VN MediagidsBestuurders moeten het stadhuis uit

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Politiek / Samenleving / binnenland 19.08.2010

Door Max van Weezel / Margalith Kleijwegt

Foto: Jacqueline de Haas/HH Foto: Jacqueline de Haas/HH

Waar schrikt u ’s nachts wakker van? En wat zou u doen met een miljoen? Met die vragen onderzoekt Pieter Winsemius de kloof tussen burger en overheid. ‘De buurtagent zit achter in de gang, alsof hij er niet toe doet.’

Pieter Winsemius (die twee keer minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu was) begint uit te groeien tot de belangrijkste antropoloog van het hedendaagse Nederland. Als lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) blijft hij niet op zijn zolderkamertje vlak bij het Binnenhof zitten, maar doet hij hoogstpersoonlijk veldonderzoek. Voor het rapport ‘Vertrouwen in de buurt’ werden honderdtachtig mensen geïnterviewd. De presentatie ervan vond met opzet niet plaats in Pulchri of Nieuwspoort maar in een tent in een Rotterdamse volkswijk. Het volgende rapport ‘Vertrouwen in de school’ ging over jongeren die hun opleiding niet afmaken – en dat zijn er in Nederland heel veel. Winse­mius en zijn team bezochten tientallen scholen en spraken met directeuren, leraren en psychologen. Het lukte hem zich in te leven in de wereld van de drop-outs. ‘Je moet van deze jongeren houden. Liefde en aandacht, dat is zo belangrijk,’ zei hij destijds in een interview in Vrij Nederland. Het rapport waar hij nu aan werkt, is nog veel ambitieuzer. ‘Vertrouwen in de burger’ is de voorlopige titel en het gaat over iedereen die zich niet serieus genomen voelt door de overheid – van voetbalvandalen die klagen over het bruuske optreden van de ME tot Limburgers die uit protest tegen de arrogantie van de Randstad op Wilders hebben gestemd. De WRR hoopt dat door het veldonderzoek van Winsemius duidelijk wordt hoe de betrokkenheid van de burger bij de overheid kan worden vergroot. Misschien zal de nu al jaren voortdurende ontevredenheid en boosheid dan eindelijk afnemen.
Winsemius weet dat het dit keer een hele klus wordt. Buurten vormen een afgebakend geheel, net als scholen. Nu moet het hele land in kaart worden gebracht. Want wie voelt zich tegenwoordig niet vervreemd van de overheid? ‘Ik vind al die boeken over dé kloof tussen dé politiek en dé burger te simplistisch,’ zegt hij, terwijl we koffiedrinken op een terrasje in de Haagse binnenstad. Hij wordt vergezeld door een van zijn onderzoekers, de jonge filosofe Jona Specker. Maar de ongerustheid over die kloof is wel de aanleiding voor het rapport. Over de ophanden zijnde kabinetsformatie tussen zijn VVD en het CDA met gedoogsteun van de PVV wil de in zijn partij als ‘links’ bekendstaande Winsemius alleen met afgemeten stem kwijt dat de situatie hem zorgen baart: ‘Ik word niet blij van al dat gedoe in Den Haag op dit moment. Juist bij de kabinetsformatie is het zaak de meest kwetsbaren in de samenleving op je netvlies te hebben. Voor sociaal-liberalen hoort dat een toetssteen te zijn.’

Pragmatische burgers
Pieter Winsemius is sowieso bezorgd: ‘Sinds mijn team mensen aan het interviewen is en daarover vertelt, raak ik gealarmeerd door de afbrokkelende belangstelling voor de gevestigde politiek. Als zo veel mensen het eigenlijk niet meer zien zitten met die overheid, dan beginnen we een aardig probleem te krijgen.’
Dé burger bestaat niet, vindt hij. Hij scheurt een papiertje uit ons opschrijfboekje en tekent een schema. Rechtsboven staan mensen als hijzelf: de actieve burgers. ‘Ze zijn goed opgeleid, lezen ’s ochtends de Volkskrant en ’s avonds de NRC, ze zijn lid van een omroepvereniging, geven geld aan Amnesty en gaan niet naar de Lidl maar naar Albert Heijn. Zij voelen zich nog aangesproken door de gevestigde politiek. De landelijke partijen rekruteren hun actieve leden nog vrijwel alleen uit deze groep.’
Hij trekt een pijl naar linksonder op het blaadje. Daar zet hij de ‘volgzame burgers’ neer. Die hij schetst als ‘een tikkeltje ouder, vaak woonachtig op het platteland. Ze stemden vroeger meestal op het CDA, maar dat is niet vanzelfsprekend meer. Ze zijn van nature gezagsgetrouw maar kunnen het tempo van de modernisering niet meer bijbenen. De ontwikkelingen in de wereld gaan hun te snel. Ze waren gehecht aan hun buurtschool en hun buurtwinkel en die zien ze verdwijnen. Daarom haken ze af.’
Tot zover de groepen die nog een beetje bij de les zijn.
Nu wordt zijn verhaal alarmerender.
Loodrecht boven de volgzame burger tekent Winsemius de ‘overvraagden’, de lageropgeleiden in de grote steden, de suburbs en de vinexwijken. Nederlanders die het gevoel hebben dat er steeds meer eisen aan hen worden gesteld waaraan ze niet kunnen voldoen: de diploma’s die je moet halen, de examens die je moet doen, de belastingformulieren die je moet invullen. Ze zitten klem tussen een kosmopolitische elite die op hen neerkijkt en de migranten die naar hun idee te veel aandacht krijgen. Dit is de groep waaruit eerst de LPF en nu de PVV een groot deel van zijn aanhang rekruteert.
Blijft over: de minst bekende maar misschien meest interessante groep, die door Winsemius de ‘pragmatische burgers’ wordt genoemd. Die hebben op het eerste gezicht niets te klagen. Ze wonen – net als de ‘actieven’ – in de betere buurten en zijn goed opgeleid. Maar ze hebben hun belangstelling voor de traditionele politiek verloren. Ze maken zich hoogstens nog druk over hun parkeervergunning die niet wordt verlengd of de sluitingstijd van de cafés in hun buurt. Als ze problemen hebben, zoeken ze zelf wel naar een oplossing. De landelijke politiek vinden ze zó 2009. Facebook en Twitter zijn voor hen veel belangrijker dan de PvdA en GroenLinks. Het is deze groep die wel eens de toekomst van het land zou kunnen bepalen.
Op dit moment beslaat elk van de vier groepen die de WRR onderscheidt, ongeveer een kwart van de bevolking.
Maar dat is snel aan het veranderen.

Democratische nachtmerrie
Voor hun boek De grenzeloze generatie, dat eind vorig jaar verscheen, ondervroegen Frits Spangenberg en Martijn Lampert van het bureau Motivaction jongeren vanaf achttien jaar en hun ouders en grootouders. Zo kregen ze zicht op de verschuivingen die zich tussen ‘actieven’, ‘volgzamen’, ‘overvraagden’ en ‘niet-uitgedaagden’ (de pragmatici) voordoen. De plichtsgetrouwe en verantwoordelijke burgers, waar iedere minister van droomt, kwamen eigenlijk alleen nog onder de oudere generatie voor. Die noemde het vanzelfsprekend dat je je voor een ander en voor de samenleving diende in te zetten.
Onder de jongste generatie vormden de pragmatici en overvraagden met elk veertig procent veruit de grootste groepen. Kortom: als je niet oppast, is de toekomst aan degenen die op de gevestigde politiek zijn afgeknapt.
Pieter Winsemius: ‘Motivaction voorspelt dat je op den duur alleen de pragmatici en de overvraagden overhoudt. Vanuit democratisch oogpunt is dat een nachtmerrie. Ik denk dat Den Haag dat nog nauwelijks doorheeft. De overvraagden zijn nu enigszins in het vizier gekomen door het succes van de PVV. Maar de pragmatici, “de niet-uitgedaagden” die helemaal geen belangstelling meer hebben voor de overheid, zijn eigenlijk veel spannender. En die staan nog helemaal niet op het netvlies van Den Haag.’

- 'Ze trokken de wijken in, maar het draaide meer om het fotomoment'

De oud-minister probeert daar verandering in te brengen door al die vervreemde, ontheemde, gefrustreerde en afgehaakte groepen zelf op te zoeken. Net als bij ‘Vertrouwen in de buurt’ en ‘Vertrouwen in de school’ is zijn vragenlijst uiterst beknopt. Vraag één: waar schrikt u ’s nachts wakker van? Tweede en laatste vraag: wat zou u doen als ik u een miljoen gaf?
Winsemius: ‘Door geïnterviewden zo open tegemoet te treden, slaan ze zelf aan het filosoferen en kom je erachter wat hen écht dwarszit. Vaak gaat het om kleine dingen in hun directe leefwereld: de boom voor hun huis die door de gemeente zomaar werd omgekapt, de parkeerplaats die tegen alle beloften in niet werd aangelegd. Het grappige vind ik: als je een miljoen euro aanbiedt, hebben mensen liever dat de overheid iets praktisch voor ze regelt. Zoals die man die vroeg of zijn zoon eindelijk kon worden toegelaten tot de opleiding tot stadswacht. Dat vond ik vertederend.’
Niet alleen Den Haag, ook het gemiddelde gemeentebestuur wordt als arrogant en ontoegankelijk gezien. Volgens Winsemius wordt er te weinig geïnvesteerd in functionarissen die wél dicht bij de bewoners staan – zoals buurtagenten, conciërges en leraren die ook willen weten wat hun scholieren in hun vrije tijd doen.

Daar zijn er toch al heel veel van?
‘Ze worden niet serieus genoeg genomen. Weet je waar de buurtagent zit als je op een politiebureau komt? Achter in de gang, alsof hij er niet toe doet. Terwijl de recherche de kamer naast de hoofdcommissaris heeft.’
De conciërges en buurtagenten moeten in Winsemius’ visie de ‘verbindingsfunctionarissen’ tussen de overheid en de burger zijn. ‘Wij houden de gemeentebestuurders voor: kijk naar je frontlijn, neem die serieus! Hoe vaak wordt buurtagenten, leraren, wijkagenten nou naar hun visie gevraagd? De SP heeft geloof ik één keer een enquête onder politieagenten gehouden. Dat was het wel.’
Hij komt ook goede voorbeelden tegen. ‘Mag ik jullie het verhaal vertellen van Koos Roeg? Vroeger ADO-supporter en later werd hij voorzitter van de ADO-supportersvereniging. Een beer van een kerel die op zijn vijftiende al met één beweging een stoeltje uit het stadion kon “losmaken”.’ Pieter Winsemius sprak langdurig met hem. ‘Een paar jaar geleden werden zijn supporters zo grof behandeld door de ME dat hij besloot een brief aan de Haagse burgemeester, Wim Deetman, te schrijven. Die nodigde hem – en dat vind ik het goede voorbeeld – uit voor een gesprek op het stadhuis. De eerste anderhalf uur heeft Deetman hem de wind van voren gegeven. Wat dachten ze wel, die relschoppers die voortdurend voor gedonder zorgden? En dan nog komen klagen ook. Toen mocht Roeg terugroepen, en vervolgens hebben ze elkaar de hand geschud. Deetman heeft er voor gezorgd dat Roeg tot supporterscoördinator bij ADO werd benoemd. Wim dacht: als hij mij durft aan te pakken, kan hij de voetbalsupporters óók aan. En dat werkte. Dat bedoel ik nou met een “verbindingsfunctionaris”.’
Nog zo’n voorbeeld: Dirk de Groot, die jarenlang buurtagent was in Rotterdam-Schiemond – vanwege de onherbergzame portiekflats ook wel ‘de kleine Bijlmer aan de Maas’ genoemd. ‘Als er een nieuwe allochtone moeder in de buurt kwam wonen, zo’n jonge importbruid die de weg niet kende, bracht Dirk haar meteen naar de Boog, een kleine basisschool die de ruimte voor de leraren tot ouderlokaal had omgebouwd. Daar kon ze Nederlands leren. Nadat hij haar twee keer de weg had gewezen, moest ze de derde keer zelf gaan. Is dat nou werk voor de politie, kun je je afvragen. Zijn chef vond van wél. Want Dirk wist wat de buurt nodig had. Dan moest een ander maar wat meer bonnen schrijven.’

Houvast kwijt
Tot zover het recept dat Pieter Winsemius uitschrijft voor de ‘overvraagden’.
De ‘volgzamen’ op het platteland vergen weer een heel andere benadering. Hun probleem: de dorpen lopen leeg, de sociale infrastructuur verdwijnt. Vroeger subsidieerde het plaatselijke filiaal van de Rabobank of de zuivelfabriek hun activiteiten. Totdat de schaalvergroting toesloeg. Het filiaal sloot, de zuivelfabriek fuseerde. De dorpelingen hoorden niet meer tot de primaire doelgroep. ‘De volgzamen,’ observeert Winsemius, ‘zijn de laatsten waarvan je problemen verwacht. Maar ze lijden echt gigantisch onder de schaalvergroting. Vroeger konden ze het stadhuis binnenlopen, ze kenden er iedereen. Nu staat dat stadhuis drie dorpen verderop. Ze zijn hun houvast kwijt.’
Zelf ervaart hij dat in Hitzum (Friesland), waar zijn voorouders vandaan komen. Het dorp bij Franeker heeft met zijn tweehonderdveertig inwoners een bescheiden omvang, maar kent een rijk verenigingsleven. Voor het jaarlijkse kaatstoernooi meldden zich minstens negentig vrijwilligers. Winsemius, die nu al voor de elfde keer bij de organisatie van het toernooi betrokken is: ‘Maar wat gebeurde er? We raakten onze sponsoren kwijt. De Friese elektriciteitsmaatschappij werd Essent en toen RWE. FrieslandCampina verhuisde het hoofdkantoor naar Amersfoort en haakte af. De Rabo­bank in Franeker hielp ons tot ze fuseerden met de bank in Leeuwarden. Het waren prima sponsoren en die moeten vanzelfsprekend hun eigen afweging maken. Maar ze zitten nu zo ver weg dat mijn dorpsvrienden het een te grote stap vinden om hun om een donatie te vragen. Daarom pak ik nu de telefoon. In feite ben ik de verbindingsfunctionaris van het kaatstoernooi Hitzum.’
Moeilijker zal het worden het contact te herstellen met de niet-uitgedaagden die zichzelf denken te kunnen redden en dus helemaal niet zitten te wachten op iemand die de brug komt slaan. Toch zal dat moeten, vindt Winsemius: ‘Als je die hele groep kwijtraakt, ben je als politiek in de aap gelogeerd.’

Is dat niet te veel vanuit de overheid gedacht? Wat is er tegen als burgers het zelf willen uitzoeken?
‘Het is niet erg voor die burgers, maar wel voor de gemeenschap. Omdat je dan naar een maatschappij toe gaat waarin een groot deel van de bevolking niet meer aan de democratie deelneemt. Dan brokkelt de legitimatie van het sys­teem af. Dat lijkt me levensgevaarlijk.’

Nee verkopen en opvoeden
Soms verlangt Pieter Winsemius terug naar de bestuurders uit de tijd van de verzuiling: imposante types, niet vrij van regenteske trekken, maar wel goed op de hoogte van wat er onder de bevolking speelde. Kerken, vakbonden en het verenigingsleven voedden hen met informatie. Dat middenveld verdween en wethouders veranderden in dossierverslinders die van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat druk aan het vergaderen zijn maar zich onbereikbaar houden voor de burgers. ‘Wat we nodig hebben, zijn bestuurders die het stadhuis uit gaan en de buurten in trekken, die voortdurend in contact staan met de conciërge en de buurtagent. Bestuurders die als het nodig is nee verkopen, de burgers durven op te voeden.’
Goede voorbeelden in zijn ogen: Hans Spek­man, die als wethouder van Utrecht op zijn fiets de buurt in trok; Jan Hamming, die in Tilburg het ouderwetse spreekuur weer invoerde; Leonard Geluk en Lodewijk Asscher, die in Rotterdam respectievelijk Amsterdam de strijd met de bureaucratie aanbonden. Opmer­kelijk veel lof zwaait hij ook toe aan voormalig wethouder, nu gemeenteraadslid Marco Pastors van Leefbaar Rotterdam. ‘Na de gemeenteraadsverkiezingen heb ik geprobeerd een college te formeren waarin zowel de PvdA als Leefbaar Rotterdam zouden zitten. Uiteindelijk is dat niet gelukt. Maar ik heb in die tijd veel met Marco Pastors gesproken. Ook over de islam. Ik vroeg hem: waarom roep je nou provocerende dingen als “Maak van de Essalam-moskee een sauna”? Hij heeft me toen uitgelegd dat hij niets tegen de bouw van een moskee heeft, maar dat daar wel tegenover moet staan dat zo’n prominente moskee bereid is mee te doen aan onze maatschappij. Die moet als brug dienen tussen de achterban en de grote buitenwereld. Willen ze alleen maar laten zien: wij trotseren jullie, dan zegt Marco: afzagen die minaretten. Als het hem echt om de bevordering van de integratie gaat, dan begrijp ik dat.’

U wilt de kloof tussen de politiek en de burgers dichten, maar heeft het vorige kabinet dat ook niet al geprobeerd? Er kwam een minister voor Wonen, Wijken en Integratie en eentje voor Jeugd en Gezin. Ze trokken honderd dagen lang het land door. Het heeft weinig opgeleverd.
‘Ik verwachtte veel van de aanpak van het vierde kabinet-Balkenende, maar ben teleurgesteld geraakt in de resultaten. Bewindslieden als Ella Vogelaar en André Rouvoet trokken met een touringcar de wijken in, maar het draaide meer om het fotomoment dan om een echt gesprek met de bewoners. Toen Rouvoet tijdens die honderd-dagen-tournee naar Spangen ging, zat hij in een bus met daarop geverfd dat het de bus van het ministerie voor Jeugd en Gezin was. Stond er in de krant een foto van Rouvoet met drie jongeren. Hij was niet in hún wijk, zij zaten in zíjn bus. Dat was Hans Spekman niet overkomen.’
Een andere gezagsdrager die in de belevenis van Winsemius weet hoe je de burger wél moet benaderen, komt uit een onverwachte hoek. ‘Ik ben nog steeds onder de indruk van de manier waarop de koningin werkbezoeken aanpakte. Toen ik minister was, zei ze: meneer Winsemius, ik zou me wel eens meer willen verdiepen in de milieusector. Een jaar eerder was ze bij de deurwaarders geweest, want die kregen nooit eer van hun werk. Nu wilde ze naar een afvalverwerker toe. Niet over de rode loper, maar via de achterkant naar binnen. Zonder fotografen. Het ging haar niet om de pr. De mensen die daar werkten, voelden zich zó vereerd met haar oprechte belangstelling. Ik vond het fenomenaal!’

Aan het eind van het gesprek komt nog één keer de tekening met daarop de actieve, volgzame, overvraagde en pragmatische burgers op tafel. De zoektocht van Pieter Winsemius naar hun frustraties en beweegredenen lijkt ons wel een heel veelomvattend project. Voelt hij zich niet een beetje als Atlas die de hele wereld op zijn schouders draagt?
‘Nee,’ zegt hij. ‘Ik vind dit het belangrijkste waaraan ik bij de WRR tot nu toe heb gewerkt. Het is heel lastige materie, maar het is machtig interessant.’ n

Het rapport ‘Vertrouwen in de burger’ moet verschijnen in 2011

Pieter Winsemius (1942) is natuurkundige en werkte jarenlang bij adviesbureau McKinsey.
Hij was minister van VROM in het eerste kabinet-Lubbers (1982-1986) en het derde kabinet-Balkenende (2006-2007). In dat laatste jaar werd hij