VN MediagidsBureau Jeugdzorg, deel 1: Op zoek naar de blauwe plekken

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Samenleving / jeugdzorg 25.04.2009

Door Margalith Kleijwegt

Bureau Jeugdzorg
Alle provincies en de steden Den Haag, Utrecht, Amsterdam en Rotterdam hebben een eigen Bureau Jeugdzorg. Een kind met problemen krijgt geen hulp meer ván maar vía Jeugdzorg. Deze wijziging viel niet alleen de hulpverleners maar ook hun bazen zwaar. Wachtlijsten groeiden, de kosten rezen de pan uit. In Rotterdam moest de directeur vorig jaar vertrekken, net als in Utrecht, Amsterdam en Noord-Holland. Jeugdzorg nieuwe stijl bestaat uit vijf poten: vrijwillige hulpverlening; jeugdbescherming; jeugdreclassering; advies en meldpunt kindermishandeling en crisisdienst. Dit verhaal is het eerste in een serie van drie reportages over Bureau Jeugdzorg van de agglomeratie Amsterdam.

Met formulieren en vergaderingen moet Bureau Jeugdzorg nieuwe 'Savanna's' voorkomen. Gevolg: de hulpverlener heet casemanager en ziet nauwelijks mensen meer. Op reportage in Amsterdam Noord. 'We kunnen niet alle maatschappelijke problemen oplossen.'

In het Peugeootje van Saskia Luitjes, manager van BUREAU Jeugdzorg in Amsterdam-Noord, zijn we op weg naar mevrouw Scholten. De school van haar twaalfjarige zoon Leo maakte zich zorgen over zijn verschrikkelijke driftbuien. Hij moet soms slaand en schoppend uit de klas worden verwijderd. Daarom heeft de school contact met Jeugdzorg gezocht. Leo’s agressieve buien zijn beangstigend, vindt mevrouw Scholten. Ze is bang dat hun heftige ruzies verder zullen escaleren en bovendien lijkt dochter Ella het gedrag van haar oudere broer te kopiëren: ze wordt steeds lastiger. Het gezin Scholten is al langer bekend bij Jeugdzorg. Toen de kinderen klein waren en meneer Scholten nog thuis woonde, kregen ze video-hometraining om te kunnen zien hoe ze met elkaar omgingen, en waarom het steeds fout liep. Meneer en mevrouw Scholten vonden het destijds nuttig om de video-opnamen terug te kijken, maar het heeft hun huwelijk niet gered. Inmiddels heeft meneer Scholten een nieuwe vrouw en zorgt mevrouw Scholten in haar eentje voor de kinderen.

We rijden langs de Gamma en de Praxis, Bureau Jeugdzorg ligt in een uithoek, voorbij een industrieterrein. Luitjes denkt met weemoed terug aan de tijd dat ze kantoor hield in het winkelcentrum. ‘Cliënten liepen toen veel meer in en uit. Als ze een boodschap deden bij de Etos, kwamen ze soms ook nog even bij ons langs.’ Jeugdzorg zelf verleent geen hulp meer. Dat is de grote verandering waar veel hulpverleners aan moeten wennen. Tegenwoordig heten ze casemanager of regisseur. Zij horen de problemen aan, zetten alles op papier en zoeken er vervolgens de juiste hulpverlener bij.

Massage van de hersenen
Vier honden, negen katten (waarvan een op drie pootjes), een cavia, een hamster en een rat verwelkomen ons. De huiskamer is vol, er staat een krabpaal met meerdere verdiepingen, naast de stoel is een stapeltje vuile was gevallen, op de televisie ligt een pak maandverband.
‘Probleem van moeder is dat ze meer van haar dieren dan van haar kinderen houdt,’ staat in een van de vele rapporten die over het gezin zijn geschreven. Mevrouw Scholten heeft een vriendelijk gezicht, ze draagt een paarse trui op haar spijkerbroek, de tatoeage bij haar linkerborst is gedeeltelijk zichtbaar.

Met de rode poes op schoot – de vier honden doen een dutje op de bank – vertelt ze hoe goed zoon Leo reageerde op de neurofeedback, een speciale massage van de hersenen, bedoeld om zijn ADHD wat in te dammen. Al is het niet zeker of hij wel ADHD heeft – verschillende psychologen spreken elkaar tegen.

Triple P (Positief Pedagogisch Programma) heet het programma waarmee het gezin Scholten zal gaan werken, samen met een hulpverlener van Spirit, een organisatie die hulp biedt bij opvoedproblemen. Triple P is een hit in hulpverleningsland: tien weken komt er anderhalf uur per week iemand aan huis om het gezin te trainen, daarna zou het grootbrengen van je kroost een fluitje van een cent moeten zijn.

Mevrouw Scholten knikt gewillig als Karin, de beoogde hulpverlener van Spirit, voorstelt de papieren even door te nemen. De te behalen ‘doelen’ – geen hulpverleningscontact zonder doelen – staan keurig op een rij. Leo ‘moet met zijn boosheid leren omgaan’ en ‘hij moet zijn grenzen leren aangeven’. Mevrouw Scholten ziet op tegen de dag dat Leo naar de middelbare school gaat. Hij kijkt niet goed uit als hij fietst. ‘In triple P noemen we dat een risicovolle situatie,’ zegt Karin. ‘We zullen die tocht goed met hem voorbereiden.’

Als de contracten met moeder officieel zijn getekend, zegt ze langs haar neus weg dat Leo soms te kennen geeft dat hij genoeg heeft van het leven. Uiterlijk onbewogen dankt Karin haar voor deze toevoeging. Later in de auto zegt Saskia Luitjes dat ze hoopt dat moeder doorzet. ‘Triple P is best ingewikkeld.’

Wachtlijsten
De wachtlijsten bij het team van de energieke Saskia Luitjes, dat cliënten op vrijwillige basis helpt, zijn niet langer dan een aantal weken. Maar ook in Amsterdam-Noord zijn wachtlijsten, zeker bij de jeugdbescherming, die kantoor houdt op een etage boven het aanmeldteam van Luitjes.

Kinderrechters werden het afgelopen jaar niet alleen wanhopig maar ook boos, omdat Jeugdzorg bij een ondertoezichtstelling geen voogden kon leveren – de wachttijd was krankzinnig lang. Niet adequaat management en voortdurende personeelswisselingen waren hiervan de oorzaak.

Het afgelopen jaar vertrokken tweehonderd van de zevenhonderd Jeugdzorgwerkers in Amsterdam. Sommige gebruikten Jeugdzorg als een springplank. Anderen raakten gedemoraliseerd door alle veranderingen, nóg meer invullijsten en vergaderingen, en zochten een andere baan. Ook in Noord was er behoorlijk wat verloop. De grootste klap kwam toen de psychologe, samen met Saskia Luitjes de spil van het team, besloot weg te gaan. Luitjes liet zich niet kisten, stak de achterblijvers een hart onder de riem en trok nieuwe, vooral jonge mensen aan.

Ze hoopt dat als het systeem goed gaat werken, cliënten er juist baat bij hebben dat iemand van Jeugdzorg ze snel bij de juiste hulpverlener brengt. Noord is bovendien een klein stadsdeel waar iedereen elkaar kent, en onderling contact is een goed wapen tegen bureaucratie.

Bezweringsformule
Maatschappelijk werker Rachid Abrun heeft gemengde gevoelens over Jeugdzorg. We spreken elkaar kort nadat hij, na tien jaar, het besluit heeft genomen elders te gaan werken. Hij treedt in dienst bij het Meldpunt Huiselijk Geweld, een kleine organisatie waar hij heel direct met cliënten te maken zal hebben. Abrun hield van zijn werk bij Jeugdzorg, maar werd gek van de papierwinkel die er de afgelopen jaren bijkwam. Elk telefoongesprek, elke ontmoeting moest worden geregistreerd. Steeds kwam de directie weer met nieuwe formulieren. Het invullen van lijsten leek wel een bezweringsformule. Op het gevaar af nostalgisch te zijn, denkt hij soms met weemoed terug aan de tijd dat hij bij het JAC (Jongeren Advies Centrum) hulp verleende vanuit een woonhuis, midden in een gewone buurt. ‘Juist omdat je bij Bureau Jeugdzorg steeds minder mensen zult zien, zullen daar vooral hulpverleners gaan werken die liever niet de straat opgaan, maar die graag achter hun bureau zitten om daar heel mooie rapporten op te stellen.’

‘Dat negatieve kost zoveel energie,’ zucht Saskia Luitjes. Zelf is ze positief ingesteld en ze verwacht dat ook van de mensen om haar heen. Tegelijkertijd beseft Luitjes dat het nieuwe evenwicht nog niet helemaal is gevonden. ‘We vergaderen meer dan vroeger en omdat we met zoveel partijen samenwerken, hebben we minder slagkracht. Dat is het nadeel van fuseren.’

Hebben mensen als Rachid Abrun niet een klein beetje gelijk, is de protocollendwang niet doorgeschoten? Luitjes knikt, ze laat de ‘checklist toegang’ zien, het formulier dat moet worden ingevuld wanneer iemand belt en om hulp vraagt: ‘Als we het goed doen, zijn we anderhalf uur bezig met het stellen van indringende vragen, terwijl je zo’n man of vrouw helemaal niet kent. Wat heeft dat voor zin? Die vragenlijsten worden altijd opgesteld door deskundigen die hier niet werken, ze kennen de praktijk onvoldoende.’

De pas aangetreden directeur Erik Gerritsen heeft iedereen aangemoedigd hem te wijzen op overbodige formulieren of vergaderingen. ‘Kom maar op,’ zegt hij tegen wie het wil horen, ‘dan kijk ik of we zonder kunnen.’ Veel medewerkers beginnen over de ‘checklist veiligheid’, een onding noemen ze het. Als je alle vragen hebt ingevuld, kun je bepalen of een kind veilig is zonder hem of haar gezien te hebben. Belachelijk, vinden de Jeugdzorgwerkers.

Kinderen bij de psychiater
Toen de gezinsvoogd (in dienst van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland) van de in 2004 door haar moeder vermoorde peuter Savanna vier jaar geleden voor de rechter werd gedaagd, was de paniek groot. Sindsdien is veiligheid het sleutelwoord. De politiek verwacht van Jeugdzorg dat zij de veiligheid van de aan hun zorg toevertrouwde kinderen garandeert. Saskia Luitjes vindt die verwachtingen te hooggespannen. ‘Wij moeten alle maatschappelijke problemen oplossen en dat kunnen we niet,’ constateert ze nuchter. ‘Of het nou om verwaarloosde kinderen gaat, of om gezinnen die overlast geven, of om Marokkaanse probleemjongeren.’

In deze stelling wordt ze gesteund door opvoeddeskundige professor Jo Hermanns, een fel tegenstander van alles wat riekt naar bureaucratische procedures. Hij noemt Jeugdzorg in zijn nieuwe jasje een exportfirma. ‘We hebben een instelling gecreëerd die ons moet vrijwaren van grote maatschappelijke problemen. Voor elk probleem een deskundige: alsof dat een oplossing is. Gezinnen met problemen hebben hulp nodig bij de inrichting van hun dagelijks leven. Intensieve begeleiding, de menselijke maat is heel belangrijk, dat zou iedereen toch moeten inzien.’

Hermanns schetst zijn interpretatie van de almaar toenemende vraag naar hulp: ‘Neder­landers hebben na de oorlog een democratische staat willen opbouwen waarin zelfontplooiing een groot ideaal was. Dat ideaal werd doorkruist toen we merkten dat die vrijheid niet door de staat maar door medeburgers, hangjongeren, overlastgevende gezinnen, werd gesaboteerd. Onze intolerantie groeit, daarom exporteren we steeds meer kinderen naar deskundigen. Die moeten er maar wat van maken, ervoor zorgen dat ze aangepaste burgers worden. We zijn niet bereid zelf die verantwoordelijkheid te nemen. Het aantal kinderen dat naar de psychiater gaat, groeit explosief.

Die hebben heus niet allemaal een stoornis. Als ze wat meer gerichte aandacht zouden krijgen, zou dat al enorm helpen.’

Vigger
Het aanmeldteam in Noord krijgt dagelijks telefoontjes van burgers, scholen of andere instanties. De een maakt zich zorgen over een pubermeisje dat in de handen van een loverboy dreigt te vallen, de ander meldt een jongen die grote problemen met zijn moeder heeft. De maatschappelijk werkers nemen alle gegevens op, gaan rondbellen en kijken wat er moet gebeuren.

Vaak gaat de telefoon onophoudelijk maar vandaag is het ongewoon stil. Tot er in de middag een alarmerend bericht binnenkomt. Het gaat om het gezin Azough met vijf kinderen, moeder is van Marokkaanse komaf, vader is verdwenen. Het gezin krijgt al lang hulp, het afgelopen jaar zelfs heel intensief van een zogenaamde Vigger (vroegtijdige interventie gezinnen). Dat is een coach die wordt ingezet bij families waar de misère een onontwarbare kluwen is geworden. Maar mevrouw Azough bleek alle goede raad van de coach naast zich neer te leggen. Haar uitkering werd vier maanden geleden gestopt wegens schulden en nu dreigt Nuon de elektriciteit af te sluiten.

De Vigger ziet geen mogelijkheden meer en vraagt aan Jeugdzorg om iets anders te verzinnen.

Zonder hulpverlening verdergaan, kan niet vanwege de veiligheid van de kinderen. Vier wonen er nog thuis, de oudste volgt in Lochem een opleiding tot imam.

De maatschappelijk werkster die het telefoontje aannam, kijkt gepijnigd. Kunnen de kinderen nog wel thuisblijven nu er een ontruiming dreigt? Moeten ze niet naar een pleeggezin?

Zakken vuilnis
Een week later is er een speciale bijeenkomst met de Raad voor de Kinderbescherming waarbij de familie Azough nog een keer wordt besproken. Zo belandt het dossier-Azough niet op een stapel bij de Raad, maar kan er snel worden gehandeld. Die efficiency is te danken aan de dood van Savanna. Het dossier van de familie Azough verschijnt op de muur via een beamer die op de computer is aangesloten. De tafels staan in een carrévorm opgesteld.

Jeugdzorg pleit voor een ondertoezichtstelling van de kinderen Azough, de Raad wil argumenten horen. Worden de kinderen verwaarloosd? Mishandeld? Hebben ze blauwe plekken op hun lichaam? Er is geen sprake van zichtbare verwaarlozing, zegt de Vigger, een stevige man van in de dertig, met ingehouden woede. Maar mevrouw Azough liegt en bedriegt. Alle energie die hij in het gezin heeft gestoken, vierendertig zakken vuilnis heeft hij uit het huis gehaald. En wat heeft het allemaal opgeleverd? Mevrouw Azough doet of ze het allemaal snapt, ze belooft haar leven te beteren, maar niets beklijft.

Rachid Abrun zit ook bij het overleg, hij kent de familie al jaren. Zijn indruk is dat mevrouw Azough het goed bedoelt, maar dat het draaiende houden van zo’n groot gezin haar gewoon te veel is. De hoeveelheid hulp die ze tot nu toe heeft gehad is indrukwekkend. Video-hometraining, behandeling wegens psychische problemen, eerst via Mentrum, inmiddels bij een psychiater. Voor de kinderen was er een Boppi, een speciale hulpverlener die ze niet alleen bij hun huiswerk hielp, maar ze ook sociaal vaardiger probeerde te maken.

Niets hielp. Maar omdat de kinderen in deze onzekere situatie in de gaten moeten worden gehouden, bepleit de Vigger een ondertoezichtstelling. Mocht het uit de hand lopen in huize Azough, dan kunnen de kinderen in elk geval worden weggehaald.

Bij de acht mensen die zich op een of andere manier met mevrouw Azough bezighouden, is ook een afgevaardigde van de Dienst Werk en Inkomen (DWI). Ze is meegekomen om het verzoek van de Vigger kracht bij te zetten. Mevrouw Azough is onverantwoordelijk, zegt ze. Ze maakt zich totaal geen zorgen over haar schulden, ze doet alsof ze niet bestaan. Maar, wil de Raad weten, is ze slecht voor haar kinderen? De afgevaardigde van DWI vertelt dat mevrouw Azough haar kroost soms om zes uur ’s ochtends naar haar werk meesleepte. De Raad knikt, bijna opgelucht. Dát is onverantwoord gedrag. ‘Ik heb honderdvijftig moeilijke gevallen,’ zegt de vrouw van DWI, ‘maar mevrouw Azough is de enige van wie ik ’s nachts wakker lig.’ Een paar dagen later vertelt Rachid Abrun dat hij is gebeld door mevrouw Azough. Ze vindt het verschrikkelijk dat ze nu naar de rechter moet, dat ze haar kinderen misschien zal kwijtraken. Ze begrijpt niet hoe het zo ver heeft kunnen komen.

Loverboys
Vorig jaar dreigde burgemeester Cohen dat hij hoogstpersoonlijk in gezinnen zou ingrijpen als instellingen langs elkaar heen bleven werken. Bij sommige gezinnen komen tien hulpverleners over de vloer en lang niet altijd is duidelijk wie er verantwoordelijk is en dus aanspreekbaar. Dankzij de strenge woorden van de burgemeester is er nog een overleg bijgekomen: het MDO-plus (multi-disciplinair overleg). Speciaal om over de extreem moeilijke gezinnen te praten. En die zijn er volop, ook in Amsterdam-Noord. Vertegenwoordigers van alle mogelijke instellingen zitten elke dinsdagmiddag rond de tafel, vandaag ontbreekt alleen de coördinator risicogezinnen van het stadsdeel. Waarom de vijftienjarige Myriam door zo’n kostbaar team wordt besproken, is niet helemaal duidelijk. Ze loopt soms weg, jat schoenen bij de Schoenenreus en er zijn vage aanwijzingen dat loverboys een oogje op haar hebben. Haar moeder heeft dochterlief redelijk in de smiezen, maar is de greep kwijt. Misschien is het een goed idee om het meisje in een gesloten instelling te laten onderzoeken, suggereren de aanwezigen. Daar kunnen ze kijken of er psychisch iets niet in orde met haar is.

De jeugdbescherming wil het daarna over Madina hebben, een zwakbegaafd meisje met ADHD. Ze blijkt door haar vader via Dubai terug naar Afghanistan te zijn gebracht. ‘Nederland kan haar niet helpen,’ zo verdedigde moeder haar man. ‘In onze cultuur wordt onze dochter misschien weer beter.’

Madina staat onder toezicht van de Raad voor de Kinderbescherming en vader mag zijn kind niet zomaar meenemen, eigenlijk is het in dit geval een ontvoering. ‘In Afghanistan heb je geen Raad,’ verzucht de jeugdbeschermer. Een beetje verslagen kijken de hulpverleners elkaar aan. Wat moet je nu als zo’n kind uit je handen wordt weggegrist? Moeder begrijpt de commotie niet, haar man heeft het beste met zijn dochter voor. Zijzelf is, ondanks haar beperkte kennis van het Nederlands, onder behandeling voor een depressie. Een maatschappelijk werkster zoekt haar wekelijks thuis op.

‘Het lukt haar minimaal om aan haar doelen te werken,’ zegt de aanwezige maatschappelijk werkster. ‘Ze zegt steeds: ik ben zo moe, zó moe. Ik heb geen zin in hulpverleners, het helpt toch niet.’ De hulpverleenster concludeert: ‘We moeten erkennen dat het pappen en nathouden is.’ De gezinsvoogd beseft dat ze op dit moment weinig voor Madina kan doen. ‘Als vader terug is, moeten we de situatie opnieuw bespreken.’ Ze zucht. ‘Als hij ooit terug komt.’

De namen van cliënten zijn om privacyredenen gefingeerd. Volgende week: het Meldpunt Kindermishandeling. ‘Ik bel u omdat André Rouvoet zegt: “Bij twijfel altijd melden.”’

Lodewijk Asscher: 'Ik kan ze nu opjutten'

Wethouder Lodewijk Asscher probeert druk uit te oefenen op het Amsterdamse Bureau Jeugdzorg. 'De wachtlijsten hadden al weg moeten zijn.’

‘Het was chaos. Ik kreeg onvoldoende antwoord op alle vragen die ik had, terwijl ik wel verantwoordelijk ben. Bovendien waren er zulke lange wachtlijsten, dat kon niet. Zo loop je te grote risico’s, stel dat het misgaat? We herinneren ons allemaal Savanna.’ Veiligheid is ook voor Lodewijk Asscher een sleutelbegrip. ‘Kinderen die op de wachtlijst staan, moeten gezien en beoordeeld worden. Als de kinderrechter bepaalt dat een kind een voogd nodig heeft, dan moet die er ook zíjn. Het afgelopen jaar kon Jeugdzorg dat niet garanderen. Doordat ik ze een “aanwijzing” heb gegeven, kan ik druk uitoefenen, ze een beetje opjutten. De wachtlijsten hadden binnen een half jaar verdwenen moeten zijn, maar dat is helaas niet gelukt.’

Afgelopen september ruimde directeur Wiel Janssen het veld. De Raad van Toezicht, voorgezeten door voormalig wethouder Jaap van der Aa, bleef tot verbazing van velen buiten schot. Sinds februari is Erik Gerritsen de nieuwe directeur. Een opmerkelijke en hoopvol stemmende benoeming: deze voormalige gemeentesecretaris van de gemeente Amsterdam is een man met lef, een vechter tegen bureaucratie en ‘collectieve gevoelens van machteloosheid’.

De organisatie van Jeugdzorg is nu erg complex, realiseert Asscher zich. ‘Dat kan je de overheid aanrekenen, ja, ook mij. Ik zie een parallel met het onderwijs, maatschappelijk ook heel belangrijk maar te ingewikkeld georganiseerd.’ Je moet medewerkers van Jeugdzorg kunnen aanspreken op de manier waarop ze hun werk doen, vindt Asscher. ‘Maar dan moeten wij, politici en ambtenaren, ze niet steeds lastigvallen met nieuwe protocollen en veranderingen.’ Veel medewerkers van Jeugdzorg moeten nog bekomen van de recente verandering in hun beroepsleven: ze verlenen geen hulp meer, hun nieuwe rol is die van ‘regisseur’. Ze verwijzen kinderen door en houden op afstand een oogje in het zeil. ‘Ik vergelijk hun rol graag met die van de huisarts: iemand die je vertrouwt, die kan beoordelen wat voor jou het beste is. Ik begrijp dat ze soms doorverwijzen zonder de cliënt te hebben gezien en dat lijkt me erg moeilijk.’ Omdat Jeugdzorg inmiddels expert is in het maken van rapporten, vraagt Asscher zich af wat de rol van de Raad voor de Kinderbescherming is. Die gebruiken voor hun rapportage aan de kinderrechter namelijk de gegevens van Jeugdzorg. ‘Dat de Raad opnieuw een rapport maakt, lijkt me nogal omslachtig. Aboutaleb riep toen hij wethouder was al: schaf die Raad maar af. Hun betrokkenheid kost geld en tijd, als je niet oppast werkt dat ten nadele van het kind.’

Asscher zou het liefst zien dat de Bureaus Jeugdzorg in gewone woonwijken zitten, dichtbij hun cliëntèle, en niet in anonieme gebouwen zoals nu vaak het geval is. ‘Jeugdzorgwerkers zouden wat mij betreft vanuit scholen kunnen werken of vanuit consultatiebureaus.’ Maar op scholen zitten ze, tot hun verdriet, juist niet meer. De belangrijkste boodschap van Asscher: ‘Richt het zo in dat het voor ouders en kinderen overzichtelijk is. Dat zeg ik ook tegen André Rouvoet, maar die reageert voorzichtig omdat hij niet opnieuw een stelselwijziging wil.’

[reageren]