VN MediagidsProfiel J.P. Balkenende Deel 3: de eerste Haagse jaren

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Politiek 21.10.2006

Door Max van Weezel / Thijs Broer

De prof die zomaar premier werd

Hij was een vlijtige partij-ideoloog barstensvol ideeën over de verantwoordelijke samenleving. Maar een politicus, laat staan een premier, zag bijna niemand in de geleerde Jan Peter Balkenende. Tot het CDA implodeerde en een nieuwe leider zocht. En Pim Fortuyn op zijn weg kwam.

Najaar 2001 was Gerrit Braks een gewichtig man binnen het CDA. Oud-minister van Landbouw, oud-voorzitter van de commissie die begin jaren negentig het verkiezingsprogramma Wat echt telt schreef en de onbetwiste heerser over het invloedrijke partijgewest Noord-Brabant. De varkensboeren in de Peel droegen hem op handen. Voor hen was Braks belangrijker dan de paus van Rome zelf. De voormalige bewindsman had het inmiddels gebracht tot voorzitter van de christen-democratische senaatsfractie en was uit dien hoofde adviseur van het partijbestuur.

Nu drinkt hij koffie in de achtertuin van zijn kolossale villa in Sint-Michielsgestel. Met een gelukzalige glimlach op zijn gezicht vertelt de Brabantse partijvorst dat hij een week geleden is hertrouwd. Met Giny, die zich even later komt voorstellen en als twee druppels water op Maria uit The Sound of Music lijkt. Het huwelijk werd voltrokken in de Sint-Janskathedraal in Den Bosch. Daarna was er een receptie in de tuin waar we nu zitten. Onder de aanwezigen: de ministers Sybilla Dekker, Karla Peijs en Cees Veerman. De staatssecretarissen werden vertegenwoordigd door streekgenoot Pieter van Geel. Ook premier Balkenende gaf acte de présence. Hij bleef urenlang en bewoog zich met groot gemak door het gezelschap. Braks: ‘Mijn kinderen zeiden na afloop tegen me: wat is hij eigenlijk leuk!’

Indirect heeft de calvinist Balkenende zijn premierschap te danken aan de rooms-katholieke landbouwkundige. Maandag 1 oktober 2001 kwam het partijbestuur van het CDA bijeen in viersterrenhotel Lapershoek in Hilversum. Onderwerp: de peilloos diepe crisis die binnen de christen-democratische gelederen was uitgebroken. Jaap de Hoop Scheffer, fractieleider in de Tweede Kamer, en partijvoorzitter Marnix van Rij waren in een titanenstrijd met elkaar verwikkeld geraakt. Volgens Van Rij was de fractieleider niet charismatisch genoeg om de verkiezingen van mei 2002 te kunnen winnen. De Hoop Scheffer zag de partijvoorzitter als een putschist die zelf minister-president wilde worden. Na een wekenlange loopgravenoorlog om de hoogste plaatsen op de lijst haakten beiden af. Ze lieten de partij in totale verwarring achter. In hotel Lapershoek moest worden besloten met welk wervend gezicht het CDA nu de verkiezingen in zou gaan: het Brabantse stemmenkanon Pieter van Geel of Jan Peter Balkenende, die door de fractie eerder die dag tot opvolger van De Hoop Scheffer was gekozen. Alle partijbaronnen uit het hele land waren aanwezig maar de stemmen staakten. Binnen het CDA was een impasse ontstaan.

Gerrit Braks: ‘De vergadering lag stil. Conny Kerkhof, die Van Rij verving, wist niet wat ze moest doen. Toen zei ik tegen Hanja Maij, die naast me zat: het is urgent dat we er vanavond uitkomen. Aangezien ik een nogal dragend stemgeluid heb, hoorde Conny dat ook. Ze gaf me meteen het woord.’

Braks betoogde dat Balkenende lijsttrekker moest worden omdat hij aan het Binnenhof al tot fractievoorzitter was gekozen. Het CDA kon zich geen nieuwe tweespalt veroorloven. Maria van der Hoeven (Limburg) kwam dan op de tweede plaats, Pieter van Geel (Noord-Brabant) op de derde. Dat trio verminderde het afbreukrisico. Als Balkenende de verkiezingen verloor, kon Van Geel alsnog de fakkel overnemen. De interventie van Braks gaf de doorslag. Om tien uur ’s avonds kon het NOS Journaal melden dat het partijbestuur unaniem Jan Peter Balkenende als lijsttrekker had voorgedragen.

De opluchting was groot.

‘Aan het eind van de vergadering werd ik toegejuicht,’ herinnert Braks zich.

Dat Balkenende een paar maanden later premier zou zijn, voorzag niemand. De kingmaker uit Sint-Michielsgestel vroeg zich in het begin ook wel af of op die herfstavond de goede keus was gemaakt. ‘Jan Peter is natuurlijk een typische gereformeerde, een man met een opdracht. Dat kan tot koppigheid leiden. Ik vond hem aanvankelijk moeilijk toegankelijk. Hij gaf te weinig om de mening van anderen. Ik was niet de enige die dat vond. Dat was de algemene opvatting binnen het CDA. Maar hij heeft geleerd. Hij is flexibeler en toegankelijker geworden.’ Braks, alsof hij een diplomatiek communiqué voorleest: ‘Jan Peter geniet nu mijn volledige steun. Die heeft hij verworven. Het was een groeiproces.’

Bliksemcarrière
Toen het Besluit van Lapershoek viel, had Jan Peter Balkenende al een bliksemcarrière in de Haagse politiek achter de rug: in mei 1998 in de Tweede Kamer gekozen, vrijwel meteen de zware portefeuille Financiën bemachtigd, drie jaar later tot vice-fractievoorzitter benoemd. Die snelle opmars werd ook door zijn eigen partijgenoten met verbazing gadegeslagen. De insiders kenden Jan Peter Balkenende, maar niet vanwege zijn politieke ambities. Binnen de partij werd hij vooral beschouwd als een intellectueel, een studeerkamergeleerde bijna. Sinds 1984 werkte de voormalige VU-student bij het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, de denktank die onvermoeibaar teksten over de ‘verantwoordelijke samenleving’, de ‘zorgzame samenleving’ en de ‘betrokken samenleving’ spuide.

Geen aflevering van het maandblad Christen Democratische Verkenningen of er stond wel een bijdrage van mr.drs. J.P. Balkenende in. Mr.dr. Balkenende werd het in 1992 toen hij promoveerde op het onderwerp ‘Overheidsregelgeving en maatschappelijke organisaties.’ Prof.mr.dr. Balkenende trad het jaar daarop aan. Toen werd hij voor een dag per week benoemd tot bijzonder hoogleraar ‘christelijk-sociaal denken over economie en maatschappij’ aan de VU. De leerstoel werd mede bekostigd door de christelijke vakbeweging, het CNV.

Denken over economie en maatschappij was aan de jonge calvinist wel toevertrouwd. Balkenende stond altijd klaar als er weer eens een CDA-rapport of -notitie moest worden geschreven. Hij was de rechterhand van de commissievoorzitter, de secretaris, de notulist, de penvoerder, de man die de teksten aanleverde. Bijvoorbeeld toen de partij na de dramatische verkiezingsnederlaag van 1994 een Strategisch Beraad in het leven riep dat zich moest buigen over de vraag hoe de christen-democratie kon worden gered. Partijprominenten als Frans Andriessen, Ernst Hirsch Ballin en Herman Wijffels gaven het beraad statuur. Maar het echte schrijfwerk werd verricht door twee stafleden van het Wetenschappelijk Instituut, Ab Klink en Jan Peter Balkenende. De titel van het rapport sprak boekdelen: Nieuwe wegen, vaste waarden.

De hand van Balkenende was ook zichtbaar in het verkiezingsprogramma Samenleven doe je niet alleen (1998). Zijn officiële functie toen: vice-secretaris en rapporteur van de programcommissie. Veertien jaar lang was de inbreng van de vlijtige scribent van een ijzeren consistentie. De overheid kon de burger niet gelukkig maken, maar de vrijemarkteconomie ook niet. Nederland had een civil society nodig: vakbonden, kerken, welzijnsinstellingen, speeltuinverenigingen. In de praktijk was het maatschappelijk middenveld er te veel aan gewend geraakt zijn hand bij de overheid op te houden. Subsidieverslaving, uitdijende bureaucratie en onbeheersbare kosten waren het gevolg. De oplossing voor al die kwalen: burgers moesten weer verantwoordelijk voor elkaar worden. Dat was de missie van het CDA. De partijgenoten van Balkenende stelden zijn pennevruchten bijzonder op prijs. Maar dat de professor zijn visie ooit nog als actief politicus zou gaan uitdragen, voorzag bijna niemand.

Kuyperianen
Doekle Terpstra houdt kantoor aan de Haagse Prinsessegracht. Zijn werkkamer heeft de afmetingen van een balzaal. De hoge ramen bieden uitzicht op het Malieveld, de vaste pleisterplaats van demonstranten tegen het kabinetsbeleid. Zeven jaar lang was Terpstra het boegbeeld van het Christelijk Nationaal Vakverbond. Nu zit hij de HBO-raad voor. Balkenende kent hij al sinds begin jaren tachtig.

‘We zijn precies even oud. Ik ben van 16 april 1956, hij van 3 mei. We hebben exact dezelfde kleur: gereformeerd-synodaal. Hij komt uit Zeeland, ik uit Friesland. Maar we zijn allebei Kuyperianen, antirevolutionairen. Daarbij horen gedrevenheid, passie, leven vanuit een opdracht. Dat is ons met de paplepel ingegoten.’ Zo’n gereformeerde opvoeding brengt geen lichtvaardig bestaan met zich mee, geeft hij toe: ‘Je hebt het gevoel dat je de wereld op je schouders torst. Je bent doordrongen van het besef dat je verantwoordelijkheid op je moet nemen, dat je daar niet voor wegloopt. Dat herken ik in Jan Peter.’

Terpstra was op zijn vierentwintigste bestuurder van de Industrie- en Voedingsbond CNV, Balkenende werd op zijn achtentwintigste medewerker van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Ze kwamen elkaar voor het eerst tegen in de Commissie Bezinning Christelijke Vakbeweging, een CNV-denktank. ‘Van het begin af aan maakte Jan Peter een diepe indruk op me. Hij was scherp, analytisch, inspirerend, betrokken. Hij had inhoud. Balkenende was toen nog geen professor, maar hij had wel al die uitstraling. Ik herinner me nog een prachtig gesprek met hem over het begrip verantwoordelijkheid. Het heeft me nooit verbaasd dat hij later een belangrijk partij-ideoloog is geworden.’

Jaren later werd Balkenende professor, op de leerstoel die door het CNV werd betaald. Een logische keus, volgens Terpstra: ‘Hij was betrokken bij onze kaderschool. Hij was de man die ons jonge talent de inhoudelijke spiegel voorhield.’ Vanaf het moment dat de Fries voorzitter van de vakcentrale werd, moest hij de periodieke functioneringsgesprekken met de bekleder van de CNV-leerstoel voeren. Dan ging het er soms hard aan toe. ‘Balkenende wist in theorie alles over het maatschappelijke middenveld, maar niet vanuit de praktijk. Hij had nooit aan de fabriekspoort gestaan of aan de cao-tafel gezeten. Hij was niet iemand die met zijn poten in de modder stond. Daar moest ik hem wel eens op wijzen.’

Halverwege de jaren negentig werden beide calvinisten gepolst of ze voor het Kamerlidmaatschap voelden. Terpstra weigerde, hij wilde bij het CNV blijven. De professor, die tot dan toe vooral boekenwijsheid tentoonspreidde, zei ja. ‘Vanaf dat moment schoot hij als een komeet omhoog. Zonder dat hij bestuurlijke ervaring had. In Amstelveen had hij in de gemeenteraad gezeten, maar niet in het college van B en W. Binnen de partij had hij vooral commissiewerk gedaan. In 1998 kwam hij in de Kamer en drie jaar later moest hij Jaap de Hoop Scheffer als fractieleider opvolgen. Ik dacht, gaat dat wel goed? Ik kende hem als wetenschapper die af en toe met beide benen op de grond gezet moest worden. Wist hij wel wat er in de gewone timmerman en verpleegster omging? Achteraf heeft het me verbaasd hoe snel hij met nul bestuurlijke ervaring de fractie in zijn greep kreeg.’

Denkmachine
René Paas heeft nog geen werkkamer ter grootte van een balzaal. Hem ontmoeten we op het hoofdkwartier van het CNV in een troosteloze buitenwijk van Utrecht, in het kantoortje dat tot voor kort aan Terpstra toebehoorde. In 2005 volgde Paas hem op als voorzitter. Hij is tien jaar jonger dan Balkenende, maar kent hem al sinds 1993. Toen werkte Paas mee aan de milieuparagraaf van het verkiezingsprogramma Wat echt telt. Een machtig mooie manier om kopstukken als Gerrit Braks te leren kennen en de stafleden van het Wetenschappelijk Instituut. ‘Het WI was de denkmachine van het CDA,’ vertelt hij: ‘Een soort computer waar zonder haperen teksten over waarden en normen, zingeving en de verantwoordelijke samenleving uit kwamen. Ik leerde Jos van Gennip kennen, Kees Klop, Yvonne Timmerman. En Jan Peter. Die droeg toen trouwens stukken minder modieuze kleren dan nu.’

Uitermate productief was Balkenende wel, kreeg René Paas door toen hij toetrad tot de redactie van het blad Christen Democratische Verkenningen. ‘De partij zat in de oppositie. Het christen-democratisch denken was op drift, maar Jan Peter was het anker. Als er een gat in het blad dreigde te vallen, stond hij altijd klaar om een gedegen artikel te schrijven. Wij vonden dat geweldig. Balkenende was erg populair bij de redactie. Ik had een heel hoge pet op van zijn kennis van het christelijk-sociale gedachtegoed.’ Maar op de vraag of hij toen al een toekomstig premier in Balkenende zag, zegt Paas zonder aarzelen: ‘Nee.’

Lans Bovenberg vond wel dat in de onvermoeibare schrijver van stukken over zingeving een politiek talent schuilging. Bovenberg, twee jaar jonger dan Balkenende, is hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg, plaatsvervangend kroonlid van de SER en wetenschappelijk directeur van Netspar, een ‘kennisnetwerk’ dat de toekomst van de verzorgingsstaat en de vergrijzing onderzoekt. Bovenberg bedacht voor het CDA de term levensloopbeleid (jonge gezinnen met kinderen hebben recht op vrije tijd, in ruil daarvoor moeten ouderen langer doorwerken). Politiek eenkennig is de geleerde uit Tilburg niet. Op een bijeenkomst die Netspar organiseerde, deed Wouter Bos zijn controversiële uitspraak over de fiscalisering van de AOW.

Drijvende kracht
In de tweede helft van de jaren negentig werkte Bovenberg als onderdirecteur bij het Centraal Planbureau. Een collega nam hem mee naar café-restaurant Schlemmer, op een steenworp afstand van de Tweede Kamer. Daar vergaderde de ‘dertigersgroep’, een los-vast gezelschap van jonge CDA’ers die vonden dat het allemaal anders moest. De Tweede Kamerfractie wist niet hoe ze oppositie moest voeren. De partij gedroeg zich te kleurloos, te gouvernementeel. Het CDA moest een moderne partij worden waarin jonge gezinnen zich konden herkennen. Aan toptalent ontbrak het niet bij de ‘dertigers’ (waarvan sommigen overigens al boven de veertig waren).

Jeroen Kremers bezocht de Schlemmer-bijeenkomsten. Hij is nu bewindvoerder bij het IMF. René Smit werd directeur-generaal op het ministerie van Binnenlandse Zaken en havenwethouder in Rotterdam. Hij is nu voorzitter van het college van bestuur van de VU. Kees Koedijk bracht het ver in de wetenschap: hij is hoogleraar bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam én de Universiteit Maastricht. Sylvester Eijffinger is nu collega van Bovenberg in Tilburg. Maar de drijvende kracht achter de Schlemmer-bijeenkomsten was Balkenende. ‘Hij was niet alleen de denker van het CDA,’ zegt de econoom, ‘maar voor ons ook een soort leidersfiguur. Hij kwam altijd. Hij hield de club bij elkaar. Hij stak inspirerende betogen af over verantwoordelijkheid, vertrouwen en zo. Hij was echt een believer.’ Toen Balkenende vertelde dat hij de Tweede Kamer in wilde, werd daar door de andere ‘dertigers’ een beetje lacherig op gereageerd. ‘Iemand van ons die de grote politiek in ging, dat vonden we nogal wat.’

De volgende verrassing voor Bovenberg was dat de historicus en jurist Balkenende binnen de fractie de portefeuille financiën kreeg – niet echt zijn terrein. ‘Hij werkte zich snel in. Hij was er dag en nacht mee bezig. Als hij ergens niet uitkwam, raadpleegde hij Eijffinger, Koedijk en mij. Het kon gebeuren dat hij je midden in de nacht belde met een vraag over het financieringstekort.’

Zinkend schip
Was het moeilijk als een komeet omhoog te schieten in de CDA-fractie van 1998?

Nee. Dat niet. Het stond er al jaren droevig voor met de partij.

Sinds de Tweede Wereldoorlog hadden de confessionelen onafgebroken geregeerd. Totdat premier Lubbers in 1994 het vertrouwen in zijn opvolger Elco Brinkman opzegde en het CDA bij de verkiezingen twintig zetels verloor. Voor het eerst trad een paars kabinet aan en de christen-democraten moesten daar oppositie tegen voeren. Dat konden ze niet.

De oerdegelijke Enneüs Heerma werd fractieleider en hield het maar tweeëneenhalf jaar vol. Ze vonden hem te braaf en te voorzichtig binnen het CDA. De nieuwe voorman Jaap de Hoop Scheffer sprak ook niet meteen tot de verbeelding. En na verloop van tijd trouwens nog steeds niet. Te stijf, te diplomatiek, gonsde het in de wandelgangen. Het partijbestuur vond dat er een wisseling van de wacht nodig was. De zoektocht naar ‘nieuwe beelddragers van de christen-democratie’ ging van start. Mensen die midden in de moderne maatschappij stonden zoals ABN-Amro-bankier Joop Wijn en de vlotte CNV-vrouw Gerda Verburg. Naast beginselvaste types als Jan Peter Balkenende.

Helpen deed het niet. Bij de verkiezingen van mei 1998 verloor het CDA nog eens vijf zetels. Drie jaar later stapte ook De Hoop Scheffer op. De eens zo trotse regeringspartij leek in alles op een zinkend schip.

René Paas was in die tijd wethouder in Groningen en leed er zwaar onder dat zijn partijgenoten in Den Haag niet meer serieus werden genomen. ‘Het CDA was niet in de wieg gelegd om oppositie te voeren,’ zegt hij nu. ‘De fractie was zo gammel als maar wat. Alles wat ze aanraakten, veranderde in stof.’ Marnix van Rij, partijvoorzitter van 1999 tot 2001, velt een even hard oordeel: ‘Het CDA lag totaal in puin. De klap van 1994 was hard aangekomen. Iedereen liep terneergeslagen en mismoedig rond. Na vier jaar werd de fractie vernieuwd. Maar het probleem was dat we nog steeds geen leider hadden die de zwevende kiezers aansprak.’ Joop Wijn herinnert het zich als een ‘periode van ontreddering’. Nergens was een Mozes te ontwaren die het benarde volk de woestijn uit kon leiden.

Totdat het partijbestuur op voorspraak van Gerrit Braks mr.dr. Balkenende ontdekte. Gerda Verburg over het Besluit van Lapershoek: ‘De volgende ochtend waren we zo blij in de fractie. Jan Peter werd juichend en onder luid applaus binnengehaald. We stonden bijna op de stoelen te dansen.’ Aan een CDA’er als premier dacht op dat moment nog steeds niemand. De peilingen beloofden de paarse coalitie een gouden toekomst. PvdA’er Wim Kok werd allerwegen als een groot staatsman gezien. Elk onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau wees uit dat de Nederlanders buitengewoon tevreden waren over zichzelf en over het kabinet. Haagse journalisten sloten weddenschappen over de vraag wie de volgende minister-president zou worden: VVD’er Hans Dijkstal of Koks kroonprins Ad Melkert. Andere mogelijkheden werden niet overwogen.

Achteraf nogal kortzichtig, want op 11 september 2001 had zich in Amerika een aardschok voorgedaan die ook in Nederland zou gaan doorwerken: de aanslag op de Twin Towers. Pim Fortuyn ging de politiek in en verklaarde de moslims de oorlog. Zijn kruistocht sloeg aan. Maart 2002 won de outsider de Rotterdamse gemeenteraadsverkiezingen. De regeringspartijen begonnen te stuntelen. De moord op Fortuyn veranderde de verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer in een heksenketel. ‘De kogel kwam van links,’ riepen zijn aanhangers. Op 15 mei moest worden gestemd. Tot veler verrassing werd niet de Lijst Pim Fortuyn de grootste partij, maar het CDA onder leiding van Jan Peter Balkenende.

Een geroepene
Gerda Verburg, een jaar jonger dan Balkenende en sinds 2003 vice-fractievoorzitter van het CDA in de Kamer, beleefde de onverwachte verkiezingsoverwinning van nabij. ‘De val van Jaap de Hoop Scheffer was driekwart jaar voor de Kamerverkiezingen. 11 September gebeurde, Fortuyn kwam op. De hele situatie werd instabiel. Balkenende is daar toen heel goed mee omgegaan. Hij bleef de rust zelve. Dat heeft zich uitbetaald. De kiezers waren in een turbulente periode op zoek naar iemand die vertrouwen inboezemde. En kijk eens wat er dat jaar gebeurde: Dijkstal exit, Melkert exit, Rosenmöller exit en Jan Peter in het Torentje. Omdat hij onverstoorbaar doorging zijn eigen boodschap uit te dragen, als een rots in de branding.’

Paas denkt dat Balkenende profiteerde van de anti-Haagse sentimenten die voorjaar 2002 om zich heen grepen: ‘Vlak na de moord op Pim Fortuyn maakte ik een fietstocht van Groningen naar Terschelling. In de weilanden stonden billboards met de tekst: ‘Betrokken Betrouwbaar Balkenende’. Ik wist dat in Den Haag werd gegniffeld om die man met dat brilletje en dat rare kapsel. Maar in de provincie lag dat anders. Daar zeiden ze: het zijn allemaal zakkenvullers in Den Haag, maar hij niet. Jan Peter is een beetje onaangepast en dat werkte opeens in zijn voordeel.’

Marnix van Rij, die na zijn woelige ervaringen met de partijpolitiek nu weer gewoon belastingadviseur is bij Ernst & Young, zegt dat Balkenende indertijd zwaar werd onderschat: hij kon zéér berekenend en uitgekiend opereren. ‘Iedereen zag hem als een studeerkamergeleerde die niets van het echte leven had meegemaakt. Maar hij heeft brandende ambities, hij is een eerzuchtig type, geen jongen die genoegen neemt met een zesminnetje. Hij heeft de onrust van 2002 handig aangegrepen. Hij sloot een niet-aanvalsverdrag met Pim Fortuyn. Daar was misschien niet iedereen in de partij voorstander van, maar electoraal was het wel slim. Hij surfte knap mee op de tijdgeest. Jan Peter heeft ook geen last van twijfel aan zichzelf. Tijdens de CDA-crisis van najaar 2001 was iedereen nog aan het praten over: ben je voor Van Geel, voor Van der Hoeven of voor Van Rij, toen hij zei: ik doe het zelf, ik neem mijn verantwoordelijkheid. Wim Kok moest in 1994 wekenlang nadenken over de vraag of hij het premierschap aankon. Daar had Jan Peter geen seconde voor nodig. Het is een redelijk eigenwijze en zelfverzekerde man. Dat bedoel ik als een compliment.’

Doekle Terpstra verbaast het niets dat Balkenende ja zei waar anderen er nog een nachtje over hadden willen slapen: ‘Jan Peter is een geroepene en een geroepene zegt niet nee.’

Pistool
Tijd voor de tussenstand. Toen Jan Peter Balkenende op 22 juli 2002 op het bordes van Huis ten Bosch stond, waren een paar dingen duidelijk. De nieuwe premier wist alles van de ‘verantwoordelijke samenleving’. Het ‘christelijk-sociale gedachtegoed’ was aan hem wel toevertrouwd. Commissies konden zich geen betere vice-secretaris of rapporteur wensen. Hij liep niet weg voor zijn verantwoordelijkheid. Hij had een drive. Hij was een geroepene. Maar beschikte Balkenende niet alleen over boekenwijsheid? Was hij wel toegankelijk genoeg? Luisterde hij naar andere meningen? Kon hij zich verplaatsen in de timmerman en de verpleegster? In elk geval had hij nog bijna geen bestuurlijke ervaring opgedaan.

Dat zou zich wreken. Zevenentachtig dagen later was Balkenende I al weer geschiedenis. Na drie maanden vol ruzies en affaires. Terwijl in de Trêveszaal de kennismakingsborrel met de pers nog gaande was, trad staatssecretaris Philomena Bijlhout van Emancipatie en Familiezaken af. In Suriname bleek ze in het uniform van de volksmilitie van Desi Bouterse te hebben gelopen. Dat detail was bij haar sollicitatiegesprek over het hoofd gezien. Vice-premier Eduard Bomhoff, net als Bijlhout van de politieke vernieuwingsbeweging LPF, ontsloeg meteen zijn directeur-generaal gezondheidszorg Peter van Lieshout. Die was te links, vond hij. Een serieuze ambtenarenopstand tegen het kabinet was het gevolg. Bomhoff én minister Heinsbroek van Economische Zaken (óók LPF) stonden al snel op voet van oorlog met VVD-minister Hoogervorst van Financiën. Bomhoff hief zonder overleg de financiële plafonds in de ziekenhuizen op. Heinsbroek verkondigde dat het terugdringen van de staatsschuld voor hem niet langer prioriteit had. Hoogervorst schuimbekte van woede. Bomhoff en Heinsbroek kregen het trouwens nog veel harder aan de stok met elkaar. De minister van Economische Zaken – tot dan toe tycoon in de platenindustrie – verwierf dankzij zijn zwierige voorkomen snel populariteit bij de volkse achterban van de LPF. Veel meer dan de stijve econoom Bomhoff. Op grond daarvan meende Heinsbroek recht te hebben op het vice-premierschap dat zijn partijgenoot nu bekleedde. Dat werd matten. Toen LPF-fractieleider Harry Wijnschenk zijn collega’s Maxime Verhagen (CDA) en Gerrit Zalm (VVD) meldde dat hij door mede-fortuynist Gerard van As met een pistool achterna werd gezeten, was de maat vol. Verhagen en Zalm zegden hun vertrouwen in het kabinet op.

Circus Balkenende
16 oktober 2002 was het en al weken vroegen Tweede Kamerleden zich hardop af wie eigenlijk de touwtjes in handen had binnen Balkenende I. Gerrit Zalm was de eerste die protesteerde tegen het eigenmachtige gedrag van LPF-ministers als Herman Heinsbroek en Hilbrand Nawijn, die tegen het regeerakkoord in een pardon voor uitgeprocedeerde asielzoekers had bepleit. Al op 5 september zei de VVD-fractieleider dat hij van Balkenende meer ‘regie’ verwachtte. Een week later wijdde de Kamer een debat aan de chaos binnen het kabinet. Het was vrij schieten voor de oppositie, aangevoerd door Paul Rosenmöller, die toen nog net niet was opgestapt als GroenLinks-leider. Het ‘Circus Balkenende’ kreeg er van hem ongenadig van langs.

Dat was nog niets vergeleken bij de kritiek die de jeune premier kreeg toen zijn eerste kabinet als een kaartenhuis in elkaar stortte. Fractieleider Jeltje van Nieuwenhoven van de PvdA verweet Balkenende dat hij ernstig in gebreke was gebleven. Hij had veel eerder met de vuist op tafel moeten slaan. Thom de Graaf (D66) vroeg zich met gevoel voor understatement af of Nederland wel een standvastige leider had. De media begonnen nu ook te schrijven over de ‘gebrekkige regie’ van Balkenende. Steeds vaker werd hij vergeleken met een docent die geen orde kon houden in de klas.

Nou viel dat ook niet mee met al die macho’s en grote bekken die de LPF naar Balkenenende I had afgevaardigd.

Op een van de terrassen aan het Plein zit Hilbrand Nawijn achter een glaasje prik. Het is bloedheet. Nawijn heeft zijn mouwen opgestroopt en draagt een zonnebril die een Zuid-Amerikaanse juntaleider niet zou misstaan. De oud-minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, nu aanvoerder van de groep-Nawijn in het parlement, heeft net afscheid genomen van twee zwaar gebouwde mannen die in Den Haag kwamen lobbyen namens hun politiehondenvereniging. ‘Balkenende is geen leider,’ komt hij to the point. ‘Dat is het probleem.’ Nawijn weet waar hij het over heeft. ‘Van alle ministers van Balkenende I was ik degene die het vaakst moest opdraven voor spoeddebatten in de Kamer. Ik zei altijd wat ik dacht en dan moest ik verantwoording komen afleggen. Aan Jan Peter had je in zo’n situatie niets. Hij belde pas op als het kwaad al was geschied. Hij zei nooit: kom nou eens langs, dan praten we er even over. Het is een wereldvreemde man.’

Nawijn geeft voorbeelden. Augustus 2002 lanceerde hij het plan om criminele Marokkaanse jongeren naar hun land van herkomst uit te zetten. Ook als ze in Nederland waren geboren en een Nederlands paspoort op zak droegen. Het gaf meteen een rel. ‘Balkenende wilde per se zelf de Kamervragen beantwoorden en begon toen te stuntelen omdat hij niet precies wist waar het over ging. Toen dacht ik, man, had er nou met mij over gesproken.’

Het kabinet was al gevallen toen Nawijn, nu demissionair minister, opnieuw rumoer veroorzaakte. In Nieuwe Revu sprak hij zich uit voor herinvoering van de doodstraf. Een paar weken later haalde hij zich de woede van de Kamer op de hals met de opmerking dat de Haagse politiek ‘één groot ritueel’ was. Beide keren kwam het weer niet tot een gesprek tussen de premier en zijn dwarse minister. Balkenende beperkte zich tot een telefoontje of een briefje dat Nawijn tijdens het debat werd toegeschoven. ‘Verder hoorde ik niets van hem.’

De laatste weken van zijn ministerschap had de LPF’er het gevoel ‘voor Piet Snot in de ministerraad te zitten’: ‘Na die aanvaringen over de doodstraf en het functioneren van de Tweede Kamer heeft hij me niet meer aangekeken. Met de koningin heb ik nog wel eens een goed gesprek over het vreemdelingenbeleid gevoerd. Met Jan Peter Balkenende nooit.’

Geen ontzag
Macho Nawijn is misschien geen onverdachte bron. Hij heeft iets van een kwajongen die een fikkie stookt en dan roept dat de brandweer te laat komt. Maar het beeld dat hij schetst, wordt bevestigd door anderen die in die periode de bijeenkomsten van de ministerraad bijwoonden. De eerste maanden kostte het Balkenende de grootste moeite om simpelweg vergaderingen voor te zitten. ‘Het liep totaal uit de hand.’ De premier dwong geen ontzag af. Als Donner het woord voerde, luisterde iedereen. Naar Balkenende niet. De ambtenaren van het ministerie van Algemene Zaken droegen hem aanvankelijk op handen. Na zijn chagrijnige voorganger Wim Kok was Jan Peter met zijn jongensachtige humor een verademing. Maar de euforie duurde niet lang. De raadsadviseurs kregen snel door dat de onervaren minister-president wel erg op zijn tenen moest lopen. Dan kreeg hij de neiging kortaf te doen. Hij kon slecht tegen kritiek. Hij sloot zich af voor goedwillende adviseurs. Een great communicator bleek hij ook in kleine kring niet te zijn. Contact had hij vooral met zijn moeder die hem in die tijd nog elke dag belde.

Kon Balkenende – zoals het een goede Zeeuw betaamt – worstelend boven komen?

Misschien. Voorlopig zag het ernaar uit dat hij de geschiedenis inging als premier van het kortst zittende kabinet sinds de Tweede Wereldoorlog. De Kamer nam hem vooral kwalijk dat hij zijn kibbelende ministers een paar uur na de begrafenis van prins Claus voor de laatste keer bijeen had geroepen. Voor iemand die het altijd had over waarden en normen, getuigde dat van een opvallend gebrek aan piëteit.

Ook bij zijn eigen partijgenoten viel dat niet goed. Gerrit Braks: ‘Ik was op dat moment voorzitter van de Eerste Kamer. Bij de uitvaartdienst in Delft zat ik op de eerste rij. Vlak bij de koningin. Achter me hoorde ik de ministers over de kabinetscrisis praten. Het was erg rumoerig. Dat was niet passend. Ik neem het Jan Peter niet persoonlijk kwalijk. Het kabinet was instabiel en hij had weinig bestuurlijke ervaring. Maar ik vind dat hij toen niet adequaat heeft gereageerd.’ Marnix van Rij: ‘Dat hij op de dag van de begrafenis van prins Claus het kabinet bij elkaar riep, getuigde niet van sociale intelligentie.’

Maar drie maanden later waren de kansen gekeerd. Gerda Verburg zei het al: de kracht van Balkenende is dat hij ook bij tegenspoed onverstoorbaar door blijft gaan.René Paas had het feilloos door: in de provincie houden ze veel meer van zo’n degelijk type dan ze zich in de grachtengordel kunnen voorstellen. Bijna leek Balkenende te worden weggevaagd door het campagnegeweld van PvdA’s ideale schoonzoon Wouter Bos. Bijna, want uiteindelijk bleef Balkenende zijn uitdager met twee zetels voor.

Op de avond van de vervroegde verkiezingen – 22 januari 2003 – werd de premier in de Haagse brasserie Dudok door zijn aanhangers bedolven onder de confetti. Luidkeels riepen ze: ‘JP, JP, JP!’


Lezersoproep

U bent al 40 jaar getrouwd met een lieve boekhouder, maar valt ineens voor een Poolse bouwvakker. U stemt stiekem met uw portemonnee in plaats van uw hart. U zit in de actiegroep Behoud de Buurtwinkel, maar shopt soms bij de Lidl.

redactie op 22.05.2012 -

Teflon Bram

Komt Moszkowicz overal mee weg?

Marian Husken op 15.05.2012 -