VN MediagidsProfiel J.P. Balkenende Deel 5: ideoloog tegen de verzorgingsstaat
Politiek / Jan Peter Balkenende 04.11.2006
De vermomde liberaal
Als medewerker van het Wetenschappelijk Instituut (WI) voor het CDA kon Balkenende zijn weerzin tegen het heersende maakbaarheidsdenken kwijt in analyses over de doorgeschoten verzorgingsstaat. Wie deze analyses leest, begrijpt dat hij er als premier bewust voor koos de overheidszorg terug te brengen tot ‘een basisvoorziening’. Maar zelfs zijn ‘geestelijke vader’, oud-WI-directeur Arie Oostlander, vindt dat hij te ver gaat. ‘Het gevaar is dat we een liberale woestenij overhouden waarin individuen zich maar moeten zien te redden.’
De eerste voorzitters van het CDA hadden een broertje dood aan elke schijn van verdeeldheid. Piet Bukman (1980-1986) legde de knoet over de partij en verwierf zich met die autoritaire stijl de bijnaam ‘Lenin van Voorschoten’. Zijn opvolger Wim van Velzen (1986-1994) had het gemunt op zelfstandige partijorganen als de jongerenorganisatie CDJA en het Wetenschappelijk Instituut (WI). Ook Jan Peter Balkenende, sinds 1984 werkzaam bij het Wetenschappelijk Instituut, kreeg te maken met zijn zucht naar orde en discipline. Op een dag kwam Van Velzen zich op de burelen van het WI beklagen over het rommeltje dat Balkenende en zijn collega’s ervan maakten. Ze zaten maar boeken te lezen en deden verder niets, behalve af en toe een rapport publiceren. Konden ze niet eens echt aan de slag gaan?
Balkenende wist raad, herinnert toenmalig WI-directeur Arie Oostlander zich. ‘Na de tirade van de voorzitter heeft Jan Peter een groot vel papier gepakt en een heel organisatieschema van het WI gemaakt, met veel pijlen, diagrammen, en afschuwelijke woorden als helikopterview, input, sideput, output. Een complete karikatuur. Of hij dat mocht ophangen. Ja, zei ik, maar wel in het zicht van de voorzitter. Heeft er jaren gehangen.’
Het voorval tekent de teamgeest en saamhorigheid tussen de medewerkers van het Wetenschappelijk Instituut en hun afkeer van de partijhiërarchie. Arie Oostlander wilde dwarse denkers om zich heen. Het in 1980 gevormde CDA was nog maar enkele jaren oud en de directeur van het WI zag het als zijn taak een ideologische grondslag onder de partij te leggen. Voor het eerst in de geschiedenis vormden katholieken, hervormden en gereformeerden één politiek huis. Ze moesten wel, nu marginalisering dreigde na alle verkiezingsnederlagen sinds de jaren zestig. Maar het was geen sinecure een bindend gedachtegoed te formuleren voor geloofsgroepen met zulke grote verschillen in ideeën, cultuur en mentaliteit. Dat vergde ruimte voor het denken, wat zich niet verdroeg met de benauwdheid die de partijorde van Bukman en Van Velzen met zich meebracht.
Oostlander zocht medewerkers die ‘riskante onderwerpen’ aandurfden: ‘Met angst en beven zagen ze op het secretariaat van de partij een nieuw rapport tegemoet. Kan dat ons niet schaden, vroegen ze dan, kan het niet wachten tot na de verkiezingen? Als eersten stelden wij het recht op een huwelijk voor homo’s aan de orde. Vonden ze doodgriezelig.’ Kennis van de christen-democratische ideeëngeschiedenis kon de standvastigheid bieden om de partijdruk te weerstaan. Oostlander gaf zijn mensen daarom de opdracht alles wat los en vast zat uit de eigen traditie te lezen, op zoek naar een eigentijdse ideologie die katholieken en protestanten aansprak. Abraham Kuyper, Herman Dooyeweerd, Thomas van Aquino, Johannes Calvijn, de pauselijke encyclieken, dat waren de bronnen waaruit ze putten. ‘Jan Peter is een schrandere vent,’ zegt Oostlander. ‘Een echte Kuyperiaan, omdat hij het scherp belijnde zocht, liever dan het gevoelsmatige van de katholieken.’
Gereformeerd trio
Later zou Balkenende Oostlander zijn ‘geestelijke vader’ noemen. Bij zijn komst naar het WI op 1 april 1984 trof hij, naast zijn directeur, Kees Klop als collega aan, net als hij en Oostlander van gereformeerde huize. Daarnaast deelde hij de burelen met de hervormde Ab Klink en met Yvonne Timmerman-Buck en Theo Brinkel, beiden katholiek. Klink herinnert zich: ‘Oostlander zette me in een kamer en zei: “Jij mag een staatsvisie van het CDA schrijven.” Idioot dat je dat vraagt aan een jongen van vijfentwintig die als een groentje het bureau binnenkomt. Ik had geen enkel idee wat de reikwijdte van zijn opdracht was.’
Het idiote verzoek had wel het gewenste effect. Vijf jaar later publiceerde het WI Klinks rapport Publieke gerechtigheid, een christen-democratische visie op de rol van de overheid. Klink is tegenwoordig directeur van het Wetenschappelijk Instituut. Hij geldt als een van de invloedrijkste mannen in het CDA. ‘Jan Peter had die eerste maanden donders goed in de gaten dat een jonge collega met een bijna onmogelijk opdracht was opgezadeld,’ zegt hij. ‘Dan stak hij zijn hoofd om de hoek en zei: “Gaat ie? Eet je even mee?” Buitengewoon collegiaal. In die tijd is onze vriendschapsband gevormd. Onze denktradities waren heel verschillend. Hij kende het werk van Abraham Kuyper op zijn duimpje, ik wist alleen wanneer die man had geleefd.’
Van het gereformeerde trio op het instituut had Balkenende volgens Klink de minst dogmatische inslag. ‘Bij Oostlander en Klop leefde nog sterk dat missionaire idee van Kuyper dat je tekenen van Gods rijk op aarde moet oprichten. Balkenende had wat minder van dat bevlogene. Dat sprak mij aan. Hij was meer geïnteresseerd in de wenselijke ordening van de samenleving en las daarvoor ook van alles buiten de eigen kring. Sociologen als Alvin Toffler met zijn Derde golf, John Naisbitt met Megatrends en Peter Berger met Het hemels baldakijn. Daarmee ging hij aan de haal. Hij verbond er politieke ideeën aan. Toffler voorspelde in 1985 als een van de eersten dat de Sovjet-Unie het niet zou houden, vanwege het centralisme. Dat intrigeerde Balkenende. Het verdiepte zijn visie op de samenleving en ook zijn overtuiging dat een land dat leunt op een centrale, sterke staat niet alleen financieel in de problemen komt, maar ook moreel, omdat het mensen afhankelijk, initiatiefloos en onvrij maakt. We hadden het kabinet-Den Uyl net achter de rug, de jaren zeventig, het hoogtij van de sociaal-democraten met hun geloof in een machtige overheid. Wij, christen-democraten, hadden behoefte aan een eigen visie en zochten die ook in contrastwerking. De sociologen van Balkenende hielpen ons met hun onthullende blik op centralistische stelsels.’
Gideonsbende
Theo Brinkel nam destijds op zijn eerste werkdag op het WI zijn manshoge beeld van Franciscus van Assisi mee, de heilige die, staande op de wereldbol, de onthechting van aardse verlokkingen symboliseert. De afdeling Voorlichting vroeg Brinkel zijn beeld op zijn eigen kamer te houden, om protestantse bezoekers niet te ontrieven, maar Oostlander vond het een prachtidee om Franciscus op de gang te zetten. ‘Volgens Arie pakte de oecumene ook op het WI pas echt goed uit als zij zich afspeelde tussen mensen die hun traditie kenden en wisten waarover ze het hadden. Dan zei hij tegen mij: “Nederland is een christelijke natie in protestantse zin, en daar heb jij als katholiek ook baat bij.” Ik begreep wel dat hij doelde op de liefde voor pluriformiteit die gereformeerden eigen is, maar ik herinnerde me ook hoe mijn geloofsgenoten drie eeuwen in schuilkerken zaten.’
Brinkel zegt dat ze zich op het WI een voorhoede voelden. ‘Een Gideonsbende, maar dan zonder de ambitie steeds kleiner te worden. Het CDA was drie, vier jaar oud en wij liepen voorop in de zoektocht naar politiek-inhoudelijke consensus tussen de bloedgroepen, zoals de hervormde, gereformeerde en katholieke geledingen toen heetten.’
Balkenende en zijn collega’s moesten de christen-democratische ideeëngeschiedenis aan de vergetelheid ontrukken. De vernieuwingsstorm van de jaren zestig had ook de christen-democraten niet onberoerd gelaten en de kernbegrippen uit hun traditie als ‘soevereiniteit in eigen kring’ en ‘subsidiariteit’ onder een dikke laag stof bedekt.
Brinkel: ‘Het erfgoed was in de jaren zestig als een last afgeworpen. De katholieke kerken zetten de beelden op straat, de universiteiten onderwezen niets meer over de oude leer. Aan de universiteit werd je voor gek versleten als je lid was van het CDA. PvdA’er Joop van den Berg zei dat de fusiepartijen KVP, ARP en CHU zich in het CDA hadden aaneengesloten om te sterven in elkaars armen. Wij van de jongere garde op het WI, Balkenende, Klink, Timmerman en ik, hebben ons de filosofie, het christelijk-sociaal en het katholiek-sociaal denken helemaal zelf eigen moeten maken. Dat maakte ons tot een extra gemotiveerde generatie. Wij kozen bewust.’
Het oude erfgoed
Door de ontkerkelijking, schreef Balkenende naderhand, had het CDA aanvankelijk geen weerwoord op het moderne levensgevoel, de sfeer van optimisme en vooruitgangsgeloof waarin oude vormen en tradities als overtollige ballast terzijde werden geschoven. Ook de kerken zelf en de christelijke politieke partijen waren ontvankelijk voor die revolutionaire drift. Daarom was het zo’n dwarse stap om in de traditie op zoek te gaan naar nuttige gedachten voor deze tijd.
Terwijl de generaties voor hen, opgesloten in de oude zuilen, nog vooral de onderlinge tegenstellingen aanzetten, gingen de oecumenisch gezinde jonge honden van het WI in het oude erfgoed op zoek naar de overeenkomsten. Oostlander liet hun zien dat de denkbeelden over staatsordening zich bij katholieken en protestanten als de schering en de inslag in een weefwerk tot elkaar verhielden. De katholieke leer van subsidiariteit houdt in dat de overheid slechts initiatieven ontplooit als individuen of maatschappelijke organisaties zelf niet in staat zijn hun problemen op te lossen. Dat is een verticale ordening, naar analogie van de hiërarchische orde in de rooms-katholieke kerk zelf. De protestantse leer van soevereiniteit in eigen kring beschouwt de samenleving als een geheel van nevengeschikte, gelijkwaardige en zelfstandige kringen, van gezin, kerk, maatschappelijke organisaties tot de staat zelf aan toe. Dat is een horizontale ordening, wat past bij de anti-hiërarchische protestantse cultuur.
Balkenende zocht in dat geheel van ordeningsvisies vooral een ideologische wapening tegen het heersende maakbaarheidsdenken. Zijn weerzin daartegen bracht hij op spottende wijze tot uitdrukking in zijn organisatieschema voor het Wetenschappelijk Instituut. In zijn serieuze werk kwam zijn kritiek op het maakbaarheidsdenken tot uiting in analyses over de doorgeschoten verzorgingsstaat. Voor een duiding van Balkenendes handelen als premier in de afgelopen jaren is kennis van deze analyses onontbeerlijk. Dat opent het zicht op de continuïteit in zijn denken. Zijn beleid om de overheidszorg terug te brengen tot ‘een basisvoorziening’ is een bewuste keuze geweest, waarvoor hij de zorgen in eigen kring over de teloorgang van het ‘sociale gezicht’ van het CDA op de koop toe neemt. Dat beleid komt voort uit een diepe overtuiging bij Balkenende over de wenselijke maatschappelijke orde, niet uit een opportunistische keuze om de politieke vrienden van de VVD tevreden te houden.
De verzorgingsstaat, na de oorlog opgebouwd om mensen te bevrijden van allerlei zorgen, ontneemt mensen in deze tijd hun verantwoordelijkheid. In plaats van vrij zijn ze afhankelijk gemaakt, wat nu juist niet de bedoeling was. Dat is de rode draad in het verhaal van Balkenende. In zijn visie kan het kabinet dus de vrijheid van mensen vergroten door hen minder afhankelijk te maken van overheidszorg. Met het afscheid van de verzorgingsstaat wil hij dit morele doel dienen, naast de financiële noodzaak om de kosten van de overheid terug te brengen.
Bron van kwaad
‘Mensen zien niet zo goed waarmee hij bezig is. Gek is dat. Hij wordt afgeschilderd als een beetje een dommige, sullige man, die zich door het neoliberalisme op sleeptouw heeft laten nemen. Zo is het niet. Hij weet heel goed wat hij wil. Waarmee ik uiteraard nog niets zeg over de vraag of het allemaal klopt of deugt wat hij doet,’ zegt Marcel Hoogenboom, docent aan de Universiteit Twente.
Hoogenboom is gepromoveerd op Standenstrijd en zekerheid, een geschiedschrijving over de sociale zorg in Nederland. ‘Balkenende is naar mijn idee bezig met een missie waarin de ontmanteling van de verzorgingsstaat, de vorming van nieuwe gemeenschappen tussen mensen en zijn verhaal over waarden en normen een samenhangend geheel vormen. Hij wil dat zorg minder van de overheid en meer van het particulier initiatief komt. De verzorgingsstaat is in zijn ogen een bron van veel kwaad doordat hij het cement tussen mensen heeft weggehaald. Ze kunnen altijd bij de staat terecht voor ondersteuning. Ze hebben geen verantwoordelijkheden jegens elkaar meer, alleen afdwingbare rechten bij de overheid.’ Balkenende wil vooral deze cultuur van de verzorgingsstaat ontmantelen.
‘De mens is pas een mens als hij geen ander mens meer nodig heeft. Meer vrijheid, meer gelijkheid, maar de broederschap legt het daartegen af.’ Zo luidt de sleutelpassage in het WI-rapport Van verzorgingsstaat naar verzorgingsmaatschappij, waarin het CDA in 1983 de basis voor zijn ideologie legde. In de verzorgingsstaat telde alleen het ‘ik’ en het hier en nu, zo luidde de cultuurkritiek. ‘Consumeren krijgt het accent boven produceren, zekerheid boven risico, gelijkheid boven verscheidenheid. Ondernemen, winst maken, hard werken en risico’s aanvaarden zijn in een kwade reuk komen te staan. Het hoeft allemaal niet zo. We hebben immers rechten en niet zoveel plichten.’
Het CDA voorzag dat de hervorming van de verzorgingsstaat een weerbarstige kwestie zou zijn: ‘De levensstijl van de samenleving is ernaar gaan staan.’ Uit hun pleidooi voor een ‘confrontatiepolitiek’ bleek hoe moeizaam de omslag naar verwachting van de christen-democraten zou zijn. De overheid moest de hardleerse burgers ‘confronteren’ met hun onvermogen hun eigen verantwoordelijkheid te nemen.
Kloeke calvinisten
Balkenende gelooft niet dat het denken en doen in Nederland sindsdien veel is veranderd. ‘Verschuivingen gaan langzaam, met horten en stoten. We zijn er nog steeds mee bezig,’ zei hij in zijn Tinbergenlezing, een van de sleutelredes tijdens zijn premierschap. Zijn uitgesproken voorkeur voor voortgezette regeringssamenwerking met de VVD komt, behalve uit loyaliteit met de coalitiepartner, mede voort uit de gedachte dat hij nog niet klaar is. ‘Volharden bij het ideaal,’ luidde de verkiezingsslogan van Kuyper in 1901, waarin Balkenende zijn inzet herkent.
In de Tinbergenlezing, oktober 2003, citeert hij met instemming wijlen Jan van den Brink, de katholieke oud-minister van Economische Zaken, die schetste hoe de verzorgingsstaat het ontstaan van een ‘nieuw arbeidsethos’ in de hand heeft gewerkt, waarin burgers inspanning en het leveren van prestaties met argwaan bekijken. Balkenende meent dat dit ethos nog altijd zijn sporen nalaat en de sanering van de verzorgingsstaat daarom op zoveel weerstand stuit. Die operatie tast niet alleen de financiële bestaanszekerheid van mensen aan, maar grijpt ook in hun leefpatroon en vrijheidsbeleving in. ‘Ik houd staande dat we na de grote welvaartssprong ook iets verloren hebben,’ zei Balkenende in de Bilderberglezing in januari 2005, een andere sleutelrede. ‘En dat is het besef dat welvaart niet vanzelf spreekt. Welvaart vraagt ook inspanning en de bereidheid van iedereen naar vermogen mee te doen.’
Balkenende, in zijn jeugd te Kapelle gevormd met de idee van Abraham Kuyper dat ‘ge bij den chocoladeketel en water- en melkkaraf geen geslacht van kloeke calvinisten kweekt,’ geeft daarmee de ontmanteling van de verzorgingsstaat de trekken van een cultuurstrijd. Daarin moet het ontspannen arbeidsethos plaats maken voor de deugden van gemeenschapszin en ijver. Balkenende heeft het ideaalbeeld van een ‘participatiemaatschappij’ met hardwerkende, fatsoenlijke burgers. In de VVD met haar prestatiemoraal ziet Balkenende een betrouwbare bondgenoot in deze strijd, meer dan in de PvdA, de partij die als geen ander met de cultuur van de verzorgingsstaat is verbonden.
Volgens Marcel Hoogenboom wil Balkenende een nieuwe sociale orde in het leven roepen. In die orde zijn burgers zich bewust van hun plicht tot rentmeesterschap en weten zij zich verantwoordelijk voor de toekomst, van henzelf en van anderen. Hoogenboom: ‘Wat dat betreft vind ik hem een idealist, een politicus met een revolutionair doel zelfs. Hij wil iets nieuws opbouwen, waarbij niet de verzorging, maar wel het staatsaandeel in de verzorging is weggehaald. De schadelijke werking van de verzorgingsstaat is volgens hem dat mensen de blik alleen nog op de overheid richten en zich niet meer verantwoordelijk voelen voor elkaar, noch voor de zorg voor zichzelf. Dat is ten koste gegaan van de sociale cohesie. Die samenhang wil hij terugbrengen.’
Volgens Hoogenboom veronderstelt Balkenende daarbij dat er na het terugtreden van de staat uit de zorg, als het ware vanzelf nieuwe gemeenschappen ontstaan die de verantwoordelijkheid op zich nemen. ‘Het spreekt dat daarbij ook het herstel van waarden en normen is gebaat. In dat waarden- en normendebat wordt schamper gedaan over Balkenende. Dat hij denkt dat het met de hulp van een paar corrigerende bordjes wel goed komt. Die schamperheid vind ik niet terecht, hoewel hij er inderdaad weinig aan doet dat debat uit de sfeer van kleinburgerlijkheid te houden. Hij heeft er echt wel meer ideeën over. Hij verwacht dat waarden en normen steviger verankerd zullen zijn in de nieuwe gemeenschappen die, naar hij hoopt, na de terugtrekking van de staat ontstaan.’
Afschuwelijke gemeenschappen
Volgens rechtsfilosoof Andreas Kinneging geeft dat vertrouwen in de morele kracht van gemeenschappen juist te weinig diepgang aan het waarden- en normenbetoog van Balkenende. ‘De stimulering van gemeenschapszin is heel belangrijk. Maar het kan daarbij niet blijven, anders wordt het te kaal. De beschavende werking van een goede opvoeding en goed onderwijs komt te weinig, of zelfs helemaal niet aan bod. Vergeet niet dat je ook afschuwelijke gemeenschappen hebt. Enge religieuze sekten waarin de leider iedereen manipuleert en slaapt met meisjes van twaalf. Beschaving, dat is de belangrijke term die we weer moeten gebruiken. Beschaving is de basis van alles, het fundament. Beschaafde mensen gaan ook op beschaafde wijze met elkaar om. En het bijbrengen van beschaving vergt meer dan gemeenschapszin.’
Kinneging was in de jaren tachtig medewerker van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, in dezelfde tijd dat Balkenende bij het WI werkte. Kinneging brak met de VVD, na de vergeefse poging van Frits Bolkestein in de eigen gelederen gehoor te vinden voor conservatieve noties, en zocht even zijn heil bij het CDA. Ook deze partij heeft hij achter zich gelaten, uit onvrede over het intellectuele niveau en de koudwatervrees voor conservatisme.
De politicus Balkenende verschilt in niets van de WI-medewerker die Kinneging destijds geregeld ontmoette. ‘Balkenende is nog steeds dezelfde. Dat is zijn kracht als politicus. Het fundament is stevig. Maar ik vraag me wel af of die constantheid getuigt van het echte bikkelen, het echte denken. Het kan ook wijzen op een vastgeroest denkpatroon, een mooi afgerond geheel, waartoe andere gedachten geen toegang krijgen. Dat is het verschil tussen filosofie en ideologie. Filosoferen is een denkwijze die je luikjes naar de werkelijkheid openzet, een ideologie is een vast patroon dat je van de werkelijkheid kan afsluiten.’
Kinneging signaleert een lacune in het denken van Balkenende over waarden en normen. Deze belemmert bijvoorbeeld zijn zicht op de contradictie tussen zijn morele vertoog en zijn gastredacteurschap van het roddelprogramma RTL Boulevard of zijn medeverantwoordelijkheid voor de afbraak van de publieke omroep. ‘Het verhaal blijft steken bij een oproep tot het beter in acht nemen van waarden en normen. Dat is nu een kreet, nog zonder uitwerking. Wat ontbreekt is het klassieke humanitasideaal, de paideia, de opvoeding van mensen tot nette, beschaafde wezens. Opvoeding, dat is het lagere temperen en het hogere bevorderen. De cultuur met een grote C. Dan word je pas waarlijk mens. De gotspe is dat Balkenende praat over de kenniseconomie als hij over onderwijs spreekt. Dat is een enorme verenging. Waarom zit je op school? Veeleer dan om een vak te leren, is dat om een beschaafde burger te worden. Dat komt niet aan de orde.’
Kinneging zegt dat het denken over waarden en normen bij het CDA rudimentair is. ‘Solidariteit vinden ze het belangrijkst. Dat is psychologisch ook wel te verklaren. Solidariteit is de moderne variant van de bijbelse naastenliefde, de barmhartigheid. Dat is in hun ogen de hoogste waarde. Ik vind dat een verschraling van het morele denken. Want solidariteit, naastenliefde, is belangrijk, maar andere deugden evenzeer. Moed, bijvoorbeeld, zelfbeheersing, ijver, oprechtheid, niet cynisch zijn. Solidariteit is een deugd die een individu in staat stelt in een gemeenschap met anderen te functioneren. Een vader moet solidair zijn met zijn kinderen. Maar hij moet meer doen. Hij moet zijn kinderen ook opvoeden in de deugden die hen tot nette, beschaafde, weldenkende individuen maken.’
Volgens Kinneging is het spreken van Balkenende over waarden en normen ook zo kaal doordat hij onvoldoende onderkent dat een politicus behalve een beleidsmaker ook een orator moet zijn: ‘Hij moet mensen overtuigen van het belang van hun zaak. Dat doet hij niet door leuzen, hij moet ook uitleggen. Wat bedoelt Balkenende met waarden en normen? Door het gebrek aan inhoud krijg je grappen. Wormen in Naarden. Ik kan me dat voorstellen. Ik had meer verwacht van Balkenende. Meer gehoopt. Zijn analyse van de crisis van de verzorgingsstaat blijft nu onvolledig.’
Uitdijende staat
In de Tinbergenlezing schetst Balkenende de wenteling van de verzorgingsstaat van zegen tot last. In de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog was het een goede zet dat de staat de zorgen van mensen tot de zijne maakte. De particuliere welvaart was in die jaren substantieel kleiner dan nu. In zo’n situatie is het zinnig om mensen niet de volle kostprijs van zorg, onderwijs, wonen, vervoer te laten betalen, om te voorkomen dat zij in armoede vervallen en ouders niet kunnen voldoen aan de zorgplicht jegens hun kinderen. Bij de invoering van haar bijstandswet in 1963 prees Balkenendes geestverwante Marga Klompé, de katholieke minister van Maatschappelijk Werk, het Nederlandse sociale stelsel nog omdat het van liefdadigheid een recht had gemaakt, geen genadegift.
Het ging volgens Balkenende mis toen na de voltooiing van de wederopbouw, de maakbaarheidsgedachte in de verzorgingsstaat leidend bleef. In het streven naar een rechtvaardige samenleving en een eerlijke spreiding van kennis, macht en inkomen, breidde de staat zijn invloed gestaag uit, over allerlei terreinen die voorheen buiten zijn competentiesfeer lagen, zoals de economie en de cultuur. De staat kreeg een onbegrensd karakter. Dat haasje-over-effect culmineerde in 1983 in de nieuwe Grondwet, waarin de overheid allerlei taken die ze voorheen aan anderen overliet voortaan als haar ‘voorwerp van zorg’ erkende.
In zijn rol van wetgever kreeg de uitdijende staat steeds meer pretenties om de samenleving naar zijn hand te zetten, een ontwikkeling die niet zonder gevaar is voor de democratie. De rechtsgeleerde Koopmans waarschuwde al in 1970 voor dat gevaar. Dat ligt besloten in een principiële rolwisseling van de wetgever, die erop neerkomt hij de samenleving niet meer volgt maar vormt.
Al op een van de eerste pagina’s van zijn proefschrift Overheidsregelgeving en maatschappelijke organisaties (1992) citeert Balkenende met instemming Koopmans’ waarschuwing: ‘De wetgever volgt niet, hij loopt voorop. De moderne verzorgingsstaat is goeddeels zijn schepping. Daarbij is geen enkele zede of gewoonte gecodificeerd, is ook niet de wet aangepast aan de dynamiek van de samenleving, maar is voetje voor voetje een andersoortige samenleving in het leven geroepen, met andere zeden en gewoonten en een andere dynamiek.’
De staat eet zo de samenleving op, meent Balkenende met de Franse socioloog Alain Touraine. Het gevaar voor de democratie is dat de overheid zich afsluit van de burgers, of zelfs autoritair wordt, als de samenleving zich niet aan haar wensbeelden houdt. De vertrouwenscrisis tussen burgers en politiek die in 2002 uitmondde in de Fortuyn-revolte heeft met dat verschijnsel te maken, meent Balkenende. In die crisis bleek onder meer dat de politiek lange tijd een vals ideaalbeeld koesterde van een vreedzame multiculturele samenleving.
Bij zijn aantreden beloofde het kabinet-Balkenende daarom de burgers meer greep op hun eigen leven te geven. ‘Mensen kunnen veel zelf als ze de vrijheid krijgen. Iedereen moet meedoen,’ staat in het regeerakkoord. ‘Onze overtuiging is dat de verantwoordelijkheid te veel is gecollectiviseerd.’ Het kabinet gaf met de idee dat de burgers weer op eigen benen moeten staan samenhang aan zijn beleid. De grote stelselwijzigingen in de sociale zekerheid en de gezondheidszorg zijn allemaal gebaseerd op het denkbeeld dat individuen dankzij de emancipatie en het hoge onderwijspeil meer dan ooit in staat zijn eigen keuzen te maken. Dan is het van de gekke dat de overheid dat voor hen doet.
Nationalistisch trekje
Balkenende reageerde met deze analyse ook op de maatschappelijke onvrede die Fortuyn zichtbaar had gemaakt. De politiek zou de verbroken verbindingen met de burgers kunnen herstellen door zich beter te oriënteren op hun ervaringen en problemen in het dagelijkse leven. Naderhand is het stilzwijgend overeengekomen ‘niet-aanvalspact’ tussen Balkenende en Fortuyn in de verkiezingscampagne van 2002 vaak beschreven als een tactisch opzetje van twee opponerende politici om aan de macht te komen. Zo’n versie van de gebeurtenissen verduistert echter het zicht op de inhoudelijke overeenstemming tussen beiden over de arrogantie van de macht en de ondergeschoven positie van burgers tegenover de staat.
Het is niet verwonderlijk dat een politicus die zijn kracht zoekt in het bijna vergeten erfgoed van Abraham Kuyper extra gevoelig is voor een staat die zijn burgers al te veel zeggenschap over hun lot heeft ontnomen. Balkenende wilde niets hebben van de opruimwoede onder de oude tradities die in zijn studententijd (1974-1982) ook aan de Vrije Universiteit woedde. Toen al stelde hij zich ten doel de filosofie van Kuyper te doordenken voor deze tijd. In die filosofie komt de staat altijd achteraan. De staat mag pas ingrijpen als de maatschappij zelf haar problemen niet kan oplossen.
Kuypers ideaal was een ‘organische’ opbouw van de samenleving, waarin burgers en hun natuurlijke verbanden als gezin, buurt en maatschappelijke organisaties recht wordt gedaan. Deze kringen moesten ‘soeverein’ zijn, dus zoveel mogelijk vrij van staatsinmenging. In deze tijd houdt deze leer van de ‘soevereiniteit in eigen kring’ de opdracht in terrein te heroveren op de bureaucratie en de instituties van de verzorgingsstaat, meent Balkenende.
Te veel staat ondermijnt het burgerschap, schreef hij in 1995 in een boekje voor de Calvinistische Juristen Vereniging. Zijn leermeester Arie Oostlander vertelde hem steevast van het Oostblok als afschrikwekkend voorbeeld van staten die doelbewust de beschermende schil van maatschappelijke organisaties, de ‘civil society’, hebben afgebroken om de burgers onder de duim te kunnen houden. Burgers wisten zich in de communistische regimes niet beschut in een eigen sfeer, buiten de controle van de overheid. Tussen hen en de staat stond niets.
Oostlander: ‘In die landen was het voor gewone mensen psychologisch noodzakelijk een dubbelleven te leiden. In het officiële publieke bestaan herhaalden zij de slogans van de eenheidspartij. Dat was een leven in de leugen van het reëel bestaande socialisme. In hun geheime leven poogden mensen zichzelf te zijn. Een bevriende jonge Tsjech zei me destijds dat hij maar tegen twee mensen, zijn vrouw en zijn moeder, de waarheid zei. Dat maakt in één klap duidelijk waarom de Tsjechische president Vaclav Havel na de bevrijding van het totalitaire regime zei dat ze in zijn land nu eindelijk in de waarheid konden leven.’
Daarom begrijpt Oostlander niet zo goed waarom Balkenende wegloopt met de Amerikaanse socioloog Amitai Etzioni. Volgens Oostlander werkt Etzioni’s overtuiging dat een land één gemeenschap is een geforceerd collectivisme in de hand. Balkenende is zeer gecharmeerd van het gemeenschapsdenken van de Amerikaan, wiens The New Golden Rule op zijn lijstje favoriete boeken staat. Op voorspraak van Balkenende sprak Etzioni in 2004, tijdens het Europees voorzitterschap van Nederland, een volle Ridderzaal toe over waarden en normen.
Van belang voor zijn denken over dat onderwerp is dat Etzioni een land en zijn volk als een gemeenschap op zichzelf ziet, met gedeelde waarden. Wat mensen bindt is van belang, niet wat mensen scheidt. In lijn met die filosofie hecht Balkenende vooral aan een gemene deler van heersende waarden en normen, het ‘gemeenschappelijk fundament van onze samenleving’, dat volgens hem is gelegen in de joods-christelijke traditie.
Oostlander: ‘Etzioni is absoluut niet de christen-democratische filosoof van deze tijd. Dat idee van één nationale gemeenschap heeft christen-democraten nooit aangesproken. In Amerika met zijn etnische groepen, waaraan Etzioni zijn beschouwingen wijdt, ligt dat anders. Hier, in Nederland, zien christen-democraten het volk juist liever niet als één. Pluriformiteit is voor ons een waarde op zich, ook als morele basis voor een zo grote mogelijke geloofs- en organisatievrijheid van groepen met uiteenlopende levensovertuigingen. Geef ze de ruimte! De nadruk op één nationale gemeenschap staat die vrijheid in de weg. Helaas is er een nationalistisch trekje het CDA binnengeslopen.’
Afbraakpolitiek
George Harinck, directeur van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands protestantisme aan de Vrije Universiteit, deelt de verbazing over de vereenzelviging van Balkenende met de ideeën van de Amerikaanse communitarist. ‘Dat denken van Etzioni over één land, één volk spoort niet met de zienswijze van Abraham Kuyper. Bij hem was de natie juist geen eenheid. Hij vond het vervelend dat er politici waren die het tegendeel beweerden. Want in dat geval moet je kunnen zeggen wat die eenheid is en vallen er altijd minderheden uit.’
Harinck is specialist in Kuypers gedachtegoed. Hij kent Balkenende onder meer van de Vrije Universiteit. Tot zijn aantreden als premier op 22 juli 2002 bezette Balkenende daar de leerstoel van bijzonder hoogleraar christelijk-sociaal denken. Harinck: ‘Kuyper zei dat iedereen in de samenleving de vrijheid moet hebben zich naar zijn eigen aard te ontwikkelen. De denkbeelden van Etzioni staan haaks op die zienswijze. Historicus Piet de Rooy constateerde al eens dat het Nederlanderschap nooit een politiek idee is geworden. Op het moment dat je probeert dat Nederlanderschap wel te definiëren, zoals Balkenende wil, vallen er dus mensen buiten de boot. In de praktijk van tegenwoordig zullen dat al gauw moslims zijn.’
Veeleer dan Kuyperiaans is de idee van een volksgemeenschap een conservatief-liberale gedachte. Een diepe scheidslijn in de tijd van Kuyper liep tussen de voor- en tegenstanders van die idee. Nationalisme was een centraal thema bij de behoudende vrij-liberalen. ‘Ons volk is een samenhangend geheel en deze eenheid moeten we handhaven,’ schreven zij in hun beginselen. Kuyper gruwde van dat nationale eenheidsstreven, en bovenal van de gedachte dat de overheid daarin een leidende rol toekomt: ‘Omdat zij eenmaal de hand aan het wieden slaande, zo licht de tarwe voor onkruid aanziet.’
Is Balkenende dan wellicht meer een liberaal dan een nieuwe Abraham Kuyper? Er zijn meer redenen om die vraag te stellen. Oostlander wijst op de medeverantwoordelijkheid van de premier voor een hervorming van het omroepbestel op liberale leest. Van een bestel dat recht doet aan de eigen identiteit van de omroepverenigingen, is dat omgevormd tot een soort staatszender, met een door de overheid benoemde manager aan de leiding, waarin de omroepen doelbewust zijn teruggebracht tot anonieme productiebedrijven. Dat is wat de liberale partijen VVD en D66 sinds jaar en dag wilden.
‘Het CDA had met deze afbraakpolitiek nóóit akkoord mogen gaan. Vroeger lieten we hierop nog een kabinet vallen,’ zegt Oostlander met een verwijzing naar de val van het kabinet-Marijnen (1965) over het liberale drijven voor een commerciële omroep. ‘Wellicht heeft het CDA zich op het terrein van de cultuurpolitiek door de VVD laten gijzelen omdat het alleen met de liberalen de gewenste hervormingen van de verzorgingsstaat tot stand kon brengen. En wellicht heeft dat het denken van Balkenende beïnvloed. Ook in de politiek kennen we het Stockholm-syndroom. Dat je de verkeerde gedachten van degene die jou gijzelt overneemt.’
Ieder voor zich
De meeste waarnemers die VN sprak voor dit artikel komen tot de conclusie dat het grote project van Balkenende kan resulteren in een samenleving waarin ieder voor zich leeft. Na de ontmanteling van de verzorgingsstaat is dan het individualisme de winnaar, en hebben de christen-democraten met hun ideaal van de verantwoordelijke samenleving het nakijken.
Oostlander: ‘Naar mijn gevoel zijn de liberalen in het kabinet disproportioneel aan de bak gekomen. Dat beleid van grotere eigen verantwoordelijkheid is vooral iets liberaals. Christen-democraten spreken liever van gespreide verantwoordelijkheid. Ze willen de positie van het gezin en maatschappelijke organisaties tegenover de staat versterken. Dat soort verbanden biedt een natuurlijke structuur waarin mensen verantwoordelijkheid voor elkaar nemen en de solidariteit als het ware vanzelf is georganiseerd. Natuurlijk hebben christen-democraten het ook wel over eigen verantwoordelijkheid, alleen gaat het dan minder om eigen verantwoordelijkheid voor ons zelf dan om eigen verantwoordelijkheid voor de ander.’
Oostlander zegt dat het zo maar terugleggen van verantwoordelijkheid bij het individu ‘riskant’ is. Balkenende hoopt met dat beleid een vruchtbare bodem te creëren voor nieuw particulier initiatief, een spontaan proces waarin burgers zich opnieuw organiseren. In dat perspectief is de ontmanteling van de verzorgingsstaat bedoeld om iets anders tot stand te brengen, een nieuwe charitatieve cultuur, zoals deze ook bestond in het calvinistische Amerika waarvan Abraham Kuyper aan het einde van de negentiende eeuw zo onder de indruk kwam.
Oostlander: ‘Ik zou dat vertrouwen niet zo hebben. Het gevaar is dat als dat proces van zelforganisatie niet op gang komt, we een liberale woestenij overhouden waarin individuen zich maar moeten zien te redden. Dan wordt het opnieuw een staatsverantwoordelijkheid om mensen die in de klem komen bij te springen. Ieder voor zich en de overheid voor ons allen.’
Kinneging ziet hetzelfde risico: ‘Ik ben bang dat hij Nederland nog iets te veel ziet als het Kapelle uit zijn jeugd, waar de samenhang tussen mensen die elkaar willen helpen ongetwijfeld nog bestond. Maar als je nu, in een situatie waarin de civil society is gefragmenteerd en de christelijke charitatieve cultuur goeddeels verdwenen, mensen aan zichzelf overlaat, krijg je een hobbesiaanse wereld van allen tegen allen. Dan speel je de radicale liberalen van de VVD in de kaart, of weerklinkt spoedig de roep om staatsingrijpen.’
Ook volgens Harinck en Hoogenboom is de kans dat het project-Balkenende mislukt reëel. Net als Kinneging vrezen zij dat Balkenende zijn beleid baseert op een illusoir beeld van Nederland. Harinck: ‘De kernvraag is of hij appelleert aan een samenleving die er inmiddels niet meer is.’ Hoogenboom: ‘Er is niet zo veel particulier initiatief meer, met uitzondering van een enkele buurtcorporatie of een sporadische straatactie om een uitgewezen asielzoeker op te vangen. De structuur waarop Balkenende wil bouwen, is er niet meer. Hij kan dus niet zonder meer terugvallen op de negentiende- en twintigste-eeuwse geestverwanten die hij op het Wetenschappelijk Instituut bestudeerde. In hun tijd was een tijdgebonden mengeling van sociale controle, onderlinge dwang, respect voor hiërarchie en traditie de humuslaag waarop het particulier initiatief floreerde. De gewenning aan de zorg door de overheid, maar bovenal de individualisering heeft die voedingsbodem weggeslagen.’
Hoogenboom zegt dat Balkenende tegen alle wetten van de sociologie wil ingaan. ‘Eigenlijk wil hij de individualisering stoppen. Hij wil tegen de keer ingaan. De individualisering heeft het voor de meeste mensen veel gemakkelijker gemaakt zich aan de armen te onttrekken. Het is gemakkelijker om niet te hoeven zien dat anderen armoede lijden. Vroeger was dat moeilijk, in een samenleving die doortrokken was van religie en haar idee van barmhartigheid. Nu is autonomie de norm geworden. Je kunt het voor jezelf beter verantwoorden dat je de armen links laat liggen. Dat geldt ook voor de middenklasse. Dat is een groot risico. Er dreigen Amerikaanse toestanden, een land met geïsoleerde Vinex-locaties waarin mensen leven die zich niets aantrekken van armen.’
Eerder dan als de nieuwe Abraham Kuyper kan Balkenende dus ongewild als een goed vermomde liberaal de geschiedenis ingaan. Dat zal hem niet zo veel kunnen schelen als hij op 22 november triomfeert over Wouter Bos. Hijzelf zal zo’n overwinning incasseren als een beloning voor de ideologisch geladen gedrevenheid waarmee hij al meer dan twintig jaar ten strijde trekt tegen de verzorgingsstaat.
Balkenendes favoriete intellectuelen [1]
[1]
Abraham Kuyper (1837-1920) Zeer invloedrijke protestantse denker en politicus. Oprichter van de protestantse Anti-Revolutionaire Partij, de Vrije Universiteit en dagblad De Standaard, waarvan hij ook hoofdredacteur was. Bekend als aanvoerder van de 'kleine luyden'. Premier van 1901 tot 1905.
[2]
Arie Oostlander (1936) Psycholoog. Decennialang invloedrijk CDA'er achter de schermen. Was directeur van het wetenschappelijk bureau, het dagelijks bestuur en het partijbestuur van het CDA. Later lid van het Europees Parlement, waar hij zich vooral bezig hield met de gevolgen van de uitbreiding van de Europese Unie. Nam afscheid met zijn politieke memoires Leven in de dromen van gisteren, waarin hij zich keerde tegen de Nederlandse euroscepsis.
[3]
Alvin Toffler (1928) Futoroloog. In wereldwijde bestsellers als Future Shock (1970) en The Third Wave (1980) snelde hij in zevenmijlslaarzen door de geschiedenis, analyseerde de invloed van snelle, technologische ontwikkeling en voorspelde de komst van het informatietijdperk. Goeroe van talloze wereldleiders die, als Balkenende, op zoek zijn naar een grand vision.
[4]
Amitai Etzioni (1929) Amerikaanse hoogleraar sociologie. Was adviseur van president Carter. Vele Europese leiders - van Blair tot Kohl - gingen bij hem op audiëntie. Is de geestelijk vader van het communitarisme. 'Het draait niet om de staat of de burger, maar om de gemeenschap,' lichtte Balkenende toe in zijn voorwoord op de Nederlandse vertaling van zijn favoriete boek The New Golden Rule.
Koot & Bie als professoren
Wim de Bie is tussen februari en mei 2012 bekleder van de Leonardoleerstoel aan de Universiteit van Tilburg. Hij heeft uitgebreid ervaring op kunnen doen als professor. Samen hebben Koot & Bie namelijk tientallen professoren gespeeld.
Satire en werkelijkheid
Halverwege de jaren tachtig maakten Koot en Bie een sketch over het ‘aanpassingsonderzoek onder een aantal proef-Marokkanen’ aan de Universiteit van Arnhem. "De werkelijkheid heeft de satire ruimschoots ingehaald."
