VN MediagidsWie stopt de verrommeling?

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Politiek / ruimtelijke ordening 24.02.2007

Door Harm Ede Botje / Tomas Vanheste

Aan de vooravond van de provinciale verkiezingen is een vurig debat over de verwoesting van het Nederlandse landschap losgebarsten. De rechtse kabinetten-Balkenende hebben hun handen van de ruimtelijke ordening afgetrokken. De provincie is de laatste waakhond die de bouwlustige gemeenten een halt kan toeroepen. Maar durven de polderbestuurders hun rug wel recht te houden?

Resort de Wijde Aa ligt midden in een klassiek Hollands polderlandschap. Even verder staat een molen op de dijk langs een water waar de wind woeste golven in blaast. Om zes uur ’s avonds op een maandag in februari rijden we een rondje over het park met vakantiewoningen. Het lijkt eerder een gewoon woonwijkje. Overal branden de lampen, staan Volvo’s en BMW’s voor de deur en staat moeder de vrouw in de pot te roeren. Projectontwikkelaar Van Rijn heeft een paar jaar geleden het complex uit de grond gestampt, zesenzeventig zomerwoningen die in het groene land tegen een meer liggen aangevlijd. Als luxueuze recreatievilla’s met relaxruimte op een droomlocatie prijst Van Rijn ze aan op de website van de resort.

De Vereniging Veenderpolder en Wijde Aa strijdt al jaren tegen deze smet op het Groene Hart. Afgelopen september nog oordeelde de rechter dat de zesenzeventig villa’s er nooit hadden mogen staan. Maar in de gemeente Alkemade waar iedereen iedereen kent is het nog niet zo makkelijk om de miljoeneninvestering van dorpsgenoot Van Rijn tegen de vlakte te gooien. Sterker nog: de gemeenteraad deed onlangs in schril contrast met de rechterlijke uitspraak een poging het project alsnog te legaliseren door het bestemmingsplan te wijzigen.

Het conflict splijt de dorpsgemeenschap. De milieubeschermers strijden tot het bittere eind tegen de aantasting van het landschap. Andere dorpsbewoners hebben juist bewondering voor Van Rijns ondernemingslust. ‘Laat die mensen daar toch rustig wonen,’ zegt de praatgrage uitbaatster van het even verderop gelegen restaurant De drie enen, terwijl ze felrode stoffen valentijnhartjes op de schouw zet. Ze heeft goede klandizie aan de bewoners van het park. ‘Die komen hier na hun werk nog snel wat eten. Gezellig.’ Van ‘die groenen’ moet ze niets hebben. ‘Wat zeuren die nou. Ze hebben niet eens uitzicht op het park.’

Onder voormalig minister van VROM Jan Pronk hadden de milieubeschermers het tij mee. Pronk, die in zijn vijfde nota ruimtelijke ordening met scherpe rode contouren de bebouwing wilde afbakenen en het landschap beschermen, was een fel tegenstander van het villapark. Hij schreef de projectontwikkelaar een brief waarin hij stelde dat hij zelf de sloopkosten moest dragen als hij het zou wagen toch te beginnen met de bouw. Maar die had de brutaliteit zich daar niets van aan te trekken. In geen tijd stonden de recreatiewoningen er. En toen de rechtse kabinetten Balkenende aan de macht kwamen, draaide de wind uit Den Haag. VVD-minister Sybilla Dekker, die de bouwwereld altijd een warm hart heeft toegedragen, kwam in 2003 langs bij De Wijde Aa om te vertellen dat wat haar betreft ‘de kernkwaliteiten van het Groene Hart’ niet werden aangetast.

Tot opluchting van de milieubeweging schoof de rechter Dekkers visie ter zijde. Hij vond het bouwplan in strijd met het rijksbeleid en met het geldende bestemmingsplan. Met gevoel voor understatement bepaalde de rechter dat het niet bijdraagt aan ‘versterking van de openheid en het veenweidekarakter van het gebied’. Bij de vereniging konden de champagneflessen open. Nu hoeven ze nog maar één horde te nemen: de Raad van State. Als ze ook daar in het gelijk worden gesteld, is er alle kans dat de woningen tegen de grond moeten.

Bouwen, bouwen, bouwen
Als er iets op het spel staat bij Provinciale Staten­verkiezingen van 7 maart is het de verrommeling van Nederland. Rijks­bouw­meester Mels Crouwel opende begin februari het debat met een vurig pleidooi in NRC Handelsblad voor behoud van het oude Hollandse landschap. Hij vindt dat de rijksoverheid weer het heft in handen moet nemen. ‘Als we doorgaan op ingeslagen weg dan verandert het landschap in een grote, suburbane brij,’ aldus Crouwel.

De rijksbouwmeester kreeg bijval van Pieter Winsemius, de demissionaire opvolger van Sybilla Dekker. Was zij nog een grote voorstander van bouwen, bouwen, bouwen, partijgenoot Winsemius is uit ander hout gesneden. De voormalige voorzitter van Natuurmonumenten maakt zich grote zorgen over de verwoesting van het landschap. Waar Crouwel zich in vaagheden hulde over de verantwoordelijken, zette Winsemius in een ingezonden stuk in Trouw lokale bestuurders op het schavot. ‘Veel kleinere dorpen en steden van ons land verrommelen door ondoordachte uitbreidingen (...) Als bestuurders niet over hun schaduw heen stappen dan blijven er op de toekomstige Bos-Atlas van het Groene Hart hooguit wat groene stippen over temidden van het rood.’

Het was de filosofie van de opeenvolgende kabinetten-Balkenende om de plaatselijke wethouders meer armslag te geven: ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’. Deze slogan is ingevoerd met de Nota Ruimte uit 2004, de toekomstvisie op de inrichting van Nederland waarin de economie ruim baan krijgt. Henk Kamp, minister van VROM in Balkenende I, rekende onmiddellijk af met de Paarse Jaren. Natuurgebieden moesten kleiner en bouwen in de open ruimte vond hij geen probleem. Kamp destijds: ‘Wij willen ontwikkelingen mogelijk maken in plaats van dingen afknijpen.’

Met Crouwels en Winsemius’ uitspraken lijkt de slinger weer de andere kant op te gaan. Maar wonderlijk genoeg hebben geen van beiden het over de manier waarop de lokale bestuurders in het gareel moeten worden gehouden. Volgens de Nota Ruimte ligt die bal bij de provincie. Die maakt streekplannen en keurt gemeentelijke bestemmingsplannen goed. Dus als heel Nederland op zijn achterste benen staat over de verrommeling, zouden de provincies zich aangesproken moeten voelen. Neem nou Gelderland.

Mooie plekjes
Vanaf het verkiezingsbord op de markt van Arnhem glimlacht Theo Peters de kiezers toe. De CDA’er is lijsttrekker bij de statenverkiezing van Gelderland. Nijmegenaar Peters is gedeputeerde met ruimtelijke ordening in zijn portefeuille. Vanzelfsprekend heeft hij het debat over de verrommeling met grote belangstelling gevolgd. Hij voelt zich niet aangesproken als ruggengraatloos bestuurder die het maar laat gebeuren. Want het was juist Peters die twee jaar geleden doortastend optrad tegen de duizenden bewoners van vakantiehuisjes aan de rand van de Veluwe en in de Achterhoek. Zij zaten daar tegen de regels het hele jaar door. Wie denkt dat de Gelderse gedeputeerde hiervoor vanuit Den Haag de volle steun kreeg, komt bedrogen uit. Minister Dekker zag er geen probleem in als de bewoners een gedoogbeschikking zouden krijgen. Peters wilde de mensen juist dwingen weg te gaan, desnoods via de rechter. In het provinciehuis zegt hij over die kwestie: ‘Ons uitgangspunt is: er worden geen burgerwoningen gebouwd in de buitengebieden. Ik vind het niet eerlijk en niet rechtvaardig ten opzichte van al die mensen die ook op die mooie plekjes willen wonen.’

Peters wijkt op meer punten af van het Haagse vrijheid-blijheidsoffensief. Hij wil gemeenten aansporen om pas op de plaats te maken met lokale bedrijventerreintjes. Maar net als in de rest van Nederland wordt er ook in Gelderland volop gepolderd. Een stop op bedrijventerreinen kán de gedeputeerde wel afdwingen, maar dat wíl hij niet. De verhoudingen moeten wel goed blijven, want je komt elkaar altijd weer tegen. ‘Je hoeft niet altijd alles af te dwingen om resultaten te boeken, als je maar draagvlak hebt,’ vindt Peters. Hij geeft een voorbeeld: ‘We hebben voor elkaar gekregen dat drie gemeenten op de Veluwe zijn gestopt met het uitbreiden van lokale bedrijventerreinen. Gezamenlijk hebben ze een nieuwe plek gevonden.’

Maar niet iedereen is zo enthousiast over de uitkomsten van Peters’ gepolder. De Gelderse Milieufederatie stelt dat in de provincie, net als in heel Nederland, ruimte wordt verspild. Terwijl oude bedrijventerreinen verkommeren, worden in het groen nieuwe neergelegd. De Gelderse Milieufederatie vindt dan ook dat de provincie haar tanden moet laten zien. Directeur Volkert Vintges: ‘We kunnen leven met regionale bedrijventerreinen. Maar we zijn er tegen dat bijvoorbeeld het dorp Bemmel ook weer zo nodig het eigen terrein moet uitbreiden. De provincie moet daar zeggen: doe je huiswerk maar over.’

Ook Milieudefensie weet nog wel een voorbeeld van de te grote toegeeflijkheid van de provincie. In het landelijke gebied bij Beekbergen wil Apeldoorn samen met enkele andere gemeenten een nieuw bedrijventerrein neerleggen. De provincie heeft dat in het streekplan mogelijk gemaakt, terwijl volgens een rapport van onderzoeksbureau Stogo de komst van dit terrein niet nodig en zelfs ongewenst is. Apeldoorn beschikt al over voldoende ruimte, als ze de bestaande locaties maar een opknapbeurt geeft.

Waalsprong
Wie vanuit Arnhem de trein naar Nijmegen neemt, begint eens te meer te twijfelen of Gelderland wel voldoende strijdt tegen de verrommeling. Toen de schrijver Nescio die reis maakte en vanuit het rivierlandschap de heuvelrug bij Berg en Dal zag oprijzen, vond hij bijna God. Wie nu het ritje maakt, raakt nogal gedeprimeerd. Als koeienvlaaien zijn de nieuwe woonwijken over het land uitgesmeerd. Arnhem heeft al decennia terug de sprong naar de andere kant van de rivier gemaakt, maar steekt met de retrowijk Schuytgraaf – nep jaren dertig huizen, een romantische vestingstad en een ‘suburb’ in Amerikaanse stijl – zijn tentakels nog verder uit. Ook Nijmegen springt nu de Waal over. In de tussengelegen gemeente Overbetuwe heerst eveneens de bouwwoede. In totaal komen er in tien jaar in het gebied nog 35.000 woningen bij.

Heeft gedeputeerde Theo Peters geen gevoel van weemoed over het verdwijnende landschap als hij zelf van het provinciehuis te Arnhem naar zijn woning in Nijmegen reist?

Peters: ‘Ik denk dat we in zijn algemeenheid een gevoel van spijt hebben over hoe we vinexlocaties hebben ontwikkeld. Als ik steeds weer driehonderd van die rode daken zie, denk ik: dit is allemaal een beetje van hetzelfde.’

De gedeputeerde heeft er geen enkele twijfel over dat al die woningen er moesten komen. ‘Nijmegen kon geen kant meer op. Als er één gemeente is die heeft ingezet op herstructurering van oude wijken, is het Nijmegen. Maar het zat aan zijn grenzen. Toen is er gekozen voor de Waalsprong.’ Maar achteraf vindt hij het jammer dat de vinexgemeenten Nijmegen, Arnhem, Elst en Bemmel jarenlang voor zichzelf hebben gebouwd zonder veel onderlinge afstemming. Pas sinds het nieuwe streekplan uit 2005 is er meer regie. ‘Er is in het verleden natuurlijk het nodige misgegaan. Het kwam doordat wij per gemeente gingen bekijken: waar kunnen we bouwen? Op een gegeven moment zijn we tot het inzicht gekomen dat niet elke plaats voor de volle honderd procent kan voorzien in zijn woningbehoefte, in zijn bedrijvigheid, in recreatie en toerisme. Als het al zou kunnen, worden het onleefbare gemeenschappen, want dan plemp je alles vol.’

Terwijl minister Dekker in de Nota Ruimte juist elke gemeente het recht geeft te voorzien in de eigen woningbehoefte, zegt Peters te hebben ingezien dat het zo niet langer kan. ‘Om een fatsoenlijke manier van ruimtelijke ordening te bedrijven, moet je groter kijken, per regio, precies zoals het hier nu gebeurt. Alleen zo kan je de verrommeling van Gelderland en Nederland tegengaan.’

Kreken en rietkragen
Niet alleen in Alkemade, Bemmel of op de Veluwe wordt een harde strijd gevoerd tussen de bouwers en de natuurbeschermers om de schaarse ruimte. De Hoeksche Waard is de laatste jaren uitgegroeid tot een cause célèbre. Tot in het parlement is er gebakkeleid over de vraag of er een groot bedrijventerrein in het tot nationaal landschap bestempelde gebied mag komen.

Maandagmiddag, drie uur. De regen striemt over de Buitengorzendijk. In de verte slingert de rivier. De wilgen trotseren de harde wind die over het vlakke land raast. Dick Bussing is een opgeruimde zestiger met een open gezicht en een grijze snor. Hij zet zich al jaren in voor de vereniging Hoekschewaards Landschap. ‘Ik woonde vroeger aan de andere kant van het water,’ zegt hij terwijl hij een armbeweging maakt in de richting van de Oude Maas. Na zijn pensioen verhuisde Bussing naar de Hoeksche Waard, waar zijn vader vandaan kwam. Dagelijks wandelt hij er met zijn hond. ‘Het is een paradijs, met kreken en rietkragen.’ Van de verderop gelegen Rotterdamse haven merkt hij hier niets. ‘Alleen als de wind verkeerd staat, ruik je de raffinaderijen in Pernis. Het is hier zo anders dan aan de andere kant van het water. Je merkt het onmiddellijk als je de Heinenoordtunnel uit komt, in plaats van bedrijven weilanden, wilgen, populieren en weidse landschappen. Echt, je kunt hier nog kilometers ver kijken. De Kamerleden die we hier rondleidden, hebben het gebied niet voor niets de status “nationaal landschap” bezorgd.’

Maar lang leek het er op of het met die landelijke rust gedaan was. De Rotterdamse haven wil een nieuw, grootschalig bedrijventerrein en heeft zijn oog laten vallen op de noordelijke rand van de Hoeksche Waard. Bussing volgt namens de Vereniging Hoeksche Waard nauwgezet alle debatten en bijeenkomsten over de kwestie. De bevolking en de meeste bestuurders van de vijf gemeenten in de Hoeksche Waard zijn fel tegen. De provincie en de gemeente Rotterdam vinden het een prachtig plan. De laatsten hadden de steun van Sybilla Dekker en staatssecretaris Karin van Gennip van Economische Zaken. Het kon niet anders, vonden ze. De economie moest draaien. En natuurlijk zou het terrein ‘landschappelijk worden ingepast’. Maar Bussing en de andere bewoners van de Hoeksche Waard geloofden er niets van. ‘Als je hier eenmaal een eerste bedrijventerrein hebt, is het hek van de dam. Dan komen er nog veel meer.’

Jarenlang zag het ernaar uit dat de bewoners het onderspit zouden delven. Ondanks het feit dat de meeste wethouders en burgemeesters tegen waren (wat bijzonder is in een gemeenschap waar de gezagsgetrouwe Staatskundig Gereformeerde Partij veel aanhang heeft), bleef de provincie kiezen voor de belangen van de Rotterdamse haven. ‘De Gedeputeerde is hier vaak op bezoek geweest,’ zegt Bussing. ‘Maar die man was echt heilig overtuigd van zijn eigen gelijk. Van de bevolking van de Hoeksche Waard trok hij zich niets aan.’

Omdat de komst van het bedrijventerrein naar de Hoeksche Waard zoveel lokale tegenstand ontmoette, besloot minister Dekker van VROM de beslissingen hierover tot rijksbeleid te bestempelen en een reservering voor het bedrijventerrein op te nemen in de Nota Ruimte. Met een rechtse meerderheid in de kamer moest het dan lukken. In oktober 2006, vlak voor de verkiezingen, werd in de Tweede Kamer in een motie vastgelegd dat ‘nut en noodzaak’ waren bewezen. Hiermee kon de provincie Zuid-Holland het streekplan wijzigen. Niets stond nu de bouw van het bedrijventerrein in de weg.

Maar na de Kamerverkiezingen van november 2006 leek alles zich ten goede te keren voor de bewoners. Net als bij de motie voor de legalisering van illegalen sloten de linkse partijen een monsterverbond met D66, de Partij voor de Dieren en de ChristenUnie. Aan deze ‘hagelslag-coalitie’ deden deze keer ook de mannenbroeders van de Staatskundig Gereformeerde Partij mee. Een motie van GroenLinks-kamerlid Wijnand Duyvendak waarin ‘nut en noodzaak’ werd betwijfeld kreeg een meerderheid.

Nu is de situatie ontstaan dat het Rijk tegen de komst van het bedrijventerrein is, de provincie voor. ‘De verkiezingen in Zuid- Holland worden dan ook heel spannend,’ zegt Duyvendak. ‘Als er een progressieve meerderheid komt, is het bedrijventerrein definitief van de baan.’ Hij verwijt de provincie Zuid-Holland dat ze veel te veel haar oren heeft laten hangen naar de Rotterdamse haven. ‘Er is nog ongelofelijk veel ruimte tussen de al bebouwde terreinen in de haven. Daar kan nog heel veel gewonnen worden,’ zegt Duyvendak. ‘Maar bedrijven willen het liefste op een nieuw terrein zitten. Dat is makkelijker.’

Over minister Dekker is Duyvendak hard: ‘Zij heeft enorme schade aangericht aan de ruimtelijke ordening in Nederland. De ruimte wordt steeds schaarser, de gevechten daarover harder. En in plaats van kwetsbare waarden als natuur of landschappelijk schoon te beschermen, gaf zij juist het bedrijfsleven ruim baan.’

Duyvendak wordt ‘droevig’ van de manier waarop de meeste provincies omgaan met de openbare ruimte. ‘De provincies laten de gemeenten veel te veel hun gang gaan. Het kortetermijndenken overheerst. De lokale belangen van projectontwikkelaars en bouwbedrijven winnen. En die gemeenten bieden tegen elkaar op met goedkope grondprijzen waardoor je die verschrikkelijke bouwterreinen krijgt.’

Permanente bewoning
Maandagavond 12 februari, kwart voor acht. De bezoekers van de maandelijkse raadsvergadering druppelen het gemeentehuis van Alkemade binnen. In de hal krijgen ze een kopje koffie met een speculaasje. Als laatste en achttiende punt voor de hamerstukken staat op de agenda: de legalisering van resort de Wijde Aa. De verslaggever van het huis-aan-huisblad fluistert ons in dat er naast welvarende stedelingen in het park ook jongeren wonen die de huisjes van hun ouders als starterswoning hebben gekregen. De gemeente Alkemade zegt dan wel permanente bewoning niet toe te staan en heeft twee bewoners gesommeerd de huizen daarvoor niet te gebruiken, maar toch lijkt zij het verder op zijn beloop te laten.

De vergadering sleept zich voort. Tegen tienen zijn pas vijf punten afgewerkt. Het is ons kent ons wat de klok slaat. De raadsleden spreken elkaar met de voornaam aan. Een raadslid mag een halfuur oreren zonder dat iemand hem tot de orde roept. Er wordt uitgebreid gedebatteerd over weer 2500 nieuwe woningen die moeten verrijzen in het oude tuinbouwgebied Braassemerland. Alle partijen vinden dat Alkemade zich op de kaart moet zetten als een groene gemeente waar het goed recreëren is. Een raadslid van Mooi Alkemade citeert landschapsarchitect Adriaan Geuze, die in de Volkskrant Zuid-Holland de lelijkste provincie van Nederland noemde. Geuze breekt de staf over het bestuur van die provincie die geen enkele rem zet op de vernietiging van het landschap. Maar het weerhoudt de meerderheid, inclusief Mooi Alkemade, er niet van aan het eind van de avond voor legalisatie van het villapark te stemmen. Alleen de PvdA is tegen.

Burgemeester Meerburg is zich een dag later van geen kwaad bewust. Hij ziet de ‘duurzame huisjes’ als een verbetering ten opzichte van de caravans die ooit op het terrein stonden. Dat er ‘zomerhuizen’ mochten komen, was al opgenomen in een in 1998 doorgevoerde wijziging in het bestemmingsplan, stelt hij. Alleen bleef er toen– naar zijn zeggen abusievelijk – een asterisk staan die het aantal te bouwen huizen beperkte tot het aantal dat er op dat moment al stond. Meerburg vermeldt maar niet dat in 2003 een gemeentelijke commissie een zeer kritisch rapport uitbracht over de totstandkoming van dit voor meerdere uitleg vatbare bestemmingsplan en de gebrekkige wijze waarop het College de gemeenteraad informeerde over de nieuwe plannen voor het terrein. Dat sindsdien tal van organen en ook de rechter hebben geoordeeld dat het complex een niet toelaatbare aantasting is van het gebied, vindt de burgemeester maar wijsheid achteraf.

Als er een instantie is die in Alkemade had kunnen ingrijpen, is het de provincie Zuid-Holland. Maar het tegendeel gebeurde. De provincie heeft jarenlang de lijn Pronk gevolgd, maar verschoot van kleur met de komst van VVD-minister Dekker. Vanaf dat moment legt Zuid-Holland de projectontwikkelaar geen strobreed meer in de weg. In 2004 geven de Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar tegen het complex af, als projectontwikkelaar Van Rijn ter compensatie maar een bedragje in het groenfonds stort. Het ligt in de lijn der verwachting dat de provincie ook nu zal instemmen met de door de gemeente aangenomen wijziging in het bestemmingsplan. Maar de gedeputeerde krijgen we er ook na vele telefoontjes niet over te spreken.

Grensoverschrijdende plannen
Zal er iets veranderen met het aantreden van het sociaal-christelijke kabinet dat duurzaamheid en natuurbescherming zo hoog in het vaandel zegt te voeren? In de laatste weken voor zijn vertrek deed minister Winsemius alvast een duit in het zakje door maatregelen te nemen om de horizonvervuiling langs de snelweg tegen te gaan. Hiermee volgt hij de aanbevelingen van een rapport met de welluidende naam Bloeiende Bermen. Daarin haalt het Ruimtelijk Planbureau vernietigend uit naar het zwalkende overheidsbeleid rond de bebouwing langs snelwegen. GroenLinkser Wijnand Duyvendak blijft sceptisch. ‘Als je de dertig regels hebt gelezen die over ruimtelijke ordening in het regeerakkoord staan, ben ik teleurgesteld. Het CDA steunde altijd de lijn van Dekker en heeft het op dit punt helemaal gewonnen van de PvdA. Er wordt nergens een rem op gezet. In al die steden en dorpen gaat het bouwen gewoon door.’

Roos Vermeij, de nieuwe PvdA-woordvoerder ruimtelijke ordening, is optimistischer. Zij gaf een eerste signaal af door met de hagelslagcoalitie tegen de komst van een bedrijventerrein in de Hoeksche Waard te stemmen. Eén ding zal niet gebeuren: het afschaffen van de Nota Ruimte. ‘Ik zou nooit voor die nota hebben gestemd, maar we moeten er nu mee verder. Anders duurt het jaren voordat je weer een nieuw plan hebt.’ Vermeij verwacht veel van de nieuwe wet ruimtelijke ordening, die de provincie niet alleen recht geeft om gemeentelijke bestemmingsplannen te weigeren, maar ook om zelf grensoverschrijdende plannen vast te stellen.

Over één ding zijn bezorgde burger Dick Bussing en politici Wijnand Duyvendak en Roos Vermeij het eens: de Hollandse polderbestuurders moeten eindelijk eens de rug recht gaan houden als brutale projectontwikkelaars van het slag Van Rijn met de bulldozers klaarstaan. Vermeij: ‘Politici op provinciaal niveau moeten gebruik gaan maken van hun bevoegdheden. Zij moeten het gaan doen!’ Wijnand Duyvendak: ‘Het is ongelofelijk belangrijk dat de provincies progressieve bestuurders krijgen om te voorkomen dat de laatste restanten ongerept landschap volgebouwd worden.’

Onnodig geschonden landschap

Robert van de Griend

Schrijver, dichter en publicist Willem van Toorn ageert al jaren tegen de verrommeling van Nederland. Onlangs publiceerde hij het pamflet ‘Project Nederland’, waarin hij de noodklok luidt over de wijze waarop hier met het landschap wordt omgesprongen. Niet de Rijksoverheid, maar de lagere overheden en de ‘vrije jongens van het snelle geld’ mogen bepalen wat er met onze weides en velden gebeurt. Het effect: ‘onnodige schennis’ van ‘onvervangbaar, collectief bezit’. Tijdens een autorit door Nederland laat de schrijver zien wat hij onder ‘onnodige schennis’ verstaat.

In zijn bordeauxrode stationwagen rijdt Willem van Toorn van zijn woning in Amsterdam-Zuid via de A2 richting Den Bosch. Even voorbij Abcoude neemt hij de afrit Vinkeveen en slaat een landweggetje in. Een strookje polder op zijn puurst. Van Toorn mindert vaart en zegt: ‘Kijk eens hoe móói het hier is.’ We passeren oude, houten boerderijhuisjes met mosgroene gevels. Met knotwilgen omgeven kreekjes die doen terugverlangen naar de tijd dat er ’s winters nog ijs lag.

Decennia lang keken de mensen aan dit weggetje uit op ongerept grasland. Tot een jaar of acht geleden de gemeente De Ronde Venen besloot dat die ruimte wel beter kon worden besteed. Nu heet het uitzicht Buitenborgh: een recreatiepark met 220 bungalows van zo’n driehonderdduizend euro per stuk.

De vierkante vakantiehuisjes, die in lange rijen naast elkaar staan, zijn wit geschilderd en hebben een asymmetrisch puntdak. Op veel opritten blinken sportauto’s en SUV’s. Alle achtertuinen grenzen aan een kunstmatige rechthoek water, die in directe verbinding staat met de Vinkeveense Plassen. Iedere Buitenborgher heeft zijn eigen aanlegsteiger, waaraan niet zelden een prijzig zeiljacht vast ligt. Investeerders achter dit complex: de geliquideerde vastgoedmagnaat Willem Endstra en zijn voormalige zakenpartner Klaas Hummel.

‘Wáánzinnig,’ roept Van Toorn, als hij langs de slagboom het terrein oploopt, en dat bedoelt hij niet positief. ‘Zo’n prachtig plekje, zo dicht bij de stad, daar moet je zuinig op zijn! Maar nee, zetten ze midden in het groen van die hondenhokken neer.’

Toch is de lelijkheid van dit terrein niet de grootste ergernis van de schrijver, al vindt hij dat Provinciale Staten strenge eisen zou moeten stellen aan de esthetiek van zo’n bouwproject. Het is vooral de enorme schaal waarop het Nederlandse landschap voor dit soort parken moet wijken, die hem verontrust. ‘Of je nu naar Zeeland of naar Friesland rijdt, je komt dit overal tegen.’

Dat neemt niet weg dat er kennelijk behoefte is aan parken als Buitenborgh. Is het dan zo erg als we daar wat grasland voor opofferen? ‘Kijk,’ zeg Van Toorn. ‘Je hebt ook mensen die de behoefte hebben om in grote groepen met motoren over rivierdijken te scheuren. Waar het om gaat is dit: in hoeverre moet je behoeftes tóestaan, als dat ten koste gaat van ons prachtige landschap?’

We vervolgen onze tocht over de A2. Waren we op het eerste stuk nog hier en daar omgeven door, zoals Willem van Toorn het noemt, ‘Marsman-achtige gebieden’, nu zit de stationwagen gevangen tussen kilometers grauwe geluidswal.

Van Toorn kan het niet áánzien. ‘Als die projectontwikkelaars niet allemaal zo nodig direct langs de snelweg wilden bouwen,’ foetert hij, ‘waren die geluidswallen ook niet nodig geweest.’

Drie kwartier later steken we de Martinus Nijhoffbrug over. Rechts van de weg ligt Zaltbommel, met zijn groen begroeide vestingwerken en middeleeuwse stadsmuur. Er was een tijd dat je vanuit de auto prachtig zicht had op het plaatsje en het rivierlandschap erom heen. Maar ‘Bommel’, zoals Martinus Nijhoff de stad in zijn gedicht ‘De moeder de vrouw’ noemt – ‘Ik kwam naar Bommel om de brug te zien’ – is verdwenen achter een lange haag van bedrijven en kantoren. Alleen de stompe toren van de Sint Maartenskerk piept er nog boven uit.

Als íets het Nederlandse landschap als een sluipende ziekte verrotzooit, schrijft Van Toorn in Project Nederland, dan is het wel bedrijventerrein. Ook nu schudt hij minzaam het hoofd, wanneer we langs de blokkendozen van spiegelglas en de kantoorpanden in quasi-Romaanse stijl rijden. Wie wil, kan hier terecht voor badkamers, autostoelen of plafondsystemen. Bij Suitsupply kan de haastige automobilist zich een maatpak laten aanmeten, en het Golden Tulip Hotel heeft een eigen bioscoop. ‘Ik ben geen antikapitalist,’ zegt Van Toorn, ‘maar de pest is dat iedere gemeentelijke afrit tegenwoordig zijn eigen bedrijventerrein heeft. Daar zou de Provincie grenzen aan moeten stellen. Waarom zijn er geen regionale terreinen, iets verder het land in, zodat niet overal het landschap wordt verwoest en ons het uitzicht wordt ontnomen?’

Als de schrijver een zijweg inslaat en een rondje maakt over De Waluwe, zoals het terrein heet, valt op dat er veel panden te koop of te huur staan. Dat krijg je ervan, zegt Van Toorn, als gemeentes de regie overlaten aan grote projectbureaus. ‘Die bouwen puur voor de speculatie. Maar een echte behoefte aan dit soort projecten bestaat er niet.’

Na Zaltbommel, gidst Willem van Toorn ons de Tielerwaard in, het landschap tussen Gorinchem en Tiel, dat wordt omsloten door de Waal en de Linge. Onze derde bestemming heet Neerijnen, een gemeente bestaande uit tien dorpjes, met namen als Hellouw, Varik en Opijnen. Rustig is het hier. Dorps ook, zo dorps dat plattelandscollectief Het Stroomhuis vorig jaar besloot een achtdelige inburgeringscursus te organiseren voor nieuwkomers uit te stad, om spanningen tussen de oorspronkelijke bevolking en de ‘import’ te voorkomen. Maar het is vooral móói in Neerijnen, met haar molens, haar kasteel en haar bomen die ’s zomers wit zijn van de bloesem. Of zoals uitgever Bas Lubberhuizen, die hier een huis heeft aan de Waalbanddijk, ooit in NRC Handelsblad zei: ‘Wat moet je nu in Frankrijk als je hier kunt zitten?’

Toch, zegt Willem van Toorn, ligt ook in dit gebied ‘onnodige schennis’ op de loer. Hij rijdt de auto een dijk op en toont waar deze streek het meest vermaard om is: de prachtige uiterwaarden, waar, zo leert de website van de gemeente, wilgengrienden en oude meidoornhagen groeien, en koeien grazen in het licht golvende grasland. Een aantal jaar geleden, vertelt de schrijver, kwam een club natuurliefhebbers op het idee om de uiterwaarden uit te graven en er een natuurgebied aan te leggen. ‘Er moest een Donau-oever komen, zodat misschien de zwarte ooievaar zou terugkeren. En er zou een hek omheen worden geplaatst. Het gebied zou alleen nog maar te bezichtigen zijn vanaf een zogenaamde “groene tribune”. Maar niemand heeft mij ooit kunnen uitleggen waarom een Donau-oever belangrijker is dan onvervangbare uiterwaard.’

Het plan is inmiddels van tafel. Maar bespottelijk blijft het, vindt Van Toorn, dat op steeds meer plekken in Nederland oorspronkelijk landschap moet zwichten voor aangelegde natuur. Niet in de laatste plaats, schrijft hij in Project Nederland, omdat natuurontwikkeling in Nederland volautomatisch is verbonden met recreatie en educatie, met wandelpaden, Schotse hooglanders en informatiebordjes: ‘Ook hier is de Nederlander geen volwassen burger die heus zelf wel geheel individueel over het hek een uiterwaard in kan klimmen (zoals ik het van mijn kindertijd af eindeloos heb gedaan), maar een onwetende stakker die bij de hand genomen moet worden en geamuseerd en van uitleg voorzien.’

De excursie zit erop, terug naar Amsterdam-Zuid. Wat doet een man, die zoveel van het landschap houdt, eigenlijk in de grote stad? Van Toorn vertelt dat hij in Tiel had kunnen wonen, daar erfde hij het huis van zijn tante Jo. Maar ook in het ooit zo mooie Tiel, zegt hij, heeft de verrommeling genadeloos toegeslagen. ‘Gelukkig ik heb nu een huisje in de Franse streek Le Berry. Daar is het práchtig!’


Lezersoproep

U bent al 40 jaar getrouwd met een lieve boekhouder, maar valt ineens voor een Poolse bouwvakker. U stemt stiekem met uw portemonnee in plaats van uw hart. U zit in de actiegroep Behoud de Buurtwinkel, maar shopt soms bij de Lidl.

redactie op 22.05.2012 -

Teflon Bram

Komt Moszkowicz overal mee weg?

Marian Husken op 15.05.2012 -