al sprak over zijn leven en positie in de literatuur. Hij was vastbesloten om romancier te worden en grote dingen te gaan doen.’ Zo gebeurde het, al moest zijn leven daarvoor eerst ingrijpend veranderen.

Meesterwerk

Volgens Wouter Godijn viel de bloeiperiode van Tepper samen met zijn medicijngebruik. ‘In 1994 stapte hij over op Prozac. Dat werkte een tijd heel goed, toen hoefde hij ook niet meer te drinken en blowen en werd hij heel productief. En in één keer ontstond een boek waarvan ik dacht: wat krijgen we nou, dit is een meesterwerk.’

Van den Bergh: ‘Toen hij De eeuwige jachtvelden schreef, dat was zijn gelukkigste tijd. Dat heeft hij als heel bijzonder ervaren, dat je in zo’n wereld kon stappen. En alles naar je hand kon zetten.’

'De glamourkant van de literaire wereld kon hem gestolen worden. Naar het boekenbal? Alsjeblieft niet zeg'

Het gaf zijn leven structuur. ‘Nu ik discipline heb, is het leven genietbaar,’ zei Tepper daar indertijd zelf over. ‘Ik heb het leven lange tijd tamelijk afschuwelijk gevonden en was vrij veel tijd kwijt met het voorkomen dat ik aan de hanenbalken ging hangen. Door de kunst heb ik het leven leren accepteren.’

Dat hij meteen succes oogstte, verraste Tepper, maar veranderde hem niet. ‘Die erkenning was ongetwijfeld fijn,’ zegt Kees ’t Hart. ‘Maar de glamourkant van de literaire wereld kon hem gestolen worden. ‘Naar het Boekenbal? Absoluut niet! Stel je voor zeg. En hij hoefde ook niet met z’n kop op tv. Nee, geen sprake van!’

Tepper toog nog wel naar Harlingen waar hij in 1996 de Anton Wachterprijs kreeg uitgereikt. Tijdens die feestelijke gelegenheid werd hij meermaals aangeklampt door de weduwe Vestdijk, die hem toevertrouwde dat ze zijn debuut maar armzalig vond. Wat aan Tepper de verzuchting ontlokte, herinnert bevriend schrijver Max Niematz zich: ‘Had ik mijn boksbeugel maar bij me.’

De eeuwige jachtvelden werd geen megabestseller, maar dat had het wel kunnen worden, zegt Wouter Godijn. ‘Ik maak in mijn hoofd altijd de vergelijking met Tommy Wieringa, die minder publiciteitsschuw was. Als Nanne net zo had omgegaan met de media, dan had De eeuwige jachtvelden net zo’n succes kunnen worden als Joe Speedboot.’

Tepper mocht dan geen groot mediabespeler zijn, privé was hij in die jaren ‘heel onderhoudend en grappig’, zegt Godijn. ‘En beminnelijk, op een aparte manier. Ik was echt aan hem gehecht. En hij kon schrijvers echt bewonderen. Was vol lof over Nederlandse auteurs. Geerten Meijsing, Kees ’t Hart, Atte Jongstra, Van der Heijden.’

Zijn grote voorbeelden waren Nabokov en Faulkner, maar ook David Foster Wallace, wiens leven achteraf opmerkelijke parallellen met dat van Tepper vertoonde. Foster Wallace was een notoire drinker en blower die aan hevige depressies leed. Na zijn meesterwerk Infinite Jest viel het schrijven hem steeds zwaarder. Kort nadat hij was gestopt met het slikken van antidepressiva, verhing hij zich in september 2008 op de binnenplaats achter zijn woning.

Ontoerekeningsvatbaarheid

Teppers bloeiperiode was van korte duur. Na het sombere De vaders van de gedachte ging het romanschrijven steeds moeizamer. Sonja: ‘Hij maakte composities. Net als bij een orkest, dat bestaat uit veel instrumenten. Dat was een enorm geschuif en dat ging op een gegeven moment niet meer, omdat het te vol was in zijn hoofd.’

In 1999 kwam het omslagpunt, dat Tepper later beschreef in een column in Het Parool: ‘De allerlaatste keer dat ik mezelf als schrijver serieus nam, was toen ik met mijn Verklaring van Volledige Ontoerekeningsvatbaarheid het ziekenhuis verliet, op dat malle medicijn was gezet dat meer dan tachtig procent van mijn dagelijkse inspiratie dempte (en ondertussen in een belachelijke briefwisseling met het Fonds voor de Letteren was beland).’

In een volgende column beklaagde hij zich weer over het Fonds voor de Letteren: ‘Dan krijg je een gulden toegeworpen met de boodschap: koop daar maar een ijsje voor.’ Volgens de jaarverslagen van het Fonds ontving Tepper in 1999 en 2000 een werkbeurs van in totaal 55.000 gulden voor het schrijven van een roman en essaybundel, gevolgd door een overbruggingsbeurs van 30.000 gulden in 2001 voor het voltooien van de roman.

Maar van voltooiing was nog lang geen sprake. ‘Hij kreeg een heel zware depressie in 2000,’ zegt Sonja ‘en toen heb ik ook gedacht: dit gaat hij niet redden. Daar heeft hij zich toch weer uit geknokt, maar sindsdien is het nooit meer helemaal goed gekomen. Hij heeft altijd wel medicijnen gebruikt, maar het probleem bleef dat de bijwerkingen te zwaar waren.’

Tepper had al vijf jaar geen boek gepubliceerd, maar de buitenwereld had nog steeds hoge verwachtingen van hem. Vrij Nederland vroeg in maart 2003 aan literatuurcritici welke tien Nederlandstalige schrijvers, begonnen in de jaren negentig, ertoe deden. Tepper werd na Erwin Mortier, Arnon Grunberg en Manon Uphoff het meest genoemd.

'Wat een vreselijke uitvinding, de schepping.'

Hoewel het met die roman niet wilde vlotten, kreeg Tepper nog wel columns en recensies uit zijn pen die van groot talent getuigden. Vlijmscherp maar ook kwetsbaar zijn de stukjes die hij van 2003 tot 2005 voor VPRO’s 3voor12 schreef. In het radio-interview waarin Tepper als nieuwe columnist werd geïntroduceerd, werd hem gevraagd naar zijn drijfveren in het leven. Schijnbaar achteloos antwoordde hij: ‘De angst voor zelfmoord, zal ik maar zeggen. Als ik zeker wist dat er na dit alles niets kwam, dan was ik er allang mee opgehouden.’ En over de treinreis naar de radiostudio: ‘Tweeënhalf uur met al die mensen in één ruimte. Als ik een uzi had, dan liep het bloed langs de ramen. Wat een vreselijke uitvinding, de schepping.’ Zijn grote liefde Sonja was een van de zeldzame mensen die zijn goedkeuring konden wegdragen. ‘Er is geen vrouw die ook maar in haar schaduw kan staan.’

‘Natuurlijk was het moeilijk,’ zegt Sonja, ‘maar ik kreeg er ook heel veel voor terug. Nanne was een heel gepassioneerd mens. Ook in de liefde. Maar na die grote depressie heb ik ook wel eens momenten gehad dat ik de deur open deed en dacht: is hij er nog? De depressies werden steeds zwaarder en moeilijker om overheen te komen. Dat zijn enorme gevechten geweest. Op een gegeven moment red je het niet meer.’

Hun relatie liep stuk, iets waar Tepper volgens zijn vriend Wouter Godijn ‘heel erg onder gebukt ging’.

Donker en grijs

Na een korte uitstap naar Amsterdam, waar hij introk bij een alleenstaande moeder, keerde Tepper terug in zijn habitat: de stad Groningen. Hij betrok een compacte koopwoning in de Noorderplantsoenbuurt. Dat hij op de lerarenopleiding ook het vak huishoudkunde had gevolgd, wist hij goed te verhullen. Jan Kooi, mede-eigenaar van de in Amerikaanse garagerock gespecialiseerde platenzaak Elpee, kwam wel een eens langs, meestal om platen te brengen. ‘Er hing een sombere sfeer in dat huis. Het was er donker en grijs. En hij rookte natuurlijk als een ketter.’

Nadat Godijn een aantal jaren gebrouilleerd was geweest met Tepper zocht hij hem in 2006 weer op. ‘Waar ik erg van schrok was dat Nanne al zijn boeken uit het zicht had gezet. In zijn vorige woningen stonden die altijd zo mooi mogelijk in de kast; nu had hij ze verbannen naar een zolderkamer. “Dan hoef ik ze niet te zien,” zei hij. Hij las ook nauwelijks meer. En ten slotte vond hij helemaal niets meer goed. Daarom werd het ook steeds moeilijker voor Nanne om zelf iets te maken.’ Godijns aanmoedigingen om het schrijven geleidelijk weer op te pakken haalden niets uit. ‘“Dat kan ik niet! Dat wil ik niet!” riep Nanne dan. Hij kon niet accepteren dat die toestand van heldere waanzin waarin hij die boeken had geschreven hem had verlaten. Hij wilde dat het in die vorm precies weer terugkwam.’

Foto: Harry Cock Foto: Harry Cock

Ondertussen kwam Tepper steeds vaker in aanraking met de Groningse politie. Godijn: ‘Als Nanne met zijn auto door de stad reed en hij raakte vertoornd omdat iemand in het verkeer iets deed wat niet moest, dan achtervolgde hij die door de stad, reed hem klem en begon tegen die mensen te briesen, zoals hij dat noemde. Dan kwam de politie erbij en die voerde hem dan af. Later zei hij dan lachend: “Ze vinden het niet leuk hoor, die agenten, als je ze met de dood bedreigt.”’

Godijn stapte ten slotte met lood in de schoenen over de drempel van Teppers voordeur: ‘Ik voelde wel angst als ik bij hem thuis was. Hoe hij praatte, heel agressief, met een dreigende ondertoon. Hij bombardeerde mij met allerlei verwijten: dat ik niet genoeg aandacht aan hem besteedde, dat ik mijn ziekte (multiple sclerose, IW) gebruikte om publiciteit te trekken.’

De twee gezworen vrienden hebben elkaar voor het laatst gezien in 2008, toen Godijn de dichtbundel De zieken breken had gepubliceerd. ‘Twee keer kwam er in zijn nadagen iets van mij uit en beide keren begon hij juist toen hele bizarre conflicten met me. Het leek er sterk op of hij dat moeilijk te verdragen vond. Dan zette ik de mailbox open en kwamen er tien boze mailtjes in één keer binnen. Hij was toen geestelijk niet meer helemaal gezond. Het is natuurlijk bij schrijvers de vraag of ze dat ooit zijn, maar bij hem was het inmiddels zo dat hij vooral gek was en nauwelijks meer schreef. Ik heb vrij veel geslikt, tot ik het genoeg vond en eiste dat hij zijn excuses aanbood. En die kreeg ik niet. Hij leek dankbaar gebruik te maken van deze uitweg die ik hem bood. Volgens mij deed hij dat met iedereen in de literaire wereld.’

In de muziekwereld had Tepper nog wel warme contacten. Hij kwam nog een keer per maand bij Elpee, om vinyl in te slaan. Jan Kooi: ‘Wij merkten ook niet zoveel van zijn depressiviteit, als Nanne over muziek praatte was hij altijd enthousiast.’ Kooi zag zijn trouwe klant wel achteruit gaan. ‘Hij was altijd moe, slecht ter been. Nanne wist zelf ook niet precies wat hij mankeerde. Het enige dat hij zeker wist was dat het steeds slechter ging.’

Muziek, zijn grote liefde, was het enige waarover hij nog schreef. ‘Ik doe het uit pure passie,’ zei hij op de radio. ‘En omdat het door anderen zo slecht wordt gedaan.’

Foto: Harry Cock Foto: Harry Cock

Schotschriften

Dat deed hij ten slotte alleen nog voor OOR. ‘Ik had wel wat met Nanne te verduren,’ zegt hoofdredacteur Erik van den Berg. ‘Hij leverde altijd veel te lange recensies in, waaruit ik dan driekwart moest schrappen, met pijn in het hart want ze waren prachtig geschreven. En dan was het weer ruzie. Maar hij was altijd weer welkom. Nanne had al jaren een uitkering, dus we hoefden hem niet eens te betalen. Het schrijven ging wel steeds moeizamer en hij werd steeds onhandelbaarder.’

De definitieve breuk had ook een vreemde aanleiding. Tepper was in april 2011 uitgenodigd voor het veertigjarige jubileumfeest van OOR in Paradiso. ‘Hij reageerde met een woedende mail, want ik zou hem in een voorwoord hebben genoemd. “Wat wij wel niet dachten door hem uit te nodigen!” Ik weet niet op welk stuk hij doelde. Hij kon de werkelijkheid niet meer zo goed onderscheiden van zijn fantasie.’

Na zijn vertrek bij OOR publiceerde Tepper alleen nog op het obscure Goner Message Board, waar hij onder het pseudoniem Ding Le Dangle vooral schotschriften de wereld in stuurde. Het door hem jarenlang bestudeerde idioom van de gangsterrap kwam hem daarbij goed van pas.

Tot Jan Kooi bij een van de ouwehoersessies in zijn platenzaak vroeg of hij wilde schrijven voor zijn blaadje Prime Time Magazine, een dubbelzijdig gekopieerd A4’tje dat niet heel regelmatig maar wel gratis wordt verspreid onder een paar honderd lezers. Op 21 januari 2012 maakte Tepper zijn rentree als recensent, met de rubriek ‘Roar Ploatje – Roar Proatje’. Er zouden negen afleveringen verschijnen, die, zijn gesteldheid ten spijt, stuk voor stuk van hoog niveau waren: messcherp, welhaast ritmisch, met veel humor en originele taalvondsten. Teppers bijdragen bezorgde Prime Time Magazine zelfs een golfje nieuwe abonnees.

Zijn redacteur Thomas van den Bergh had ook nog steeds de hoop dat de romancier Tepper weer zou opstaan. ‘Die belofte hing nog steeds om hem heen. Voor hetzelfde geld had hij zich aan zijn haren uit het moeras omhoog getrokken en hadden we in 2014 die grote roman gehad.’ Van den Bergh reisde begin 2012 zelfs naar Groningen om een laptop te brengen. ‘Omdat Nanne niet meer langdurig achter de computer kon zitten. Met die laptop kon hij liggend op de bank tikken. Die kreeg hij van De Bezige Bij in bruikleen.’

Van den Bergh belde of mailde een keer per maand met de auteur die al veertien jaar geen nieuw literair werk van belang had gepubliceerd, maar bij vlagen nog koortsachtig bezig was met zijn volgende boek ‘Harmoniën’. ‘Dit moest zijn grote roman worden. Nanne mailde mij ook dat hij al hele schema’s maakte, of dat hij op geeltjes aantekeningen had geschreven. Ik hoefde hem niet te motiveren. Hij wilde niets liever dan dat boek schrijven, het zat hem ook enorm dwars dat het niet lukte. Maar in al zijn ellende kon hij daar ook met veel humor over schrijven.’ Hij leest een citaat voor uit een mail: ‘Lig gemiddeld twintig uur per dag plat. Bellen blazen en spoken spotten. Kamperen in het enge bos met een brein van Brinta.’ Van den Berg: ‘Dat is toch prachtig. Je krijgt er tranen van in je ogen, maar zo erg was het dus.’

Hevige stemmingswisselingen

Het is 19 juni 2012, drie dagen na het auto-ongeluk op de Wilhelminakade. Nanne Tepper belt zijn redders op. ‘Hij vertelde dat hij twee dagen alleen maar op de bank had gezeten,’ zegt Stef Bergen. ‘Hij was heel dankbaar en blij dat hij nog leefde.’

In de maanden die volgen doet Tepper op Goner Message Board fragmentarisch verslag van zijn leven, dat wordt gekenmerkt door hevige stemmingswisselingen.

10 augustus: ‘Twee dagen geleden kreeg ik nieuws dat me blijer maakte dan ik ooit in mijn leven ben geweest.’

16 augustus: ‘Er is geen plaats meer voor mij in deze maatschappij and getting that far almost cost me, and soon will cost me my life, and I don’t give a flying fuck.’

'Hij zag eruit als een levend lijk. Maar hij kon nog prachtig vertellen.'

Johanz Westerman, zijn oude bandmaat, komt Tepper in die dagen regelmatig op straat of bij de snackbar tegen. ‘Hij zag eruit als een levend lijk. Maar hij kon nog prachtig vertellen. Als Nanne praatte, viel ik stil. Hij sprak nog heel geestdriftig over muziek en zat de laatste tijd heel erg in de zwaar feedbackende, overstuurde Japanse noise. Deconstructieve muziek die je alles doet vergeten, je losmaakt voor de ultieme zelfdestructie. Na die muziek is er ook niks meer.’

Westerman loopt Tepper in de eerste week van november nog één keer tegen het lijf. ‘Nanne was heel uitgelaten en ik had helaas geen tijd voor een lang gesprek, maar merkte wel: hij is met leuke dingen bezig. Hij was toen ook al heel erg dingen aan het afsluiten, wilde ook nog iets met die oude opnamen van onze band doen.’

Zaterdag 10 november is een geheel bewolkte dag. Het is nog ochtend als Jannes en Jelly Tepper aanbellen bij het huis van hun oudste zoon. Er wordt niet opengedaan. Ze openen de deur met een eigen sleutel en treffen zijn levenloze lichaam aan. ‘Daarna kwam de politieauto,’ zegt overbuurvrouw Marjon. ‘Ze hebben hem niet meer proberen te reanimeren.’

‘Nanne was een práchtige jongen,’ zegt Kees ’t Hart. ‘Zo’n eeuwige jongen, die alles afkeurde en alles liefhad en dat dwars door elkaar. Wat wil je nou nog meer voor een schrijver? Dat zijn mooie eigenschappen hoor! Ik vond hem echt goed. En er had veel meer aan kunnen komen. Verdomme zeg. Shit.’

Wouter Godijn is na Teppers dood weken van slag. Hij herleest diens boeken en krijgt die ene sombere gedachte maar niet uit zijn hoofd. Vier dagen voor de zelfmoord van zijn oude vriend werd bekend dat Godijn de Jan Campert-prijs 2012 had gewonnen voor de bundel Hoe H.H. de wereld redde. ‘Ik weet niet of daar een relatie tussen bestond. Maar het zou kunnen, dat dat hem misschien net dat duwtje heeft gegeven. Ik word daar niet blij van, van die gedachte.’

Voor de bladwijzer bij dit artikel, met daarin een interview met de VPRO waarin Tepper opvallend openhartig vertelt over zichzelf, klikt u hier.

Dit is goed! Ik ontvang graag wekelijks verhalen in mijn inbox

E-mailadres *
Ja, ik wil graag de VN Nieuwsbrief ontvangen

Neem nu een
abonnement
Jaar
Half jaar
Kwartaal
Proef
Papier en digitaal
Alleen digitaal