VN MediagidsWachten op een kaartje uit Uruzgan
Politiek / Afghanistan / Defensie 01.07.2006
Deze week begint officieel de Nederlandse missie naar Uruzgan. De komende twee jaar moeten dertigduizend familieleden het zonder hun ‘relatie’ doen. Petra Werkman, wier zoon drie maanden als kwartiermaker in Kandahar zat, heeft haar ‘thuisfrontervaring’ net achter de rug. ‘Ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan dat ik hem het leger heb ingepraat.’
‘Moet je niet bij de landmacht?’, vroeg Petra Werkman een jaar geleden aan haar zoon Rafael. Sinds de jongen zijn vmbo-diploma had gehaald, voerde hij maar weinig uit. Hij werkte parttime bij Albert Heijn, bracht het grootste deel van zijn tijd ‘chillend’ door met zijn vrienden en gaf geld uit als water. Het werd tijd voor een echtet baan, vond zijn moeder.
Petra Werkman (43) is verkoopadviseur bij een bank. Ze woont in een nieuwbouwhuis in Spijkenisse met Rafael (21) en haar twee dochters Denise (18) en Natalie (15). Ze was niet onbekend met het militaire bedrijf. Haar vader had een aantal jaren als marinier gediend op Nieuw-Guinea. In de gang van haar ouderlijk huis stond vroeger een grote kist met militaire spullen. Daar haalde ze als klein meisje het lint van haar vaders baret uit en bond het om haar hoofd. ‘Ik ben gevoelig voor mannen in uniformen,’ vertelt Petra, ‘en ik houd van militair vertoon. Ik zei tegen Rafael dat hij bij de landmacht gemakkelijk zijn rijbewijs kon halen en cursussen kon volgen.’ Rafael ging overstag. Na een snuffelstage van twee weken wist Rafael dat hij het leger in wilde. Hij tekende een contract voor tweeënhalf jaar en volgde een opleiding tot militair chauffeur. Hij werd gelegerd bij het Bevo-transportbataljon op de Majoor Koot Kazerne te Stroe. ‘Een echte vent, dacht ik, toen ik hem voor het eerst in zijn uniform zag.’
Maart 2006. Rafael is als kwartiermaker op missie in Kandahar. Daar bereidt hij de komst van Nederlandse soldaten in de provincie Uruzgan voor, vier maanden lang. ‘Nu hij in Afghanistan zit,’ zegt Petra, ‘kan ik mezelf wel voor mijn kop slaan dat ik hem het leger heb ingepraat. Ik besefte niet dat een uitzending voor de thuisblijvers zó heftig is.’
Petra Werkman is bij lange na niet de enige achterblijver in Nederland. Deze week vertrekt de eerste lichting Nederlandse manschappen richting Uruzgan. Het Nederlandse detachment is veertienhonderd man sterk, de soldaten gaan vier tot zes maanden weg. Dus worden de komende twee jaar tienduizend man de Afghaanse provincie ingevlogen. Die militairen laten dertigduizend familieleden achter, uitgaande van een gezinsgrootte van vier personen.
De Nederlandse strijdkrachten beschikken sinds geruime tijd over een uitgebreide thuisfrontzorg. Er zijn psychologen en geestelijk verzorgers, er is een militair postbedrijf en een telefooncentrale die vierentwintig uur per dag bereikbaar is. Maar de belangrijkste schakel in de zorg voor de achterblijvers is het Thuisfrontcomité Koninklijke Landmacht van defensie, die een club van dertig vrijwilligers van Uruzgan-achterblijvers ondersteunt. Die groep bestiert een telefooncirkel, maakt een maandelijks tijdschrift en organiseert contactdagen. En dan is er nog de midterm-familiedag op de kazerne, met als publiekstrekker een rechtstreekse satellietverbinding met de legerbasis in Afghanistan. ‘Ons motto is: wij zijn een van u, en wij zijn er vóór u,’ zegt Ine den Teurling, voorzitter van de Uruzgan-vrijwilligersclub.
Het eerste thuisfrontcomité van de landmacht werd begin jaren negentig opgericht. Nederland begon deel te nemen aan grote internationale vredesmissies, en de soldatenvrouwen kwamen er tot hun verontwaardiging achter dat er geen enkele opvang was voor de achterblijvers. Ze overhandigden de legertop een zwartboek met al hun grieven. De landmacht, bevreesd voor slechte pers, kapselde het initiatief vliegensvlug in: overal werden comités opgericht en in 1994 werd de thuisfrontzorg opgenomen in het missionstatement. Sindsdien verplicht het leger zich ‘speciale aandacht’ aan het thuisfront te besteden. Een kwestie van goed werkgeverschap, maar ook van ‘verlicht eigenbelang’, zoals staatssecretaris Cees van der Knaap ooit ronduit toegaf.
Thuisfrontinfodag
In de foyer van de Oranjekazerne in Schaarsbergen schalt de muziek van Radio 538. Het is dinsdag tien uur ’s ochtends, juni 2006, tweehonderd man zitten aan lange tafels koffie te drinken en cake te eten. Vandaag is de thuisfrontinfodag van de Twaalfde Luchtmobiele Brigade, die over enkele weken richting Uruzgan gaat. Een dag lang ontvangt de landmacht de militairen en hun ‘relaties’, zoals ze consequent worden aangesproken. Om een geweldige hoeveelheid praktische informatie over hen uit te storten. En om door middel van goed gedoseerde peptalk de twijfel en bezorgdheid over de gevaarlijke missie weg te nemen. Alles uiteraard op kosten van defensie: tijdens de koffie kunnen de families hun gemaakte kilometers declareren.
Meteen bij binnenkomst krijgt de familie een linnen tas in handen gedrukt. De inhoud: een kaart met standaardzinnen in het Afghaans (‘Wij zijn vrienden!’, ‘Ik ga u fouilleren!’), een cassette met briefpapier en enveloppen en een dagboekje met op elke dag een wijze uitspraak van Loesje, de apostel Paulus of Youp van ’t Hek. Die zijn voor de soldaat. Voor het thuisfront zijn er folders over het versturen van pakketjes, stickers van de Luchtmobiele Brigade en een kinderboekje met als titel Daar is papa, hier ben ik. En niet te vergeten de handleiding nabestaanden, een vijfenveertig pagina’s tellende brochure waarin de soldaat tot in detail zijn wensen over de uitvaart kenbaar moet maken. Welke muziek wil hij tijdens de plechtigheid? En moet zijn as worden bijgezet in de urnengalerij van het crematorium, of per schip worden verstrooid over de Noordzee?
In de filmzaal begint het programma. Een onafzienbare rij personeelsmanagers, maatschappelijk werkers en hulpverleners richt het woord tot het thuisfront. De geestelijk verzorger die meegaat op de missie, een joviale dominee, vertelt dat hij in Uruzgan met de militairen regelmatig een kaars zal branden voor het thuisfront: ‘Als we in de vlam kijken, denken we aan jullie, de achterblijvers.’ De chef van het team Militaire Post Organisatie praat over de te nemen hordes bij het versturen van brieven en pakketjes. En een psycholoog geeft tips voor achterblijvers met kleine kinderen: ‘Zet een pot met snoepjes neer in de keuken. De snoepjes staan voor het aantal dagen dat papa nog wegblijft. Elke dag mag uw kind er één nemen, net zolang tot de pot leeg is en papa weer terug. Het voordeel van deze methode is dat u ’s nachts stiekem extra snoepjes in de pot kunt stoppen, mocht papa later thuiskomen dan verwacht.’
De meegekomen familieleden luisteren geconcentreerd – hier en daar worden zelfs aantekeningen gemaakt. De militairen hebben meer moeite hun hoofd erbij te houden. Ze zitten in groepjes naast de ingang, gehuld in het lichtbruine woestijnkostuum dat ze straks in Uruzgan zullen dragen, sigaretten rokend en geintjes makend. Ook als majoor Ciska Bot van de Maatschappelijke Dienst Defensie het protocol voor slechte tijdingen uit de doeken doet. ‘Als uw relatie is omgekomen of gewond geraakt, staan we zo snel mogelijk bij u voor de deur. Ook al weten we misschien nog niet de juiste verwondingen. Snelheid gaat boven volledigheid.’
Na de lunch is het de beurt aan de commandanten om het thuisfront toe te spreken. ‘Maakt u zich vooral geen zorgen,’ is de boodschap. Zeker, het is in Uruzgan ‘nog een beetje het wilde Westen’. En de soldaten kunnen straks wel degelijk ‘een stukje Taliban’ verwachten. Maar luitenant-kolonel Piet van der Sar heeft meteen twee geruststellende mededelingen: ‘Eén: als Luchtmobiele Brigade zijn we altijd in hoge paraatheid en we hebben voor de Uruzgan-missie niet hoeven improviseren. Twee: we hebben een aangepaste uitrusting.’ Er worden beelden vertoond van de grote Uruzgan-oefening in Duitsland: mannen op tanks en soldaten die zich met behulp van tulbanden als Afghanen hebben verkleed, onder begeleiding van een vrolijk housemuziekje. Kapitein Bert Stam, compagniescommandant op de basis in Tarin Kowt, spreekt het slotwoord uit: ‘Kijkend naar de oefeningen, het materiaal, de soldaten en u, het thuisfront, ben ik ervan overtuigd dat het goed zal gaan in Uruzgan.’ Hij verheft zijn stem: ‘Als wíj het niet aankunnen, wie in de wereld dan wél?’
Kogelvrij vest
Petra Werkman heeft zich op de witte sofa van haar woning in Spijkenisse gevleid. Ze heeft kortgeknipt, geblondeerd haar en op haar linkerarm is een oosters teken getatoeëerd dat ‘oprechtheid’ betekent. Buiten schijnt de zon, maar de gesloten lamellen hullen de kamer in het halfduister. Haar oudste dochter Denise zit achter de computer te chatten. Een foto van Rafael in vol militair ornaat doet dienst als screensaver.
Het is eind maart. Rafael is een week geleden naar Kandahar vertrokken. ‘In de dagen vlak voor zijn vertrek hadden we het voortdurend aan de stok met elkaar,’ vertelt Petra. ‘Hij had van ons huis een soort militair depot gemaakt. Overal slingerden zijn plunjezakken en militaire outfits. In een hoek lag zijn kogelvrije vest. Op het laatste moment bedacht hij ineens dat alle kledij nog moest worden geïmpregneerd met anti-insectenvloeistof. Een helse klus.’
In het laatste weekend organiseerde Petra een feest voor alle vrienden van Rafael. Op zondag gingen ze bowlen. Rafael en zijn vriendin kregen een hotelovernachting cadeau. Ze hadden net ontdekt dat ze zwanger was. Ongepland. ‘Hij vertelde het me pas vlak voor vertrek. Toen wist hij het al twee weken.’ Bij het uitzwaaien op de kazerne toonde Rafael zich ineens van zijn vaderlijke kant. ‘Zorgen jullie goed voor jullie moeder?’ vroeg hij aan zijn twee zusjes. Hij stak twee duimen in de lucht, draaide zich om en liep naar de gereedstaande bus. ‘Toen ik ’s middags thuiskwam in Spijkenisse, heb ik meteen teletekst aangezet op de thuisfrontpagina. Het vliegtuig naar Kandahar was vertrokken.’
Sinds Rafaels vertrek, vertelt Petra, heeft zijn afwezigheid haar volledig in de greep. In de avonden en in het weekend verlaat ze haar huis alleen voor het hoogst noodzakelijke – bang als ze is om een telefoontje te missen. ‘Rafael belt op de raarste momenten. Soms om zeven uur ’s ochtends. Ze kunnen daar in Kandahar onbeperkt en gratis bellen op kosten van de Amerikanen. Zo nu en dan msn’t hij met zijn zusjes.’
Petra is een weblog begonnen over Rafael (http://kindopeenmissie.web-log.nl). Ze houdt nauwgezet het laatste nieuws over Afghanistan bij, voegt persoonlijke noten toe en plaatst foto’s van haar zoon. Een dynamische blog moet het worden, waarop Petra, Rafael en zijn vrienden voortdurend met elkaar in contact staan. Ook heeft ze zich aangemeld op allerhande internetfora voor thuisblijvers.
Petra heeft twee angsten, vertelt ze. Eén: Rafael brengt het er niet levend vanaf. ‘Zelf doet hij er heel laconiek over. Hij heeft me verzekerd dat hij niet van de basis af hoeft voor patrouille. Er zijn af en toe aanslagen op het kamp. Vorige week waren er projectielen ingeslagen in een naburig hospitaal. Rafael zei alleen: “Die lui, die kunnen niet richten.”’ Angst nummer twee: Rafael komt heelhuids terug, maar zit psychisch in de knoop. Daar is Petra eigenlijk het meest bang voor. ‘Hij is pas eenentwintig en heeft al naar een bunker moeten rennen voor zijn leven.’
Boos en verdrietig
‘Emotionele verstoring,’ zo zou René Moelker de fase typeren waarin Petra Werkman zich een week na het vertrek van haar zoon bevindt. Moelker, als socioloog verbonden aan de Faculteit Militaire Wetenschappen (FMW) in Breda, weet precies in welke stemmingen het thuisfront vóór, tijdens en na een uitzending verkeert. Stap voor stap loopt Moelker de ‘thuisfrontfases’ door: ‘De thuisblijvers reageren bijna altijd geschokt als ze voor het eerst horen dat een militair uitgezonden gaat worden. De aankondiging van een missie wordt zelden met enthousiasme ontvangen. De laatste dagen voor vertrek worden gevoelens vaak onderdrukt of ontkend – vandaar dat er vaak zulke heftige ontladingen zijn bij het uitzwaaien.’
Na het vertrek is er vaak sprake van verwarring, vertelt Moelker. Het thuisfront moet wennen aan een nieuw levensritme, is boos en verdrietig en voelt zich in de steek gelaten. Dat is de fase waarin Petra Werkman zit. ‘Maar ik heb een troostende mededeling. Na een week of zes wordt het gemis minder intens en pakken de achterblijvers hun leven weer op. De fase ná de hereniging lijkt vaak op de wittebroodsweken na een trouwerij. Militair en thuisfront zijn blij weer bij elkaar te zijn, maar moeten ook weer aan elkaar wennen. Na een maand of twee zijn de verhoudingen meestal weer stabiel.’
Behalve de chronologie van het gemis bestudeert Moelker ook de organisatie van het thuisfront als sociologisch fenomeen. De thuisfrontcomités, zegt hij, vertonen een opmerkelijke gelijkenis met clubs als de Alcoholics Anonymous en de Weight Watchers. ‘Het zijn zelfhulpgroepen. Thuisblijvers hebben, net als alcoholici en mensen die zichzelf te dik vinden, meer baat bij lotgenotencontact dan bij professionele hulp.’
Op dit moment is Moelker bezig met een vergelijkend onderzoek tussen thuisfrontcomités in verschillende westerse landen. De rol van het leger bij de thuisfrontzorg is in elk land anders, vertelt hij. In Denemarken bijvoorbeeld laat de krijgsmacht de thuisfrontcomités geheel en al met rust. In de Verenigde Staten zijn de family readiness groups juist volledig geïntegreerd in het militaire bedrijf. Moelker: ‘De hiërarchie van het bataljon klinkt door in de samenstelling van het comité, aangezien de vrouw van de commandant meestal de voorzitter is. Verder moet iedere vrijwilliger een eed van trouw aan het comité zweren. Een Canadese collega-wetenschapper zei een keer tegen mij: “In Amerika zijn er geen volunteers, maar voluntold.”’
En waar staat het Nederlandse thuisfront? ‘Dat wordt ruimhartig gefinancierd door defensie, maar krijgt redelijke vrijheid in het organiseren van zijn activiteiten.’
In de rij
Half mei zit Petra Werkman weer op de witte sofa. Weer schijnt buiten de zon, weer zijn de lamellen gesloten. Haar dochter Denise doet de afwas en beklaagt zich over haar werk bij de plaatselijke McDonald’s. Natalie, de jongste dochter, komt van de trap gestormd en vraagt: ‘Mam, kun jij morgenochtend meekomen naar school? Ik moet iemands haar stylen voor het vak uiterlijke verzorging.’
Het is nu anderhalve maand geleden dat Rafael naar Kandahar is vertrokken. Petra is niet meer aan huis gekluisterd uit angst zijn telefoontjes te missen. Hij belt sowieso veel minder vaak dan in het begin. Eens in de twee weken een paar minuten op haar mobiele telefoon, terwijl ze op haar werk zit. Onlangs zat hij een halfuur op msn. Dat was een uitschieter. ‘Hij moet natuurlijk ook zijn vriendin spreken. En het gratis bellen op Amerikaanse kosten is voorbij. Het gaat nu gewoon met een telefoonkaart. Eén poging per keer. Wordt er niet opgenomen, dan mag je weer achteraan in de rij gaan staan.’
Wat haar het zwaarst is gevallen? De oppervlakkigheid van het contact. ‘Ik wil natuurlijk weten hoe het daar is, en mijn omgeving zit ook te vissen. Maar uit de eerste hand hoor ik praktisch niets. Rafael is van nature geen terughoudende jongen, hij vertelt altijd alles. Maar nu laat hij niets los. De geestelijke afstand is heel groot geworden. Het zijn plichtmatige gesprekken, alsof je met de buurman staat te praten.’
Petra begrijpt dat Rafael straffe instructies heeft gekregen van defensie. Hij mag alleen maar praten over wat achter hem ligt, niet over de toekomst. En daar houdt hij zich keurig aan. ‘Maar er valt ook niet zoveel te vertellen. Hij heeft weinig om handen op de basis. Hij heeft een tijdje binnenkomende voertuigen gecontroleerd, maar inmiddels doet hij niet veel meer dan koffiezetten en kopietjes maken. Nou ja, hij verdient er lekker mee. Alle buitenlandtoelages meegerekend zo’n 3800 euro netto in de maand.’
Klef
Behalve het telefoneren valt ook het digitale contact tegen. De chatfora voor soldatenvrouwen heeft Petra al snel voor gezien gehouden, vanwege het ‘hoge onnozelheidsgehalte’. ‘De vrouwen op die sites wisselen alleen maar recepten uit en praten over kaarsjes branden. Ze zijn hartstikke klef, met hun kusjes hier en knuffels daar.’
Ook het weblog is niet geworden wat Petra ervan verwacht had. ‘Rafael heeft zelf maar één keer een berichtje achtergelaten. Zijn vrienden hebben helemáál niets van zich laten horen. Zelf knip en plak ik alleen nog maar nieuwsberichten op de site. Schrijven doe ik niet meer.’
De aloude veldpost is toch de beste manier om contact te houden, zo is gebleken. Petra had er nooit bij stilgestaan hoe belangrijk die pakketjes zijn voor de militairen. ‘Als de andere jongens bij elke lichting iets krijgen en hij niet, dan voelt Rafael zich rot.’ Dus gaat er elke week een pakket richting Afghanistan met dvd’s, foto’s, snoep en magazines. Rafael verstuurt zo nu dan ook iets. ‘Gisteren kreeg ik een groot pakket van hem. Er zat een brief in, en drie vaalbruine asbakken. “Made in Pakistan,” stond erop. Die had hij gekocht op de compoundbazaar, die de lokale bevolking speciaal voor de militairen organiseert.’ Petra haalt een ansichtkaart van Rafael te voorschijn. Er prijken kindertjes op en kamelen met op de achtergrond een woestijn. ‘Groeten uit Afghanistan’, staat in zwierige letters gedrukt. ‘Voor de grap stuur ik hem nu ansichtkaarten terug met “Groeten uit Spijkenisse”.’
Op een woensdag in juni, om tien voor zeven ’s avonds, zet Rafael weer voet op Nederlandse bodem. Hij mocht van zijn superieuren anderhalve maand eerder naar huis. Ze zagen in dat hij niet meer nodig was. Bovendien wilde hij graag bij zijn zwangere vriendin zijn. De commandant schreef in een aardige brief dat hij Rafael wel begreep. Zijn medemilitairen hadden een groepsfoto laten maken met een persoonlijke boodschap op de achterkant.
‘Toen Rafael kwam aanlopen, stonden we met onze gezichten tegen het glas gedrukt,’ zegt Petra. ‘Het viel me meteen op dat hij er heel goed uitzag: lekker bruin, sterker en robuuster dan voorheen.’ In de auto naar Spijkenisse had Rafael het hoogste woord. Over zijn contacten met de lokale bevolking, over het Afghaans dat hij had geleerd en de medaille voor goed gedrag die hij had ontvangen.
‘Ik had van tevoren al tegen zijn zussen gezegd: “Let op, het eerste wat hij bij thuiskomst doet, is poepen op de wc van zijn moeder.” En ja hoor, hij dook meteen de wc in. Vervolgens haalde hij van alles te voorschijn uit zijn plunjezakken. Trots liet hij zijn medaille zien, foto’s, filmpjes, oorkondes en een tevredenheidsbetuiging.’
De wittebroodsweken duurden welgeteld één dag. ‘Ik dacht dat ik dagen of zelfs weken euforisch zou zijn. Maar vanaf dag één ergerde ik me weer aan zijn rondslingerende spullen. En ik bel hem weer voortdurend om te vragen waar hij uithangt.’
Rafaels zussen vragen amper naar zijn ervaringen. ‘Hij is er weer, en daarmee klaar. Afghanistan boeit hen niet.’
Petra’s grootste angst lijkt vooralsnog niet te zijn uitgekomen: Rafael wekt een allesbehalve geknakte indruk. ‘Hij is rustiger geworden, praat als een echte volwassene. En hij slaapt als een roos.’
Rafaels zwaarste momenten in Kandahar zijn de ceremonies voor omgekomen militairen geweest. Voordat de kisten werden teruggevlogen, kwamen de militairen uit alle landen samen op het vliegveld. Dat heeft Rafael zo’n tien keer meegemaakt. Petra: ‘Ik ben dolblij dat hij nu al terug is. Ik heb te doen met de ouders die hun kinderen nu pas uitzwaaien. Meteen bij thuiskomst vroeg ik aan Rafael: “Denk je dat er doden gaan vallen?” Hij zweeg veelbetekenend.’
Lezersoproep
U bent al 40 jaar getrouwd met een lieve boekhouder, maar valt ineens voor een Poolse bouwvakker. U stemt stiekem met uw portemonnee in plaats van uw hart. U zit in de actiegroep Behoud de Buurtwinkel, maar shopt soms bij de Lidl.
