VN MediagidsBureau Jeugdzorg, deel 3: 'Gewoon zeggen dat pappa in de gevangenis zit'
Samenleving / jeugdzorg 12.05.2009
'Ik wil ze zo snel mogelijk zien, straks denken ze dat ik niet om ze geef.' In deze laatste aflevering van een drieluik over Bureau Jeugdzorg: de jeugdbescherming.
16-05-2009
Door Margalith Kleijwegt
Wendy legt haar agenda plechtig voor zich op tafel. Het is een stevig exemplaar met een zwarte leren kaft. Af en toe bladert ze erin en streelt ze bijna liefkozend de pagina’s. Ze heeft het ding altijd bij zich, al haar afspraken met hulpverleners staan erin.
Drie van hen zitten vanmiddag rond de tafel. Jennifer, begin dertig, is gezinsvoogd van de twee jongste kinderen, Aman en Django. Binnen Bureau Jeugdzorg nieuwe stijl is zij de casemanager. Zij kijkt welke hulp iedereen nodig heeft en controleert eens in de paar weken of alles nog goed gaat.
Jennifer, vrolijk en direct, is met haar acht jaar ervaring voor Jeugdzorgbegrippen een veteraan. Margriet, die naast haar zit, is van de afdeling pleegzorg van Spirit, de organisatie die de jongetjes begeleidt nu ze niet meer thuis wonen. En dan is er nog een medewerker van de psychiatrische kliniek Dijk en Duin. Zij ondersteunt Wendy. Als het leven haar te veel wordt, kan Wendy, gediagnostiseerd borderliner, zich elke drie maanden een week in Dijk en Duin laten opnemen, een mogelijkheid waar ze graag gebruik van maakt.
Op tafel staan kannen thee en koffie. Wendy, gekleed in een pied de poule-jasje, de zoom van de mouw zit los, schenkt zichzelf voortdurend in. Is het dorst? Of houdt ze haar zenuwen op deze manier beter in bedwang?
De moeder van Aman en Django is verdrietig over haar leven, zegt ze met een wat lijzige stem. ‘Wat ik heb meegemaakt, doet zoveel pijn.’ Een moeilijke jeugd, twee kapotgelopen relaties, drie kinderen die bij haar werden weggehaald. ‘Echt, ik heb veel verdriet.’
Als Jennifer en Margriet begripvol hebben gereageerd, wil Wendy weten hoe het gesprek die ochtend is verlopen. Haar ex, Jerry, ‘ik heb zoveel liefde voor die man gevoeld’, had een afspraak met beide dames. ‘Goed,’ zegt Jennifer, ‘het ging prima.’
Om tien over negen die ochtend was Jerry de spreekkamer van Bureau Jeugdzorg binnengestapt, een beetje verlegen leek het wel. Hij legde zijn zonnebril op tafel en zei tegen Margriet: ‘Dus jij ziet mijn kinderen vaak.’
Margriet antwoordde licht blozend: ‘Ja, dat is zo. Goed dat ik jou nu ook eens zie.’
Ze vertelde over de band die ze met zijn zoontjes heeft opgebouwd: ‘Het zijn echt schatjes.’
Via zijn ex had Jerry gehoord dat de pleegmoeder van Aman en Django fysieke confrontaties met een van haar eigen kinderen heeft gehad. Wat moest hij daarvan denken? ‘Je kinderen zijn daar veilig Jerry,’ zei Jennifer, ‘We hebben de zaak grondig uitgezocht.’
Jerry liet zich gemakkelijk geruststellen, bovendien beloofde Jennifer dat hij een brief van haar manager zal krijgen waarin haar woorden nog eens bevestigd zouden worden.
Anderhalf jaar geleden werd Jerry door de politie opgepakt omdat hij zijn vrouw ernstig had mishandeld. De kinderen, nu zeven en vijf, waren getuige van het geweld. Jerry ontkent de aanklacht, zijn hoger beroep dient binnenkort. Voorlopig moet Jerry nog tot juli 2010 zitten, maar af en toe mag hij met verlof. Aan het eind van de ochtend moet hij weer naar de gevangenis. Tot nu toe is zijn kinderen verteld dat hij met vakantie is, maar zo langzamerhand is het tijd voor de waarheid.
Jennifer: ’Ik wil ze gaan vertellen dat je in detentie zit. Hoe pakken we dat aan?’
Jerry met een verwachtingsvolle blik: ‘Ik wil ze zo snel mogelijk zien, straks denken ze dat ik niet om ze geef.’
Margriet: ‘Aman vraagt veel naar je.’
Jerry, met een trotse glimlach: ‘Hij is al zeven, natuurlijk denkt hij hierover na.’
Margriet: ‘Ik heb de situatie met onze orthopedagoog besproken, die zei dat we het beste kort en duidelijk kunnen zijn. Gewoon zeggen dat pappa in de gevangenis zit. En als Aman vraagt waarom, zeggen we dat je iemand pijn hebt gedaan.’
Het is in deze spreekkamer die ook dienst doet als speelkamer, dat Jerry zijn kinderen over een paar weken zal ontmoeten. Jennifer wil dat hij zich goed voorbereidt op het weerzien, hij moet bedenken hoe hij die drie kwartier met ze zal doorbrengen. Een spelletje misschien? Voorlezen? Jerry belooft erover na te zullen denken.
Het gaat redelijk goed met de jongens, vertelt Jennifer, op hun nieuwe school zijn ze inmiddels helemaal gewend. De twee voelen zich op elkaar aangewezen en daarom hangen ze aan elkaar. Django slaapt in bed bij zijn oudere broer, als hij alleen ligt, raakt hij in paniek.
Jerry: ‘Ik begreep dat Aman misschien een lichte vorm van autisme heeft.’
Jennifer: ‘Hij heeft soms last van dwanghandelingen, we houden het in de gaten, als het niet beter wordt, kunnen we dat gaan onderzoeken.’
Tegen de afspraak in hebben Jerry en Wendy in de afgelopen week contact met elkaar gehad. Jennifer wil weten waarom. Jerry legt uit dat Wendy hem belde om over de toestanden in het pleeggezin te praten. Jennifer vergeeft het hem, maar hij moet beloven geen contact meer met haar te zoeken. Bureau Jeugdzorg, zegt ze, zal beide ouders een brief sturen om deze afspraak nog eens te bevestigen.
Werken met weerstand
Het kantoor van Bureau Jeugdzorg in Zaandam staat vlak bij het station. Naast de ingang is het rookplekje waar altijd dezelfde mensen staan. Binnen is de sfeer geanimeerd, er is veel onderling overleg en als je je even wilt terugtrekken, is er een stilteruimte die op afgesproken uren dient als kolfruimte voor de jonge moeders.
De jeugdbescherming is misschien wel de duidelijkste afdeling binnen Bureau Jeugdzorg. De gezinsvoogden van jeugdbescherming voeren een door de rechter opgelegde maatregel uit. In Amsterdam en omstreken stonden vorig jaar zo’n 2400 jongeren onder toezicht, tweehonderd meer dan in 2007. Landelijk stonden toen 43.590 kinderen onder toezicht, dat was een stijging van 11,8 procent ten opzichte van 2006.
Bij een ondertoezichtstelling (ots) bemoeit een gezinsvoogd zich in opdracht van de rechter met de opvoeding van kinderen die in een kwetsbare positie verkeren. Meestal staan ouders niet te springen om deze bemoeienis. ‘Wij werken met weerstand,’ zegt Jennifer monter. Als kinderen niet thuis kunnen blijven wonen, gaan ze naar een pleeggezin of een gesloten tehuis. De plaatsen liggen niet voor het oprapen, sterker nog, er bestaan overal wachtlijsten.
De gezinsvoogd is de casemanager, de schakel/regisseur tussen ouders, kind en hulp. Soms kunnen kinderen die onder toezicht zijn gesteld thuis blijven wonen en krijgen ze als het nodig is daar extra hulp. Zoals Carola, die onder toezicht werd gesteld toen haar moeder haar vader had neergestoken. Ze woont nu bij haar vader en haar voogd regelde begeleiding door hulpaanbieder Altra. Die wil eigenlijk dat ze met een psycholoog gaat praten, maar daar heeft Carola geen behoefte aan. Het gaat goed zo bij haar vader.
Dat er steeds nieuwe hulp wordt aangeboden, zie je wel vaker. Hulpverlening is big business. De hulpaanbieders willen zoveel mogelijk onderzoeken en therapieën slijten, en het idee was dat Bureau Jeugdzorg als onafhankelijke verwijzer de wildgroei zou tegenhouden. Dat lijkt niet helemaal te zijn gelukt.
Zo verdrietig
In het gezin van Wendy en haar ex Jerry gaat veel tijd zitten: de kinderen, de pleegouders, de moeder en de vader worden begeleid. En alles moet op elkaar worden afgestemd en opgeschreven. In het leven van Jerry zijn drie hulpverleners: Margriet, Jennifer en de reclasseringsambtenaar in de gevangenis. En dat is nog niets vergeleken bij het aantal hulpverleners dat bij zijn ex-vrouw is betrokken. Naast Jennifer is er verder nóg een gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg. Zij is ook casemanager, maar dan van Timothy, de oudste zoon van Wendy uit een eerdere relatie, die nu bij zijn opa en oma woont in de buurt van Amsterdam. Omdat Spirit regionaal werkt, is niet Margriet, maar een andere maatschappelijk werkster voor Timothy en zijn moeder actief. Naast de mensen van Dijk en Duin die Wendy hulp bieden, begint binnenkort de psychiatrische intensieve thuiszorg (PIT), die elke week een aantal uren bij haar zal langskomen.
Voor een buitenstaander lijkt het nogal gecompliceerd, en het is maar goed dat Wendy een speciale hulpverleningsagenda heeft, maar volgens gezinsvoogd Jennifer is het in dit geval eigenlijk redelijk goed geregeld. Hoogleraar en orthopedagoog Jo Hermanns ziet dat anders. Hij pleit voor de zogenaamde wrap-around care. Eén hulpverlener zou de leiding moeten nemen bij een gezin als dat van Wendy en Jerry en dat zou in dit geval heel goed Jennifer kunnen zijn. ‘Zij moet met vader en moeder een plan kunnen maken en de mensen erbij zoeken. Natuurlijk kost dat veel tijd, die zou haar ook moeten worden gegund. Zo wordt het allemaal wat eenvoudiger en duidelijker. Dat het werkt, blijkt uit experimenten waarbij gezinsvoogden maar vier families onder hun hoede kregen. De ondertoezichtstelling duurde korter en het kostte minder geld.’
Die middag vertelt Wendy tijdens een bijeenkomst bij bureau Spirit hoe ze uitkijkt naar het driewekelijkse bezoek van haar kinderen. Morgen is het zover, Jennifer zal ze samen met een van de pleegouders komen brengen: ‘Het enige sprankje hoop in mijn leven is dat ik morgen de kinderen weer zal zien. Dat ik de moeder voor ze kan zijn die ik graag voor ze wil zijn. Daar verlang ik naar.’
Jennifer vertelt dat Aman het vorige bezoek moeilijk had gevonden omdat zijn moeder zo verdrietig was geweest, ze had alsmaar zitten huilen. Ze knikt: ‘Ik was zo verdrietig. Ik mis ze zo.’
Sinds kort mogen Aman en Django tijdens hun bezoekjes aan hun moeder alleen bij Wendy thuis zijn. De eerste keer kwam Jennifer onverwacht langs om te kijken of alles goed ging. De veiligheid van de kinderen gaat boven alles.
Golf van angst
Er is de periode vóór Savanna en de periode ná Savanna. De dood van de peuter, die in 2004 door haar moeder en stiefvader om het leven werd gebracht, heeft erin gehakt bij de jeugdbeschermers. Niet alleen de gruwelijke mishandeling van het meisje, maar ook het besef dat ze al jarenlang onder toezicht stond van Bureau Jeugdzorg, gaf een grote schok. Hoe had zoiets kunnen gebeuren? Wat had de gezinsvoogd over het hoofd gezien? ‘Er ging een golf van angst door de kantoren,’ weet werkbegeleidster Mirjam Laan nog.
Daaroverheen kwam alle media-aandacht en het besluit van de officier van justitie om de gezinsvoogd te vervolgen. Die was volgens justitie nalatig geweest: ze had moeten ingrijpen toen ze zag dat het meisje met blauwe plekken in haar gezicht rondliep. De smoesjes die de moeder van Savanna haar vertelde, namelijk dat ze zou zijn gevallen, had ze meer moeten wantrouwen.
De gezinsvoogd van Savanna stond er te veel alleen voor, zeggen haar collega’s in Zaandam nu. Haar werkbegeleider zou haar onvoldoende terzijde hebben gestaan bij het nemen van beslissingen. Erik Miltenburg, sinds een paar maanden de manager in Zaandam, benadrukt hoe belangrijk het is om in gecompliceerde zaken één verantwoordelijke aan te wijzen. ‘Dat iedereen zich betrokken voelt, is niet genoeg, er moet iemand zijn die zorgt dat er actie komt.’
Het werken met kwetsbare gezinnen is een voortdurende afweging van risico’s en er kunnen ook dingen fout gaan, weet werkbegeleidster Mirjam Laan. Zij neemt regelmatig de zaken met de gezinsvoogden door. Ze zien haar als een steun: ‘Een tijdje geleden kwam in het nieuws dat ouders in Purmerend hun twee kinderen hadden gedood. Ik hoorde het in het weekend en zat me thuis te verbijten. Ik vroeg me voortdurend af of we dat gezin misschien zouden kennen. Ik was opgelucht toen bleek dat dat niet het geval was. Raar eigenlijk, want het blijft natuurlijk een drama.’
Sinds de affaire-Savanna volgt de inspectie Bureau Jeugdzorg op de voet. ‘Ik vind het goed dat ze zo actief zijn,’ zegt Laan. ‘Voor Savanna toetsten ze nauwelijks.’ Ze vraagt zich alleen af of wát ze nu toetsen wel het allerbelangrijkste is. ‘Ze komen kijken of de checklists veiligheid wel allemaal goed zijn ingevuld.’ En het merkwaardige met die lijsten is dat je ze kunt invullen zonder het kind in kwestie ooit gezien te hebben.
Na de zaak-Savanna werden er meer klachten ingediend door boze ouders die het niet eens waren met de gang van zaken. Bureau Jeugdzorg was voortdurend negatief in het nieuws. ‘We voelden ons vogelvrij,’ herinnert Laan zich. ‘In die tijd klampten we ons vast aan dat woord veiligheid.’ Ze vonden het moeilijk om nog ontspannen hun werk te doen. Die kramp heeft in Zaandam een paar jaar geduurd. Nu is het minder, vindt Laan, al blijft veiligheid hét woord op de burelen van jeugdzorg. Het aantal jeugdbeschermingszaken in Zaandam neemt enorm toe: ‘Ik heb ook de tijd meegemaakt dat we bijna om werk verlegen zaten, dat we naar de brievenbus gingen om te kijken of er misschien een nieuwe zaak bijzat.’
‘Leefden we maar in de jaren twintig,’ mijmert Laan, ‘Met de hele familie eromheen. Natuurlijk was dat niet alleen een idylle, maar als het misging in een gezin, konden de kinderen meestal wel ergens worden opgevangen.’
Getrainde intuïtie
Eigenlijk heeft iedereen een hekel aan die enorme bureaucratisering. Niemand zit te wachten op nog meer formulieren en protocollen. ‘In wezen is het tamelijk eenvoudig, het gaat om mensen die hulp nodig hebben,’ zegt Laan.
‘Je hebt alleen wat aan een protocol als je het als een handleiding kunt gebruiken,’ meent hoogleraar sociologie Evelien Tonkens. Ze geeft een praktisch voorbeeld: ‘Als je een ei wilt bakken, pak je eerst een pan.’ In de tijd dat ze voor GroenLinks in de Tweede Kamer zat, hield ze zich intensief bezig met jeugdzorg. Wat haar betreft, had er een parlementaire enquête mogen komen. ‘Zo’n groot ingewikkeld instituut is een managersfantasie. De fantasie dat je iedereen naar één loket kunt sturen, suggereert helderheid, maar erachter ligt de woestijn. Ik pleit voor het model van de huisarts, één iemand die je bij je problemen helpt. Persoonlijke contacten zijn veel belangrijker dan doorverwijzingen en indicaties, want alleen als je iemand voor je neus ziet staan, kun je taxeren wat er aan de hand is. Getrainde intuïtie is zo belangrijk.’
De snelle wisseling van personeel is een probleem voor Bureau Jeugdzorg, ook in Zaandam kampen ze met vertrekkende jeugdbeschermers. In april namen drie mensen afscheid en in mei gaan er alweer twee weg. De tachtig zaken die ze achterlaten, moeten aan de achterblijvende collega’s worden uitgedeeld, met als gevolg dat die geen nieuwe zaken kunnen aannemen. Zo kan de wachtlijst gestaag groeien.
In de week dat ik in Zaandam rondliep, begonnen er twee nieuwe werknemers, jong en vrouw, net afgestudeerd. Joleen van vijfentwintig, cultureel antropologe, was helemaal nieuw in de Jeugdzorgbranche. Ze ging bij Mirjam Laan te rade ter voorbereiding op haar eerste gesprek met een moeder. Ze kende het dossier nauwelijks en wist niet wat ze wel en niet kon zeggen. Zou die moeder niet over meer juridische kennis beschikken dan zijzelf?
Manager Erik Miltenburg constateert tot zijn spijt dat Jeugdzorg door veel mensen als een tussenstation wordt gebruikt: ‘Maar wij zijn gelukkig beter af dan een aantal andere regio’s. Wij hebben nog een aantal ervaren krachten die de nieuwkomers kunnen ondersteunen, bij sommige andere teams zie je dat nauwelijks meer.’
Bestuursvoorzitter Erik Gerritsen is bezorgd over de leeftijdsopbouw binnen zijn organisatie. Medewerkers zijn óf heel jong, óf van middelbare leeftijd: ‘Dat zijn de oude rotten die alle reorganisaties hebben overleefd. Maar het verloop gaat nog steeds door en de oudjes moeten de jonkies inwerken, dat wordt moeilijker naarmate het aantal jonge medewerkers toeneemt. Die voelen zich onvoldoende ondersteund en na een paar jaar vertrekken ze weer.’
De dertigers en veertigers zijn belangrijk. Corinne is eind veertig en ruilde haar baan in de ouderenzorg in voor Bureau Jeugdzorg. Ze heeft daar geen seconde spijt van gehad. Martine, begin dertig, komt uit de managementshoek. Ze gebruikt de lessen uit die wereld voor haar huidige werk, vertelt ze. ‘Ik verkoop mijn cliënten aan de hulpverlening, ik prijs ze zo aan, dat anderen graag met ze willen werken.’
Schop onder je kont
Soms willen cliënten helemaal geen hulpverlening en blijkt het contact met de gezinsvoogd precies goed te zijn. In het geval van Jos bijvoorbeeld. Hij is zestien en had grote problemen met zijn stiefmoeder. De spanningen leidden tot gewelddadige confrontaties met zijn vader, maar sinds de boze stiefmoeder is vertrokken, is het allemaal een stuk rustiger in huis. Jos doet dit jaar eindexamen vmbo-t, de vroegere mavo, en heeft geen enkele behoefte aan extra hulp. Eens in de paar weken ziet hij Martine. Meer heeft hij niet nodig, vindt hij zelf.
We rijden in de richting van Koog aan de Zaan. Vanmiddag heeft Martine met Jos op zijn school afgesproken. Het gaat niet zo goed op school, heeft ze via zijn mentor te horen gekregen. Jos, blond haar, niet al te groot, staat haar op te wachten. Hij vindt het leuk om haar te zien. Hij heeft net een één voor Engels gehaald: ‘Dit jaar wil het niet zo lukken.’ Martine vraagt of hij zijn examen denkt te gaan halen. Jos is reëel, hij beseft dat de kans klein is. Hij heeft zich voorbereid op dit naderend onheil en zich ingeschreven op de mbo-opleiding op een niveau waar hij ook zonder vmbo-diploma naartoe kan. ‘Daar kan ik één dag in de week naar school en vier dagen werken, echt iets voor mij.’
Martine knikt tevreden: ‘Ik was eigenlijk gekomen om je een schop onder je kont te geven,’ zegt ze.
Jos lacht, gaat met zijn rug naar haar toestaan. ‘Doe maar.’
Het gaat wel goed met Jos, vindt Martine. Ze staat hem met raad en daad terzijde en vindt het een goeie zaak dat hij zelf het initiatief heeft genomen om zich bij een opleiding in te schrijven. Is haar ondersteuning dan geen hulpverlening? Jos kan bij haar terecht als hij dat nodig vindt, is dat dan niet genoeg? Zo is de hulp toch veel directer dan er weer allerlei andere partijen bijslepen? De rechter heeft bepaald dat Jos als reactie op de vechtpartijen thuis nog wel een dure agressietraining moet volgen. Hij heeft totaal geen zin in die sessies en met het excuus van school heeft hij het tot nu toe kunnen uitstellen. Maar deze zomer zal hij eraan moeten geloven. Martine begrijpt dat hij geen zin heeft: ‘Het zal toch moeten, jongen.’
Wennen aan de ruimte
Jennifer lijkt alle procedures aan haar laars te lappen. Als een wervelwind stormt ze het kantoor in en uit, ze lijkt altijd in de weer met ouders, met kinderen, met hulpverleners, en ze treft altijd precies de goede toon, betrokken en duidelijk. De scheiding tussen casemanager en hulpverlener is bij Jennifer flinterdun en daar hebben haar cliënten vast en zeker baat bij.
Omdat ze achterloopt met haar papierwerk, sluit ze zich af en toe een middag thuis op om haar dossiers bij te werken. Zo zorgt ze ervoor dat het invullen van de protocollen en veiligheidslijsten niet al te veel tijd in beslag neemt.
De volgende ochtend dendert ze weer binnen. Aman en Django komen straks wennen aan de ruimte waar ze over een paar weken hun vader zullen ontmoeten. Jennifer heeft de kinderen inmiddels verteld dat hun vader in de gevangenis zit en de twee reageerden vooral nieuwsgierig. ‘Ze wilden weten wat ie heeft gedaan en of de politie hem in de handboeien had geslagen. Ze waren ook benieuwd hoe dat is, leven in de gevangenis en of je dan in een bed slaapt of op de grond.’
Twee spichtige jongetjes komen even later aan de hand van hun pleegvader aarzelend de gang in. Enthousiast begroet Jennifer Aman en Django en neemt ze mee de kamer in waar hun vader een paar dagen eerder zat. ‘Kijk,’ is door de dichte deur te horen: ‘En hier is het speelgoed.’
Dit is het derde en laatste deel van een driedelige serie over Bureau Jeugdzorg; de eerste aflevering verscheen in Vrij Nederland 17/18. De namen van cliënten en van sommige jeugdbeschermers zijn gefingeerd.
