VN MediagidsProfiel J.P. Balkenende Deel 4: het tweede kabinet-Balkenende
Politiek / Jan Peter Balkenende 28.10.2006
De bewindslieden in het tweede kabinet-Balkenende leerden hun premier kennen als iemand die het initiatief niet naar zich toe trekt, vergaderingen louter procedureel voorzit en zijn gezag niet laat gelden. Hij is eerder de notulist dan de leider van het kabinet. Hij is eigenwijs, lichtgeraakt, kan slecht tegen kritiek. ‘Hij is een man van buiten die per ongeluk in het strijdgewoel terecht is gekomen.’
‘Balkenende en ik zijn in het zelfde jaar in de Tweede Kamer gekozen,’ vertelt Jet Bussemaker, woordvoerder Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de PvdA. ‘In 1998. We hebben allebei aan de Vrije Universiteit gewerkt, hij als hoogleraar christelijk-sociaal denken, ik als docent politicologie. We zijn nog een keer samen geïnterviewd door het universiteitsblad Ad Valvas. Ik vond hem een verlegen, wat studentikoze, typisch gereformeerde mannenbroeder. Hij paste perfect bij de cultuur die aan de VU heerste: een sfeer van ouwelijke heren die elkaar nooit afvallen. Ze maken onderling wel eens ruzie, maar leggen het dan bij met een glaasje jenever. Het is een gesloten front.’
Ferd Crone, collega van Bussemaker en financieel expert van de PvdA, studeerde aan de Universiteit van Amsterdam en daar kwam je in de jaren zeventig wel communisten, maoïsten en anarchisten tegen, maar geen mannenbroeders. Hij leerde Balkenende pas kennen toen die in 1998 Kamerlid was geworden. ‘Ik vond hem een sympathieke kerel, ik kon goed met hem opschieten. Maar hij was meer theoreticus dan politicus. Het verbaasde me dat hij meteen financieel woordvoerder werd.’
Het eerste kabinet-Balkenende viel op 16 oktober 2002 (zie ‘De prof die zomaar premier werd’, in VN van vorige week). Na de vervroegde verkiezingen op 22 januari 2003 kregen Bussemaker en Crone bijna dagelijks met Balkenende te maken. Onder regie van de informateurs Piet Hein Donner en Frans Leijnse werden pogingen in het werk gesteld een centrum-linkse coalitie te smeden. Makkelijk was het niet. PvdA-leider Wouter Bos verdacht Balkenende ervan dat hij koste wat het kost met de VVD wilde doorregeren. Al was daar geen Kamermeerderheid voor. Het onderhandelingsteam van de christen-democraten – dat behalve uit Balkenende uit Maxime Verhagen en Joop Wijn bestond – vond Bos een weifelkont. Wat was zijn standpunt over de noodzakelijke bezuinigingen, de looneisen van de vakbeweging en de Nederlandse deelname aan de oorlog in Irak? Er viel niet achter te komen. De andere onderhandelaars van de PvdA irriteerden het CDA ook. Crone maakte rekensommen die niet klopten, werd achter de hand gezegd. Bussemaker las de coalitiepartner in spe de les over het maatschappelijk middenveld. Alsof de CDA’ers daar zelf nog niet genoeg van wisten. Milieu-expert Diederik Samsom maakte het er niet beter op toen hij tijdens de gesprekken opeens een zak vol handtekeningen voor de sluiting van de kerncentrale in Borssele op tafel gooide. Maxime Verhagen weigerde ze in ontvangst te nemen. ‘Wat heb ik nou aan mijn fiets hangen? Zit ik hier te praten met actievoerders?’
Half april besloot het CDA de steven te wenden. Er werd door onderhandeld met de VVD, de ChristenUnie, de SGP en D66. Niet meer met de PvdA.
Onzekere indruk
Drie jaar later hebben de sociaal-democraten nog steeds flink de pest in over wat er toen gebeurde. Opmerkelijk genoeg zien ze Balkenende niet als de kwade genius achter het mislukken van de onderhandelingen. Ondanks zijn voorkeur voor een centrum-rechtse coalitie stuurde hij niet moedwillig aan op een breuk met de PvdA. Net als tijdens de val van het eerste kabinet-Balkenende voerden anderen dan de minister-president de regie.
Jet Bussemaker: ‘In het begin had Balkenende geloof ik weinig trek in de PvdA. Gaandeweg kreeg hij er vertrouwen in dat we er samen uit konden komen.’
Ferd Crone: ‘Ik denk dat Balkenende wel wilde.’
Bussemaker: ‘Ik vond hem een onzekere indruk maken. We hebben geprobeerd hem op zijn gemak te stellen. Ik knoopte vaak een praatje met hem aan. Dan vertelde ik dat ik in zijn woonplaats Capelle aan den IJssel geboren was en ook een dochter had.’
Crone: ‘Hij gaf een centrum-linkse coalitie een kans van fifty-fifty.’
Maar na zevenenzeventig dagen onderhandelen bestond er nog steeds een fundamenteel meningsverschil over het begrotingstekort. Het CDA vond dat het in 2007 weggewerkt moest zijn, van de PvdA mocht dat ook wel een paar jaar later worden. Ze kwamen er niet uit. De christen-democraten presenteerden een nieuw bezuinigingsvoorstel, naar staatssecretaris Joop Wijn van Financiën de wijnkaart genoemd. Er stonden eisen in waarmee de PvdA onder geen voorwaarde akkoord wilde gaan. Donner en Leijnse stapten naar de koningin.
Jet Bussemaker over dat drama: ‘Op de avond van de breuk zaten we bij Wouter op de kamer. We hadden gehoord dat het CDA niet meer zou willen. Op de gang kwamen we Balkenende en Verhagen tegen. Jan Peter keek ons angstig aan. Als een man die zijn vriendin wilde vertellen dat het uit was, maar dat niet over zijn lippen kon krijgen.’
Ferd Crone: ‘Toen we in de Eerste Kamer waren gearriveerd, draaide Balkenende er eerst een hele tijd omheen. Pas na een uur haalde hij de wijnkaart uit zijn binnenzak. Hij had het er zichtbaar moeilijk mee. Zijn stem brak, zijn ogen werden vochtig. Het was duidelijk wie de hardliners waren: Verhagen en Wijn. Ze zaten die avond ontzettend stoer te doen – als corpsballen die er lol in hadden dat wij door de mangel werden gehaald. Maxime en Joop zien de politiek als één groot spel. Zo zit Jan Peter niet in elkaar.’
Immateriële onderwerpen
Op 26 mei stond Balkenende voor de tweede keer in een jaar op het bordes – dit keer gesecondeerd door Gerrit Zalm (VVD) en Thom de Graaf (D66). Tussen de bedrijven door verkenden de informateurs Rein Jan Hoekstra en Frits Korthals Altes ook nog de mogelijkheid van een kabinet met de kleine christelijke partijen. Balkenende voelde daar wel voor. Het was de VVD die het plan doorkruiste. André Rouvoet van de ChristenUnie hield dat voorjaar een formatiedagboek bij. Van Nijkerk naar Amersfoort, van een optreden bij Twee Vandaag naar een interview met Andries Knevel. Een brainstorm met christelijke opinieleiders, een bidstond met de fractiemedewerkers (‘Dat doet weldadig aan’). En dan ook nog urenlang praten met Maxime Verhagen en Gerda Verburg, die Rouvoet verzekerden dat hun voorkeur naar hem uitging en niet naar D66. De fractievoorzitter van de ChristenUnie viel van de ene verbazing in de andere, vertelt hij ons nu op zijn kamer aan het Binnenhof. Zo deelde Gerrit Zalm hem mee dat hij te weinig verstand had van immateriële zaken als abortus, euthanasie, embryo’s, klonen en het bordeelverbod. Daarover moest Rouvoet maar met Erica Terpstra gaan praten. ‘Ze had ons hele verkiezingsprogramma gelezen en alle passages over immateriële onderwerpen met viltstiften bewerkt. Groen was: in orde. Geel: kan er meer door. Oranje: no way. Ik zag heel veel oranje strepen.’
Het grote probleem: er was geen Kamermeerderheid zonder de SGP. Van de liberalen mocht deze bijbelvaste partij het nieuwe kabinet alleen maar gedogen, zelf wilden de staatkundig gereformeerden serieus meepraten over een mogelijke coalitie. Maandag 28 april kwam opeens het bericht dat de informateurs toch eerst met D66 wilden praten. De ChristenUnie besloot om opheldering te vragen. Balkenende was niet bereikbaar. Hij sprak alleen de voicemail van Rouvoet in (‘Ik kan je niet helpen, ik was er niet bij’). Verhagen verschool zich achter het argument dat hij de VVD niet tot een keus kon dwingen. De volgende dag stond een ploeg van het NOS-Journaal voor de deur met het bericht dat het CDA voor D66 had gekozen. Even later belde Gerda Verburg met de boodschap: ‘Maxime komt zo even bij je langs.’ Het was duidelijk hoe de vlag erbij hing. Rouvoet nu: ‘Ik was heel nijdig. De dag daarvoor had Verhagen me nog verzekerd dat de voorkeur van de CDA-fractie naar ons uitging. Jan Peter heeft wekenlang een kabinet met de ChristenUnie willen vormen. Binnen zijn eigen partij was hij de vaandeldrager van dat idee. En opeens sloeg hij om. Zonder me iets te laten weten. Ik heb dat nooit van hem begrepen.’
Apolitieke figuur
D66-leider Boris Dittrich had in januari 2003 nog gezegd dat zijn partij, ooit het bindmiddel van de paarse coalitie, geen overstap naar centrum-rechts overwoog: ‘Wij gaan die draai niet maken.’ Maar CDA en PvdA waren niet nader tot elkaar gekomen en de VVD wilde de SGP er niet bij. Het landsbelang riep.
Dittrich heeft net besloten uit de politiek te stappen als we hem – zomer 2006 – op een Amsterdams terras spreken. ‘Ik heb Balkenende voor het eerst ontmoet tijdens de verkiezingscampagne van 1998,’ vertelt hij. ‘Hij stond toen kandidaat voor de Kamer. Er was een debat over ontwikkelingssamenwerking. Hij was heel bevlogen, maar kreeg geen enkel contact met de zaal. Ik herinner me nog dat ik dacht: wat een apolitieke figuur, die jongen zal het nog moeilijk krijgen in Den Haag!’
Zodra Balkenende in de Kamer zat, probeerde Dittrich contact te leggen. Dat viel niet mee. ‘Zo’n Maxime Verhagen slaat meteen een arm om je schouder en bestelt nog een rondje. Daar is Jan Peter te serieus voor. Hij heeft wel een soort studentikoze humor. Dan maakt hij grappen waar hij zelf héél hard om moet lachen.’
Dittrich over de formatie van 2003: ‘Toen het met de PvdA was mislukt, werd ik gebeld door het CDA. Ze zeiden: we weten dat jullie nee hebben gezegd, maar zou je er nog eens goed over willen nadenken? Ik was zelf niet zo happig op deelname aan het kabinet, maar Thom de Graaf was ervoor. Die zag én voor de partij én voor zichzelf een grote kans.’ Dittrich werd uitgenodigd in de commissiekamer van de senaat. Balkenende hield zich bij de besprekingen op de achtergrond. Het meest aan het woord was informateur Korthals Altes. Die vuurde voortdurend scherpe vragen op iedereen af. Maxime Verhagen deed het handwerk voor het CDA. Balkenende veerde pas op als het ging over normen en waarden of over de publieke omroep. Daar had de oud-vice-voorzitter van de NCRV uitgesproken standpunten over. Van de zuilen moesten VVD en D66 afblijven. Maar verder ging het van een leien dakje. Samen gingen ze de WAO, de bijstand en de zorgverzekeringen hervormen. De Democraten kregen geld voor onderwijs en natuur. Er zou een innovatieplatform komen. En D66 kreeg hervormingen van de democratie toegezegd, zoals de direct door de bevolking gekozen burgemeester. Toen ze eenmaal in het kabinet zaten, kwam er van die hervormingen weinig terecht. Dittrich: ‘Achteraf zijn we naïef geweest.’
Monsterverbond
Balkenende regeerde zevenentachtig dagen met VVD en de LPF. Hij praatte zevenenzeventig dagen met de PvdA. Wekenlang wekte hij de indruk dat zijn echte voorkeur uitging naar de ChristenUnie. Uiteindelijk sloot hij een monsterverbond met de liberalen. Voorjaar 2003 viel in zijn optreden de vaste hand van de Schipper naast God niet te bespeuren. Het was eerder een Schipperaar naast God.
PvdA’er Jet Bussemaker, drie jaar na dato: ‘Ik vind Jan Peter sympathiek en integer. Hij gebruikt geen trucs. Maar hij heeft zich tijdens die formatie niet laten kennen als een echte leider.’
Dat verwijt moet Jan Peter Balkenende inmiddels de neus uitkomen.
Maart 2003: de minister-president – op dat moment demissionair – moest zich in de Kamer verantwoorden voor de Margarita-affaire (de geheime dienst had zonder toestemming van de betreffende ministers de dochter van prinses Irene en haar toenmalige echtgenoot Edwin de Roy van Zuydewijn bespied). Balkenende kende het dossier onvoldoende en moest zich laten souffleren door Donner. Het debat was live op de televisie te zien. De premier had achter de feiten aangelopen, zei PvdA’er Ella Kalsbeek tijdens het debat. Bij zulke zaken was ‘feilloze stuurmanskunst’ vereist en daar had Balkenende geen blijk van gegeven, voegde VVD’er Jozias van Aartsen daaraan toe.
In de zomer van dat jaar deed zich een nieuwe crisis rond het Koninklijk Huis voor. Mabel Wisse Smit, verloofde van prins Friso, bleek omgang te hebben gehad met drugshandelaar Klaas Bruinsma. Na maanden van heisa in de media liet Balkenende weten dat hij ‘onvolledig en onjuist’ was geïnformeerd door het paar en dat het kabinet geen toestemming voor het huwelijk zou geven. De PvdA riep dat de rel had kunnen worden voorkomen als Balkenende de zaak tijdig had onderzocht. Wouter Bos: ‘De juiste regie en taxatie ontbraken.’
Aan het hof kon Balkenende sindsdien geen goed meer doen. Dat najaar deed hij een poging alsnog een wit voetje te halen bij de koningin. Tijdens zijn wekelijkse persconferentie hekelde hij een televisieprogramma dat de draak had gestoken met de monarchie. Hij bleek niet namens zijn kabinet te hebben gesproken. De vice-premiers Zalm en De Graaf namen onmiddellijk afstand van zijn uitspraken. De Tweede Kamer vroeg zich hardop af wie de leiding had binnen het kabinet.
Er buiten gehouden
De sturende hand van de premier bleek ook bij andere gelegenheden ver te zoeken. Juni 2004 trad VVD-staatssecretaris Annette Nijs van Onderwijs af. Ze had in een interview haar minister Maria van der Hoeven beledigd. Heel Den Haag wist al maanden dat het tussen die twee niet boterde. Het Torentje kennelijk niet. Vice-premier Zalm en VVD-fractieleider Van Aartsen besloten uiteindelijk dat Nijs weg moest. Balkenende moest toegeven dat hij er buiten was gehouden.
Ingrijpender voor de coalitie was het aftreden van vice-premier Thom de Graaf in maart 2005. De senaat blokkeerde de plannen voor een gekozen burgemeester die voor D66 een van de belangrijkste redenen waren om aan het kabinet deel te nemen. Dat kon Balkenende niet worden kwalijk genomen. Het was de schuld van de PvdA. De Graaf wilde van CDA en VVD weten of ze zich nu extra hard zouden maken voor een nieuw kiesstelsel. Hij kreeg nul op het rekest. Toen hield hij de eer aan zichzelf.
Binnen D66 klonk kritiek op De Graaf. De gemeenten en burgemeesters waren massaal te hoop gelopen tegen zijn plannen. Daar had hij nauwelijks naar geluisterd. De kritiek breidde zich ook uit tot de premier. Waarom had hij niet geprobeerd een compromis tussen zijn vice-premier en de Eerste Kamer af te dwingen? D66-prominent Boele Staal: ‘Balkenende had Thom tegen zichzelf moeten beschermen. Dat heeft hij niet gedaan.’
Juni was de maand van het Nederlandse nee tegen de Europese Grondwet. Het kabinet had bijna vier miljoen euro uitgetrokken om campagne te voeren. Helaas doorkruiste de ene na de andere minister de strategie. Wie tegen de Europese Grondwet stemde, vergrootte de kans op oorlog in Europa, zei Piet Hein Donner tijdens een partijbijeenkomst in Ede. ‘Bij nee gaat het licht uit,’ voegde Laurens Jan Brinkhorst van Economische Zaken daar dreigend aan toe. Het kwam over als chantage. Jan Peter Balkenende hield zich er opzichtig buiten. Had hij de touwtjes wel in handen? Die vraag werd steeds opnieuw gesteld.
Drie maanden later brak een heuse opstand uit onder de bewindslieden tegen hun premier. Het draaide om Cees Veerman van Landbouw, die immens populair was onder zijn collega’s. Bewindslieden vonden dat Balkenende zich te veel beperkte tot het technisch voorzitten van de vergaderingen en te weinig aandacht had voor de persoonlijke verhoudingen in het kabinet. Een van de bewindslieden uit Balkenende II: ‘Als het om financiën ging, zette Gerrit Zalm de toon. Bij staatsrechtelijke kwesties Piet Hein Donner. Als iemand persoonlijk in de problemen kwam, was het Cees Veerman die zich over hem ontfermde en niet Jan Peter. Veerman zei dan: voorzitter, kunnen we even schorsen, dan praat ik even met die collega op de gang.’
In augustus 2005 kwam juist die vaderfiguur van het kabinet onder vuur te liggen. Veerman bleek – tegen de gedragsregels in – nog geruime tijd directeur te zijn geweest van zijn boerderij in de Franse Dordogne. Balkenende verdedigde zijn minister in de Kamer, maar stak in het kabinet een preek af over de nevenfuncties die Veerman niet aan hem had gemeld. Aangezien het om onbenulligheden ging als lid van het comité van aanbeveling van de Nationale Haringparty, de Westlandse Druif en de Achterhoekse Paardendagen, vonden de collega’s de drukte die Balkenende daarover maakte hoogst overdreven. Moest Johan Remkes soms ook zijn ambassadeurschap van het Genevergenootschap neerleggen? Vrijwel iedereen vond dat de premier Cees Veerman unfair had bejegend.
Het was allemaal nog niets vergeleken bij de kritiek die Balkenende na de moord op Theo van Gogh (2 november) over zich heen kreeg. De premier – nog maar nauwelijks genezen van een pijnlijke voetoperatie – stond niet te trappelen om naar Amsterdam af te reizen. Tijdens een ‘lawaaidemonstratie’ op de Dam was het Rita Verdonk die het woord voerde. Balkenende zat moederziel alleen televisie te kijken in zijn Haagse appartement. De dagen daarna escaleerde de situatie. In het land (brandstichtingen in moskeeën en islamitische basisscholen), maar ook binnen het kabinet. Remkes van Binnenlandse Zaken verweet Donner van Justitie dat die te soft on terrorism zou zijn. Donner op zijn beurt wilde godslastering strafbaar stellen – wat op de nabestaanden van de man die moslims voor ‘geitenneukers’ had uitgemaakt als een trap na overkwam. Verdonk van Vreemdelingenzaken schopte stennis toen een imam uit Tilburg haar de hand weigerde te schudden. Contraproductief in zo’n gespannen situatie, vonden collega’s als Donner en Brinkhorst. Uiteindelijk waren het de raadsadviseurs van Algemene Zaken die de premier ervan overtuigden dat hij toch echt de deur uit moest om de gemoederen te sussen. Op het suikerfeest in Eindhoven, in het Haagse Laakkwartier en de Amsterdamse Watergraafsmeer had Balkenende maar één boodschap op zak: ‘Zo gaan we in dit land niet met elkaar om!’ Het maakte geen sterke indruk.
Gebrek aan regie. Geen gevoel voor taxatie. Logisch dat de oppositie daarop tamboereerde. Maar er waren ook ministers die het zeiden. En vooral: de vertegenwoordigers van de sociale partners.
Rommelig
Kabinetten in Nederland komen vaak in conflict met de vakbeweging. Joop den Uyl werd voor ‘asociaal’ uitgemaakt vanwege zijn ingreep in de ziektewet. Tegen de WAO-plannen van Wim Kok demonstreerde zelfs Aart Jan de Geus (toen beleidsmedewerker van het CNV) op het Malieveld. Maar van Balkenende, schrijver van kloeke boekwerken over het belang van het maatschappelijk middenveld, werd verwacht dat hij het met de sociale partners goed zou kunnen vinden. Toen hij in 2001 fractievoorzitter werd, zei Ab Klink, zijn voormalige collega bij het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, in de Volkskrant: ‘Ik durf wel te stellen dat Jan Peter de verpersoonlijking van het poldermodel is. Hij is het zelf.’
Hoe kon het dan gebeuren dat drie jaar later honderdduizenden vakbondsmensen op het Amsterdamse Museumplein te hoop liepen tegen het kabinet-Bak Ellende?
Dat kan niet los worden gezien van de stevige positie die de VVD al tijdens de kabinetsformatie van 2003 had verworven. Gerrit Zalm riep de christen-democraten jolig toe: als jullie er met de PvdA niet uitkomen, kun je bij ons terecht, maar dan kleden we jullie wel helemaal uit. Dat gebeurde. De sociaal-economische paragraaf van het regeerakkoord was nog veel harder dan het jaar daarvoor: bezuinigingen op de WAO, bezuinigingen op de WW, bezuinigingen op de bijstand. Enige maanden later kwam het accent vooral te liggen op de afschaffing van de fiscale voordelen voor mensen die met vut of prepensioen wilden. Het was tegen het zere been van bouwvakkers, stratenmakers en brandweermannen die vonden dat ze al lang genoeg krom hadden gelegen en nu recht hadden op een onbezorgde oude dag. Al die maatregelen bij elkaar vormden de hervormingsagenda van het kabinet.
Een beetje professor in het christelijk-sociaal denken zou alles op alles hebben gezet om de vakbeweging daarvoor mee te krijgen. Zo niet Jan Peter Balkenende.
Het begon meteen al ongelukkig. De eerste ontmoeting tussen de nieuwe premier en de sociale partners, zomer 2002, verliep uiterst rommelig. Niemand had Balkenende gezegd dat hij werd geacht de bijeenkomst in het SER-gebouw aan de Bezuidenhoutseweg voor te zitten. LPF-staatssecretaris Khee Liang Phoa van Emancipatie en Familiezaken stapte joviaal op zijn nieuwe collega Maria van der Hoeven af. Hij dacht per abuis dat ze bij de vakbeweging werkte. De ministers Heinsbroek (Economische Zaken) en Hoogervorst (Financiën) kregen op de gang slaande ruzie. FNV-voorzitter Lodewijk de Waal noemde de bijeenkomst na afloop ‘een zootje’.
Maar de chaos zou nog veel groter worden.
Asociaal beleid
Juli 2003 voerde het tweede kabinet-Balkenende zijn kennismakingsgesprek met werkgevers en werknemers. Doekle Terpstra was toen voorzitter van het CNV. Hij had zich verheugd op het aantreden van dit kabinet: minister van Sociale Zaken Aart Jan de Geus kwam bij het CNV vandaan, staatssecretaris Cees van der Knaap van Defensie ook. Balkenende had de CNV-leerstoel aan de VU bekleed. Maar Terpstra kwam van een koude kermis thuis. Hij was bereid over loonmatiging te praten als het kabinet de sociale gevolgen van de bezuinigingen zou verzachten. Balkenende deed echter geen enkele concrete toezegging. Terpstra op zijn kamer bij de HBO-raad die hij nu voorzit: ‘Ik heb hem van tevoren gebeld. Ik zei: ik kan alleen mijn nek voor loonmatiging uitsteken als jij me bij de vut en het prepensioen tegemoet komt. Hij zei: dat zal ik op een robuuste manier doen.’
Tijdens de vergadering van 3 juli bleek daar niets van. Terpstra: ‘Ik zei dat we onder voorwaarden bereid waren een pas op de plaats te maken met de lonen. Hij zei niets anders dan: het boek is nog niet gesloten. Ik dacht: hier zal het toch niet bij blijven? Maar tijdens de tweede ronde herhaalde hij: het boek is nog niet dicht. Toen ontplofte ik ter plekke. Hij zette me ten overstaan van de hele polder in mijn hemd.’
Tussen Balkenende en FNV-voorzitter De Waal boterde het al helemaal niet. Rond Prinsjesdag organiseerde de vakcentrale een ludieke actie tegen de kabinetsplannen. Voor de deur van de Kamer deelde De Waal ijsjes uit. Wouter Bos kreeg twee bolletjes. Toen Balkenende kwam aanlopen, zei de vakbondsleider: jij voert zo’n asociaal beleid, jij krijgt er maar één. Het gevolg: de premier wilde wekenlang niet meer met De Waal praten.
Terpstra merkte ook snel dat Balkenende de neiging had kritiek persoonlijk op te vatten. ‘We kenden elkaar door en door. Toen hij aantrad, zei ik: je bent nu minister-president, maar voor mij blijf je Jan Peter. Als het nodig is, ga ik stevig in je nek hijgen.’ Dat viel niet in goede aarde. ‘Hij vatte mijn kritische houding meteen op als gebrek aan loyaliteit aan het kabinet.’
Vreemd voor een oud-hoogleraar christelijk-sociaal denken, vond de CNV-voorzitter. ‘In theorie weet bijna niemand zo veel van het maatschappelijk middenveld als Jan Peter. Maar in de praktijk nam zijn kabinet een houding aan van: we kunnen het ook wel zonder jullie. Ze hebben het maatschappelijk middenveld stelselmatig veronachtzaamd. Dat heeft tot grote frustraties geleid.’
Persoonlijk gekwetst
Dat is nog mild uitgedrukt. November 2003 slaagden kabinet en sociale partners er op het nippertje in een najaarsakkoord te bereiken. Vier maanden later lag alles in duigen. Minister De Geus had beloofd het SER-advies over de WAO te volgen, maar trok zijn eigen plan. ‘Op dit dossier zijn we klaar met deze minister,’ foeterde FNV-voorzitter De Waal. Vervolgens strandden ook de gesprekken over vut, prepensioen en levensloopbeleid. Op 18 mei zegden de bonden het najaarsakkoord op. Ze gingen de betoging op het Museumplein voorbereiden.
Op 2 oktober sprak Terpstra de driehonderdduizend demonstranten toe. Hij trok fel van leer tegen het ‘onbarmhartige’ kabinetsbeleid: ‘Wij zijn het volk en ze moeten naar ons luisteren.’
Ook dat werd hem door Balkenende hevig kwalijk genomen. ‘Hij heeft me daarop aangesproken. Hij vond het deloyaal dat het CNV demonstreerde. Hij voelde zich persoonlijk gekwetst. Jan Peter heeft snel iets van: ik doe toch mijn best, waar heb ik die kritiek aan verdiend?’
Het was misschien nooit goed gekomen tussen Balkenende en de vakbeweging als achter de schermen niet allerlei bemiddelaars aan de slag waren gegaan: VNO-NCW-mannen als Niek Jan van Kesteren en Jan-Willem van den Braak, SER-voorzitter Herman Wijffels, SER-lid Robin Linschoten, staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken, staatssecretaris Van der Knaap van Defensie. De premier lag met een ontstoken voet in het ziekenhuis. De FNV praatte niet meer met de ‘onbekwame’ en ‘onbetrouwbare’ De Geus. Uiteindelijk zorgde VVD-vicepremier Zalm voor de doorbraak. Hij nodigde de vakbondsleiders uit voor een vertrouwelijk etentje in restaurant De Beukenhof in Oegstgeest.
Doekle Terpstra: ‘Lodewijk, Aart Jan, Gerrit en ik zouden elkaar daar treffen. Ik vond dat Jan Peter er ook bij moest zijn. Ik heb hem gebeld en gezegd: dit is een nationaal conflict, dat moet jij oplossen, je mag dit niet uit je handen laten glippen. Toen is hij op het laatste moment gekomen. Vrijdag werd hij uit het ziekenhuis ontslagen en zondag zat hij in De Beukenhof. Maar Zalm en De Geus voerden het woord.’
Er volgden nog meer geheime gesprekken – onder meer in de Julianakazerne in Den Haag.
De ontknoping had niet bizarder kunnen zijn. Terpstra: ‘Op 2 november zaten we ’s ochtends met zijn allen bij elkaar in Jan Peters appartement in Den Haag. Toen kwam het bericht dat Theo van Gogh was vermoord. We zeiden meteen tegen elkaar: nu moeten we knopen doorhakken, in deze situatie kunnen we het conflict niet laten voortduren.’
Zo kwam er toch nog een sociaal akkoord tot stand.
André Rouvoet van de ChristenUnie kreeg destijds niet alleen Doekle Terpstra, maar ook veel andere boze christelijke vakbondsmannen over de vloer. Ze kwamen bij Rouvoet uithuilen over wat het CDA hen aandeed. De fractievoorzitter van de ChristenUnie kent Balkenende sinds 1996. Ze kwamen elkaar tegen in Zuid-Afrika. De latere premier en zijn vrouw Bianca Hoogendijk waren op huwelijksreis. Omdat calvinisten het nuttige en het aangename graag verenigen, bezocht Balkenende ook nog een congres aan de Potchefstroomse Universiteit vir Christelike Hoër Onderwys. Daar was Rouvoet – toen al Kamerlid – ook. ‘Het was gezellig. We hebben later bij ons thuis nog hun vakantiefoto’s bekeken.’ De CU-voorman, die rechten en filosofie studeerde aan de VU, is net zo goed thuis in het christelijk-sociaal gedachtegoed als Balkenende. Volgens hem maken de linkse partijen vaak de fout te denken dat het christelijk-sociale denken op het zelfde neerkomt als het socialistische streven naar een alomtegenwoordige overheid die mensen de verantwoordelijkheid uit handen neemt. Niets is minder waar, zegt hij: ‘De reformatorische staatsvisie gaat uit van een balans tussen eigen verantwoordelijkheid en solidariteit. Maar het gebruik van de term ‘eigen verantwoordelijkheid’ heeft een risico. Je kunt het liberaal inkleuren. Dan kom je uit op: de overheid trekt zijn handen af van de zorg en de sociale zekerheid. Dat is onder Balkenende te veel gebeurd. Hij heeft het christelijk-sociale denken laten inkleuren door de liberalen. Ik kan me wel voorstellen dat ze daar bij het CNV hels over waren. Juist Balkenende met zijn ideologische achtergrond had een dam tegen het neoliberalisme moeten opwerpen. Dat heeft hij niet gedaan.’
Nooit contact
Zomer 2004 – de vakbeweging was net boos weggelopen uit de Stichting van de Arbeid – begonnen de fractieleiders van de regeringspartijen zich zorgen te maken over het kabinet. De Geus disfunctioneerde. De Geus en Zalm botsten. Balkenende hield ondertussen vol dat hij alleen maar primus inter pares was en dat zijn vakministers ‘hun eigen verantwoordelijkheid moesten dragen’. Dat ging niet goed.
Maxime Verhagen (CDA), Jozias van Aartsen (VVD) en Boris Dittrich (D66) zochten elkaar steeds vaker op om de malaise te bespreken. In Brasserie Berlage in de achtertuin van het Haags Gemeentemuseum. In visrestaurant Saur aan de Lange Voorhout. Ook daar ging het om de vraag: wie heeft er in het kabinet eigenlijk de regie? Bij de Algemene Beschouwingen van 2004 regelden de drie fractieleiders dat er meer geld voor onderwijs en sociaal beleid kwam dan het kabinet wilde. Juni 2005 sloten ze op de kamer van Maxime Verhagen een concordaat over de WAO, de publieke omroep, de kerncentrale in Borssele en het rekeningrijden. Allemaal buiten het kabinet om.
Waarom dat nodig was?
Boris Dittrich: ‘Toen ik fractiewoordvoerder vreemdelingenzaken was, ben ik vaak bij Wim Kok op het Torentje en in het Catshuis geweest. Als fractievoorzitter had ik bijna nooit contact met Jan Peter. Op een bepaald moment hebben Jozias en ik tegen elkaar gezegd: we horen nooit wat van Jan Peter, hij luistert niet naar ons, we weten niet wat hij wil. We vonden dat Balkenende geen leiding gaf. Hij greep pas in als het al uit de hand was gelopen. Jan Peter belde praktisch nooit. Soms hadden we maandenlang geen contact.’
Hij geeft het voorbeeld van de WAO. Na eindeloos gedoe met de sociale partners was er eindelijk een wet: blijvend arbeidsongeschikten werden onder een ander regime gebracht dan mensen die nog aan het werk konden worden geholpen. Er brak een conflict uit over de vraag wie de integratie van de tijdelijk arbeidsongeschikten moest begeleiden: overheidsinstantie UWV of de particuliere verzekeraars. De verzekeraars, vond het CDA. Het UWV, meenden de liberalen. Tussen de fractiewoordvoerders Bibi de Vries en Gerda Verburg liepen de emoties zo hoog op dat het voortbestaan van de coalitie gevaar liep. De Geus zat met de handen in het haar. De premier was nergens te bekennen. Boris Dittrich: ‘Toen hebben we als fractievoorzitters gezegd: we gaan het zelf doen. We hebben Gerrit en Aart Jan erbij betrokken. Uiteindelijk zijn zij naar Balkenende gegaan om te melden wat we hadden besloten. Voor de show zijn ze een uur gebleven zodat ze de pers konden melden dat Jan Peter de oplossing had bedacht. Maar dat was niet zo. Het voortbestaan van het kabinet hing aan een zijden draadje, maar de premier was al die tijd volstrekt afwezig.’
Extra cachet
In december van hetzelfde jaar deed zich opnieuw een bijna-crisis voor. Verhagen had bij de Algemene Beschouwingen gepleit voor compensatie van de gestegen energieprijzen. Zalm vond dat zijn strenge begrotingsbeleid daardoor zou worden ondermijnd. De Geus beloofde Verhagen het binnen het kabinet te regelen, maar slaagde daar niet in. De CDA-fractieleider maakte zijn minister van Sociale Zaken in het bijzijn van journalisten voor ‘onbetrouwbaar’ uit. De Geus wilde dat Balkenende de fractieleider de oren zou wassen. Dat ging niet, want de premier reed op dat moment in een open sportauto over het Arabisch schiereiland, waar hij op werkbezoek was. Toen de heibel binnen de coalitie voorbij was (er kwam een heel klein koudetoeslagje voor de minima en mensen met grote gezinnen), deed Balkenende de kwestie af met: ‘Alleen het resultaat telt.’
Over de afwezigheid van de premier werd ook geklaagd bij het Innovatieplatform dat het paradepaardje van het kabinet had moeten worden. Nederland moest net zo in de vaart der volkeren worden opgestoten als Finland (Nokia) of India (ict). De crème de la crème van de kenniseconomie deed mee: SER-voorzitter Herman Wijffels, Philips-topman Gerard Kleisterlee, ING-bestuurder Alexander Rinnooy Kan, Rein Willems van Shell Nederland, de rectores van de universiteiten van Leiden en Twente, de ministers Brinkhorst van Economische Zaken en Van der Hoeven van Onderwijs. Frans Nauta, de jonge ambitieuze oprichter van denktank Nederland Kennisland, werd tot secretaris benoemd. Het zoeken was nog naar een voorzitter die het platform extra cachet kon geven. D66-leider Dittrich drong erop aan dat de premier die verantwoordelijkheid zelf op zich nam. Van de kant van Balkenende ging dat niet con amore. Dittrich: ‘Ik wilde dat Jan Peter voorzitter werd, maar hij stribbelde tegen. Uiteindelijk heeft hij ja gezegd, maar het is niet goed gelopen. Ik heb veel mensen gesproken die me vertelden: hij doet er niets aan, hij geeft geen leiding aan het platform.’
Frans Nauta raakte zo gefrustreerd dat hij aftrad als secretaris. De innovatiedeskundige werd opgevolgd door een ambtenaar van het ministerie van Algemene Zaken, Jan Peter van der Toren. Naar buiten toe deed de weinig dynamische voorzitter overigens alsof hij de grootste lol in de kenniseconomie had. Zoals tijdens het Nationaal Innovatie Event dat het platform eind 2005 organiseerde in De Fabrique in Maarssen. Dittrich: ‘Daar liep Jan Peter met bijna kinderlijke blijheid rond. Glunderend tussen de jonge ondernemers en uitvinders.’
Beschavingsoffensief
Ook een ander project waar de premier verantwoordelijk voor was, kwam niet uit de verf: de discussie over waarden en normen. Voor dat onderwerp kon Balkenende wél passie opbrengen, maar anderen zetten hem de voet dwars. In zijn eerste kabinet liep behalve het CDA ook de LPF warm voor een beschavingsoffensief. Oud-platenbaas Herman Heinsbroek, vooral bekend van zijn pleidooien voor harder rijden op de snelweg, publiceerde er nog een notitie over. In de regeringsverklaring van 26 juli 2002 werd hoog opgegeven van het onderwerp. De samenleving bestond bij de gratie van gemeenschappelijke waarden en normen waaraan iedereen zich moest verbinden. De burger kon worden aangesproken op het motto: ‘Fatsoen moet je doen.’ De overheid ging het belang daarvan actief uitdragen. Het was tegen het zere been van de liberalen. Bij het debat over de regeringsverklaring zei Gerrit Zalm – toen fractieleider – meteen dat hij geen behoefte had aan zulke ‘tegeltjeswijsheden’. Binnen de coalitie werd een compromis gesloten. Er werd eerst advies gevraagd aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Die studeerde ruim een jaar op de problematiek en concludeerde toen dat er eigenlijk weinig aan de hand was: de meeste Nederlanders onderschreven de heersende normen en waarden, tot de ergste hufters toe. Het ging erom dat de burgers zich daar ook in de praktijk aan moesten houden. Het was niet aan de overheid om van boven af fatsoensnormen op te leggen. Als een boer met kiespijn nam Balkenende het rapport in ontvangst. Niet dat hij vanaf dat moment bij de pakken neerzat. Er kwam een website, Zestienmiljoenmensen.nl. De Rijksvoorlichtingsdienst benoemde een ‘coördinator communicatie kabinetsaanpak waarden en normen’ die zich op haar cv als ‘politicologe en femme fatale’ afficheerde: Mei Li Vos. In de Haagse Ridderzaal luisterden intellectuelen ademloos naar hoogdravende toespraken van de Amerikaanse socioloog Amitai Etzioni en de Franse oud-president Valéry Giscard d’Estaing. Ook het Europese voorzitterschap van Nederland kwam in het teken te staan van the values in society. Maar de liberalen hadden de politieke angel eruit gehaald. Voorjaar 2005 verklaarde Zalms opvolger als fractieleider Jozias van Aartsen het debat over normen en waarden voor gesloten.
Bij het CDA vinden ze dat nog altijd een gemiste kans voor Balkenende. Hans Hillen, fractiesecretaris van 1998 tot 2001 en nu voorzitter van het College voor Zorgverzekeringen: ‘Het ideologische verhaal van Jan Peter is te weinig over het voetlicht gekomen. Doordat Zalm geen behoefte aan tegeltjeswijsheden had, is de discussie de afgelopen jaren nog alleen over de bezuinigingen gegaan.’ Vice-fractievoorzitter Gerda Verburg: ‘Jan Peter heeft de waarden en normen op de agenda gezet. Maar het had meer nadruk moeten krijgen. Je merkt om je heen dat het thema fatsoen en respect leeft. Jan Peter is daarvan het boegbeeld. Maar hij had er meer – nog meer aan kunnen doen.’
Lans Bovenberg, de econoom uit Tilburg, is nog steeds een van de vaste gesprekspartners van de premier. Ze kennen elkaar – zoals we vorige week beschreven – van het ‘dertigersberaad’ dat in de jaren negentig het CDA van een nieuwe ideologische grondslag probeerde te voorzien. Eens per jaar – aan de vooravond van Prinsjesdag – nodigt Balkenende oude getrouwen als Bovenberg uit voor een strategisch beraad in het Torentje. Onder de schemerlamp zitten dan erudiete partijgenoten als WRR-voorzitter Wim van der Donk, hoogleraar Algemene Sociologie Anton Zijderveld, staatsraad Hans Borstlap en Guusje Dolsma die vroeger bij de fractie werkte en nu bij VNO-NCW. Hen gaat het niet om het berispen van hufters en vandalen, maar om een veel breder vraagstuk: wat komt er in de praktijk terecht van christen-democratische idealen als levensloopbeleid, rentmeesterschap, gespreide verantwoordelijkheid en solidariteit? Bovenberg: ‘Tijdens die bijeenkomsten in het Torentje is Jan Peter helemaal in zijn element. Maar hij legt dan ook uit dat hij premier van een coalitiekabinet is en dat hij niet alles kan uitvoeren wat we daar bespreken. Ik vind dat hij er onvoldoende in is geslaagd het visionaire verhaal van het CDA naar voren te brengen. Daardoor is het gevoel ontstaan dat het kabinet alleen maar op de centen zit te passen en dat Jan Peter het slaafje is van Gerrit Zalm.’
Zwarte parel
Op vrijdag 30 juni 2006 kwam het tweede kabinet-Balkenende ten val. Oppositieleider Wouter Bos was er als de kippen bij om de premier gebrek aan leiderschap aan te wrijven. Waarom had hij minister van Vreemdelingenzaken Rita Verdonk niet tot de orde geroepen? Half mei zond het televisieprogramma Zembla een reportage uit over het uit Somalië afkomstige VVD-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali. Het Kamerlid gaf toe de Immigratie- en Naturalisatiedienst te hebben voorgelogen om aan een Nederlands paspoort te komen. Maandag 15 mei deelde Verdonk haar partijgenoot mee dat het Nederlanderschap haar waarschijnlijk ten onrechte was toegekend. De dag daarop vertrok Hirsi Ali uit de politiek. Een grote meerderheid van de Kamer eiste dat Verdonk een manier zou verzinnen om de ‘zwarte parel van de VVD’ voor Nederland te behouden. Eind juni werd een deal gesloten.
Hirsi Ali mocht Nederlander blijven, maar moest Verdonk excuses aanbieden voor het feit dat ze de minister met haar uitspraken op de televisie op het verkeerde been had gezet. Tijdens een slopend Kamerdebat dat tot half zes ’s ochtends duurde, liet Balkenende – die eerder had toegegeven dat Verdonk hem voor voldongen feiten had geplaatst – zich ontvallen dat de minister ook met de oplossing moest kunnen leven. Toen was er geen redden meer aan. Verdonk kreeg het verwijt dat ze Hirsi Ali had gechanteerd. GroenLinks diende een motie van afkeuring in die door regeringspartij D66 werd gesteund. De motie werd verworpen, maar de D66-fractie zette Balkenende voor het blok: Verdonk eruit of wij eruit. Verdonk bleef en de Democraten zegden het vertrouwen in het kabinet op.
Midden in de nacht waren D66-fractieleden Lousewies van der Laan en Bert Bakker naar Balkenende gegaan om hem van de ernst van de situatie te overtuigen. ‘Ik vind dit zo oneerlijk van jullie. Het kabinet werkt hard. De economie trekt aan. We hebben bijna de eindstreep gehaald,’ was het enige dat hij nog kon uitbrengen.
Sinds 22 juli 2002 werd Nederland geregeerd door een man die alles van het christelijk-sociaal gedachtegoed wist, maar geen bestuurlijke ervaring had: een absolute beginner. Elsevier noemde hem de ‘recordhouder kortlopende kabinetten’. Zijn collega’s leerden hem kennen als iemand die het initiatief niet naar zich toe trok, vergaderingen louter procedureel voorzat en zijn gezag niet liet gelden. Hij was eerder de notulist dan de leider van het kabinet. Zijn ambtenaren klaagden dat hij zijn oren liet hangen naar een klein groepje vertrouwelingen – meestal van gereformeerde komaf. Als een minister het moeilijk had, sloeg hij nooit eens een arm om zijn schouder heen. Hij was eigenwijs, lichtgeraakt, kon slecht tegen kritiek. Als die werd geuit, sloot hij zich in zichzelf op. Als een Zeeuwse oester. Het maatschappelijk middenveld – waarover hij zoveel rapporten had geschreven – voelde zich veronachtzaamd. Toen zijn tweede kabinet viel, zat hij machteloos te spartelen.
Is een premier met zo’n gebrek aan stuurmanskunst gedoemd de verkiezingen te verliezen?
Welnee!
De partijgenoten van Balkenende hebben er het volste vertrouwen in dat hij op 22 november zijn uitdager Wouter Bos opnieuw zal verslaan.
Hans Hillen, die tegenwoordig toezicht houdt op de zorgverzekeraars maar nog steeds als geen ander van de politieke dagkoersen op de hoogte is: ‘Jan Peter heeft twee kabinetten verloren, maar het fascinerende is dat de kiezers hem daar niet op aankijken. De LPF en Lousewies van der Laan krijgen de schuld. Mensen vinden hem een rare man, er worden gemene grapjes over hem gemaakt. Maar de economie herstelt zich en dan zeggen de kiezers: dat had hij toch goed in de gaten. Zijn politieke tegenstanders noemen hem een autist, maar de kiezers waarderen zijn onverstoorbaarheid.’
Vice-fractievoorzitter Gerda Verburg zegt dat je Balkenende vooral niet moet onderschatten. ‘Hij heeft doorzettingsvermogen, energie, een innerlijke overtuiging. Hij loopt gewoon door. Je moet hem natuurlijk niet op een breakdance party laten praten. Maar als het een inhoudelijke campagne wordt, geef ik hem een goede kans.’
Bovenberg (‘Ik ben een echte fan van Jan Peter. Ik voel me sterk met hem verbonden’) raadt de premier aan zich nu het nog kan tegen de VVD af te zetten. ‘Zijn sterke punt is zijn authenticiteit. Hij is geen Haagse politicus. Hij is een man van buiten die per ongeluk in het strijdgewoel terecht is gekomen. Zo zien de mensen hem. Maar hij moet nu zijn eigen verhaal vertellen – of de VVD dat nou leuk vindt of niet. Na het zuur komt het zoet vind ik geen christen-democratische notie. “Nederland werkt” ook niet. Maar als hij de bakens verzet, kan hij winnen. Dan is hij nog jaren premier.’
Op het hoofdkantoor van Ernst & Young in Den Haag zit Marnix van Rij tussen stapels boeken over zijn lievelingsonderwerp: politiek leiderschap. Francis Fukuyama ligt er, Paul ’t Hart en zijn eigen boek Duizend dagen in de landspolitiek. Leiderschapscrises in het CDA. De oud-partijvoorzitter voorspelt een race tussen de grote steden en het platteland, waarbij de forensengemeenten de doorslag zullen geven. Daar gaan ze stemmen op Balkenende, verwacht Van Rij. ‘Dat deel van het electoraat voelt zich vertrouwd met Jan Peter, omdat hij een van hen is. Kijk, George Bush heeft aan Yale gestudeerd en doet alsof hij een cowboy uit Texas is. Jan Peter komt écht uit Kapelle in Zeeland. Dat is zijn kracht. Het zou mij niets verbazen als hij de verkiezingen gaat winnen.’
Bij de linkse partijen zien ze de bui hangen.
Boris Dittrich: ‘Balkenende was als premier vaak op beslissende momenten afwezig. Maar als hij op 22 november de grootste wordt, krijg je een heel ander verhaal. Dan is het opeens: de aanhouder wint.’
Lezersoproep
U bent al 40 jaar getrouwd met een lieve boekhouder, maar valt ineens voor een Poolse bouwvakker. U stemt stiekem met uw portemonnee in plaats van uw hart. U zit in de actiegroep Behoud de Buurtwinkel, maar shopt soms bij de Lidl.
