VN MediagidsProfiel J.P. Balkenende Deel 2: de Amstelveense jaren

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Politiek / Jan Peter Balkenende 14.10.2006

Door Rudie Kagie

Met een vissenkom naar Soestdijk

Als student rechten en geschiedenis leidde de jonge Zeeuw Jan Peter Balkenende een christelijk dispuut, daarna verkeerde hij jarenlang in de Amstelveense politiek. Hij steunde toen nog het homohuwelijk, liet zich graag verleiden tot een principieel betoog, blonk uit in het bedenken van mitsen en maren en bouwde geduldig aan zijn netwerk. ‘Dit was geen man om in Amstelveen te blijven.’

‘Wij poffen alleen aardappelen,’ waarschuwt een opschrift boven de bar, want bij café Rooie Nelis in de Amsterdamse Jordaan weten ze wat humor is. Het dranklokaal fungeert nog steeds elke dinsdagavond als trefpunt voor leden van de ‘oratorische studentenvereniging’ P.A.S.C.A.L (de betekenis van die afkorting schijnt strikt geheim te zijn). Uitbaatster Rooie Sien en haar echtgenoot Zwarte Gerrit herinneren zich als de dag van gisteren hoe de huidige premier van Nederland aan de tapkast stond. Keurige jongen, type jasje-dasje. Dat café Rooie Nelis tot stamkroeg werd uitverkoren, blijkt uit een ingelijste oorkonde die in 1964 aan ‘magistra couponarum’ (ereschenkster) Sara Hendrika Blommers Ruwaard, alias Rooie Sien, werd uitgereikt.

Kort nadat Balkenende in 1974 het ouderlijk huis in Kapelle-Biezinge had verlaten om in Amsterdam te gaan studeren, werd hij lid van het dispuut, dat later overging naar het studentenkorps van de Vrije Universiteit. Bernard Prins, tegenwoordig partner bij accountantsconcern PricewaterhouseCoopers, leerde Balkenende er in 1976 kennen. Balkenende liep toen al twee jaar rond bij P.A.S.C.A.L. en werd kort daarop tot praeses (voorzitter) bevorderd.

Prins bewaart vrolijke herinneringen aan de nachtelijke uren waarin de ‘delegaties’ van de disputen ter afsluiting van hun wekelijkse reünie bij sociëteit L.A.N.X. kwamen doorzakken. ‘Na de sluitingstijd van de cafés dronken in een donkere ruimte aan de Herengracht zo’n tweehonderd studenten een biertje. Het drinken ging door totdat het buiten licht werd. Dan kwam het echtpaar Kist om de boel schoon te maken en moest iedereen weg.’ Tot de klassieke mores van het gezelschap behoorde het zogeheten ‘zooien’, waarbij de tegenstander naar oud gebruik krachtig aan de revers van zijn jasje wordt getrokken. Inzet van dit duwen en trekken is vaak een territoriumstrijd tussen de diverse disputen die hun vierkante meters in de sociëteit verdedigen. Er scheurde wel eens een kledingstuk en er sneuvelde wel eens een glas, maar schoppen of slaan mocht niet. Balkenende was er het type niet naar om de tent leeg te zooien. Hij ging zijn tegenstanders liever verbaal te lijf en wist handtastelijkheden te voorkomen. Een rokkenjager was hij evenmin, hoewel de jongens bij L.A.N.X. duchtig achter de meiden aan zaten. ‘En andersom, niet te vergeten,’ vult Prins haastig aan. ‘De vrouwelijke VU-studenten in die tijd waren erg geëmancipeerd.’

In bijzaaltjes van dure hotels als het Amstel of Krasnapolsky verzamelde het dispuut zich voor periodieke vergaderingen en het beoefenen van de rederijkerskunst. In principe leende elk onderwerp zich tot breedsprakerige deliberaties. ‘De kunst van de rede is lang over niks te spreken en nog geestig te zijn ook,’ legt Prins uit. ‘De ab actis opende de vergadering met een lange inleiding over de toestand van de wereld. Alles werd genotuleerd. Die notulen moesten in een volgende vergadering worden goedgekeurd, wat weer aanleiding was voor eindeloze discussies. Balkenende was een gezellige, maar ook serieuze vent. Hij was er een meester in om zijn betoog met de statuten van het dispuut in de ene hand en het huishoudelijk reglement in de andere hand te onderbouwen. Hij had een vlotte, doorwrochte babbel. In vergaderingen gaf hij blijk van een scherpe, originele blik op belangrijke en onbelangrijke zaken.’

De vereniging was christelijk en behoudend van signatuur. Het eerste bleek uit de stilte voor het gebed voor en na afloop van collectieve maaltijden en het voorlezen van een bijbeltekst aan het begin van elke dispuutvergadering. Op 30 april liet het dispuut zich van zijn koningsgezinde kant zien door in een gehuurd negenpersoonsbusje naar het defilé bij Soestdijk te rijden. Hare Majesteit kreeg dan – ook dat was traditie – een kom goudvissen van de studenten cadeau. Prins: ‘Om daar te midden van de majorettenkorpsen en alle drukte je opwachting te maken is gewoon leuk, mits je er de lol van inziet. Ik weet niet of dat een politieke daad was, ik vond het vooral gezellig.’

De dispuutgenoten maakten zich wel zorgen over een enkel lid dat in kringen van het Oud Strijders Legioen verkeerde, waaraan rechtsere ideeën werden toegedicht dan wenselijk was. Ja, ze hielden mekaar bij P.A.S.C.A.L. goed in de gaten. Een van de doelstellingen was het beschermen van studerende provinciaaltjes tegen de verlokkingen van de grote stad. Het dispuut mocht geen vrijgevochten bende worden. Praeses Balkenende sprak liever van een ‘patronaat’. Onvermoeibaar bleef hij eraan herinneren dat studeren geen kwestie is van lang leve de lol. Studeren moet tot een academische titel leiden.

Boterbabbelaars
Wim van Liere, student sociale geografie, had voor de almanak van Institutio Amicitiae Nostrae (IAN) een stuk in het Zeeuws geschreven. Grappig, hij bleek niet de enige VU-student die van Walcheren kwam. Zoiets kon je opzoeken in de almanak, waar achter elke naam stond waar iemand vandaan kwam. Zo leerde Van Liere, nu manager bij energiebedrijf Delta, jaargenoot Roland Balkenende en diens broer Jan Peter kennen. Andere Zeeuwen sloten zich aan en zo ontstond een clubje dat zich het Zeeuwsch Genootschap noemde. Tot de activiteiten behoorde het organiseren van een Zeeuwse avond in sociëteit L.A.N.X., waar dan vanzelfsprekend mosselen op het menu stonden. ‘Bolus est Bonus,’ adverteerde het genootschap in de almanak. ‘Echte Zeeuwse boterbabbelaars met goud bekroond. Goed Zeeuwsch, goed rond.’

In feite ging het, zegt Van Liere, om een uit de hand gelopen grap. ‘Als Jan Peter en ik elkaar op dinsdagavond bij Rooie Nelis tegenkwamen, dan spraken we meestal Zeeuws, maar dat deden we vooral om anderen te jennen. Ik had een auto. Als we in het weekend naar onze ouders in Zeeland gingen, reed hij vaak met me mee. Het was een heel hecht clubje. De humor van Jan Peter kwam vooral tot uiting in zijn oraties. Als hij tegen het einde van de vergadering het woord nam, zag je anderen nogal eens bezorgd op hun horloge kijken. Juist als hij aanvoelde dat iedereen popelde om naar de kroeg te gaan, nam hij graag de tijd om een uitvoerig verhaal af te steken.’

Een typerende uitspraak, toegeschreven aan ‘Jn Ptr Blknnd’, is te vinden op pagina 137 van de Studentenalmanak 1979-1980 van IAN: ‘Ik heb een stem en wil gehoord worden.’ Vijf pagina’s verderop in dezelfde publicatie staat nog een zin die verwijst naar Jn Ptr Blknnd ‘...wiens geluid een neus met een knijpertje voor de geest roept...’ – maar dat was een citaat van Johannes Kneppelhout (1814 – 1885) die onder het pseudoniem Klikspaan publiceerde.

Dat oreren en vergaderen vond Balkenende eigenlijk de leukste aspecten van het studentenleven. Nachtbraken lag hem niet. De ‘barcommissie’ van IAN klaagde in de almanak dat de ‘oude vertrouwde sociëteitsclowns’ weg waren en dat hun opvolgers, zoals ‘die jongen Blknd’, zich slechts sporadisch op de algemene ledenvergadering en het convent lieten zien en horen. Balkenende had het druk met zijn twee studies.

In 1980 deed hij zijn doctoraal examen geschiedenis. Zijn scriptie Om de plaats van de arbeid behandelde ‘de Protestants-christelijke en Rooms-katholieke visie tijdens het interbellum op bedrijfsvoering en arbeidsverhoudingen in het algemeen en op het Taylorstelsel in het bijzonder’. Het werkstuk is opgenomen in de catalogus van de VU-bibliotheek, maar is ‘niet beschikbaar’ voor uitlening. Van de doctoraalscriptie waarmee Balkenende in 1982 zijn rechtenstudie voltooide, ontbreekt elk spoor.

De Haarlemse advocaat Peter Ingwersen leerde studiegenoot Jan Peter Balkenende kennen als ‘een heel serieuze jongen die altijd erg met de inhoud bezig was’. Ambitieus, maar niet op een vervelende manier. Niet iemand die met zich liet sollen. Was verbaal en qua kennis zijn tegenstanders vrijwel altijd de baas. Scherp oog voor de grote verbanden. Ingwersen herinnert zich dat ze samen een scriptie zouden schrijven over marktwerking in het bestuursrecht. ‘Hij heeft een voorsprong op anderen. Nog steeds denk ik.’ Om de beurt zouden ze wekelijks een hoofdstuk inleveren, maar Jan Peter raakte dermate op dreef dat hij in één ruk achter elkaar alle hoofdstukken schreef. Toen was het werkstuk klaar. Het onderwerp sloot naadloos aan bij een maatschappelijke omslag die kenmerkend was voor de vroege jaren tachtig. Dat de ‘markt’ in het bestuursrecht zijn werk zou kunnen doen, was een nieuwe gedachte waar het zich toen nog als sociale partij presenterende CDA erg aan moest wennen. De Amerikaanse president Reagan, de Britse premier Thatcher, de econoom Milton Friedman waren aan het begin van de jaren tachtig machtige stemmen in het koor dat de zegeningen van de vrije marktwerking proclameerde. ‘Balkenende heeft een fijne antenne voor dergelijke ontwikkelingen,’ vindt Ingwersen. ‘Hij loopt daar niet voor weg, maar heeft daar direct zijn eigen ideeën over.’

Hij was al afgestudeerd historicus toen hij zich vanaf 1982 bovendien jurist mocht noemen. Datzelfde jaar kreeg hij zijn eerste betaalde baan: beleidsmedewerker op de afdeling Juridische Zaken van de Academische Raad. Hij verliet zijn studentenkamer in Uilenstede en huurde een bescheiden flat aan de Meander in Amstelveen. Vrijwel gelijktijdig werd hij namens het CDA, dat bij de plaatselijke verkiezingen van 1982 goed bleek voor elf zetels en de fractie uitbreidde met jong talent, het jongste lid van de gemeenteraad.

Vandalen
Zesentwintig was Jan Peter Balkenende toen hij in de gemeenteraad van Amstelveen kwam. Er verstreek een jaar tot hij, op dinsdagavond 21 september 1983, de lokale volksvertegenwoordiging voor het eerst toesprak. Zijn betoog was weloverwogen, rustig, en acceptabel voor alle gezindten. De CDA-fractie ging, zei Balkenende, akkoord met het voorstel om in de automatisering van de gemeentelijke administratie te investeren, ‘met de kanttekening dat zij de aanschaf van apparatuur gaarne ziet ingebed in een breder beleidskader’. Het benadrukken van zo’n breder beleidskader kwam standvastig en principieel over – precies zoals het prille politieke talent Jan Peter zich wilde profileren. Toen al.

Vier weken na zijn raadsdebuut nam de spreker opnieuw het woord, dit keer om plaatselijk ongerief in historisch perspectief te plaatsen. Hij zei: ‘Hoewel de schade ten gevolge van vernielingen in Amstelveen niet vergelijkbaar is met de puinhoop die de Vandalen in 455 na Christus in het klassieke Rome aanrichtten, hebben wij in onze gemeente toch te maken met dit verschijnsel, dat aanleiding geeft tot grote zorg, namelijk het moedwillig stuk maken van andermans bezittingen.’

Na nog een paar van zulke verwijzingen was het de gekozenen duidelijk dat Balkenende in debatten moeiteloos zijn parate kennis etaleerde. De mensen mochten best weten dat hij wat in zijn mars had en dat hij van barok gekrulde zinnen hield. Onvermoeibaar bleef het jeugdige raadslid hameren op de noodzaak van een ‘structureel beleid’. Zelfs toen hij het Project Bestrijding Vandalisme aanprees als ‘een stap in de goede richting’, bezweek hij voor de verleiding om dit voorstel van mitsen en maren te voorzien: ‘Toch moet worden benadrukt dat het bij het bestrijden van vandalisme in eerste instantie gaat om het bewerkstelligen van een mentaliteitsverandering.’

Na zijn eerste twee bijdragen aan het raadsdebat deed Balkenende er in de Amstelveense gemeentepolitiek opnieuw een jaar het zwijgen toe, hoewel hij elke vergadering trouw van de partij was. Pas op dinsdagavond 24 oktober 1984 galmden zijn woorden weer staccato door de raadzaal. ‘Wij onderstrepen de aan het voorstel liggende gedachte dat ontwikkelingssamenwerking niet alleen een zaak is van beperkte tijd, maar ook in de toekomst ons moet blijven bezighouden,’ zei hij. ‘Misschien dat wij ons moeten buigen over andere wegen, maar dat ontwikkelingssamenwerking ons breed moet bezighouden, staat voor ons als een paal boven water, ook op lokaal niveau.’

Nee, Jan Peter Balkenende was niet het type raadslid dat zich opwond over een verdwaalde hondendrol in de zandbak of een losliggende stoeptegel die oudjes van het bejaardentehuis noodlottig dreigde te worden. Het ging hem zozeer om de grote lijnen, dat het raadslid Wicher Nieuwenhuis (PvdA) op een zeker moment uitriep: ‘Mijnheer de voorzitter! Af en toe bespeur ik de geest van Abraham Kuyper in deze zaal. De heer Balkenende met zijn antirevolutionaire verleden zal dat zeker begrijpen.’

Waarop Balkenende riposteerde: ‘Ik ben rechtstreeks lid van het CDA geworden, meneer Nieuwenhuis.’

Jan Bank, nu emeritus hoogleraar geschiedenis en tot 1992 voorzitter van de PvdA-fractie in de Amstelveense gemeenteraad, had het idee dat de student Balkenende de plaatselijke politiek aangreep om de praktische ervaring op te doen die hij voor het vervullen van zijn ambities nodig had. Niet dat hij er toen al van droomde om op korte termijn door te stomen naar het Catshuis, maar een Kamerlidmaatschap leek hem wel wat. ‘Het was duidelijk dat hij de grote politiek in wilde,’ zegt Bank. ‘Hij specialiseerde zich in blauwdrukken voor de samenleving, niet in Amstelveen. Zijn denkbeelden gingen mee met de tijdgeest. Balkenende bracht de ideeën van Lubbers over de terugtredende overheid, het maatschappelijk middenveld en privatisering terug tot plaatselijke proporties.’

Krokettenmotie
Winnie Blok-Melai was in de jaren negentig voorzitter van de PvdA-fractie, in dezelfde periode waarin Balkenende de CDA-afvaardiging in de raad leidde. ‘Ik vond hem een prettige collega-fractievoorzitter,’ zegt ze. ‘Het was de tijd van het harmoniemodel. Grote sociale conflicten deden zich hier niet voor. Balkenende had een aantal stokpaardjes die als hij de kans kreeg in elke raadsvergadering van stal werden gehaald. Privatiseren, de eigen verantwoordelijkheid van de burger – de dingen waar hij nog steeds op hamert. Ik heb wel eens horen verzuchten als Balkenende het woord nam: o jee, daar begint de grammofoonplaat weer van voren af aan.’

Nee, veel humor had Jan Peter Balkenende niet, vinden de twee ex-raadsleden van de PvdA uit Amstelveen. Van Godfried Bomans had hij geleerd dat een plechtstatige formulering op zijn tijd een komisch effect sorteert, maar verder viel bij hem weinig te lachen. Met zijn fameuze krokettenmotie kreeg hij op 25 november 1993 de lachers op zijn hand. Het voorstel werd unaniem aangenomen. ‘De raad van de gemeente Amstelveen, in vergadering bijeen,’ las Balkenende van een briefje voor, ‘overwegende: dat in het algemeen de inhoud van het debat gediend is met versterking van de inwendige mens; dat het college van b. en w. daartoe een handreiking kan doen in de vorm van verstrekking van kroketten; dat de voornoemde verstrekking niet gehouden is aan het tijdstip van 22.30 uur; spreekt uit dat het proces van besluitvorming over de begroting 1994 gediend is met het van gemeentewege verstrekken van kroketten; verzoekt het college van b. en w. de nodige stappen te zetten die benodigd zijn om bovengenoemd doel te materialiseren en gaat over tot de orde van de dag.’

‘Die motie getuigde van een gevoel voor humor dat het mijne niet is,’ zegt Winnie Blok.

‘Hij stond allerminst bekend als een grapjas, maar door die krokettenmotie gaat hij wel als zodanig de Amstelveense geschiedenis in,’ vult Jan Bank aan. ‘Op die manier maakte hij goed dat hij een theoreticus was wiens hart niet in de eerste plaats bij de lokale politiek lag.’

De Amstelveense burgemeester Otto van Diepen (VVD) liet meer dan eens blijken dat hij de bijdragen van Balkenende aan het debat wel geestig vond. Hij speelde het spel mee en zei dat hij niet goed raad wist met de amendementen die op de krokettenmotie waren ingediend. ‘Sommigen willen een kroket en anderen weer een saucijzenbroodje.’ Wethouder Casper Stevens (CDA), belast met de interne organisatie en daarmee volgens eigen zeggen ‘de opperkastelein van dit gemeentehuis’, beloofde erop toe te zien dat de krokettenmotie zou worden uitgevoerd, ‘in die zin dat wij zorgen voor kleine, handzame hapjes waarmee zal worden rondgegaan. (...) Ik vraag de heer Balkenende of hij akkoord kan gaan met deze interpretatie van de motie door het college.’

Waarop raadslid Balkenende antwoordde dat hapjes en kroketten niet hetzelfde zijn. Uiteindelijk stemde hij, onder toevoeging van de gebruikelijke mitsen en maren, in met de interpretatie die het college van b. en w. aan de krokettenmotie gaf. Ruim twintig minuten had het debat geduurd, er was gegniffeld en gelachen.

Om daar de lol van in te zien, moest je misschien aan de VU hebben gestudeerd. Op hoog niveau oreren over een onderwerp van niks, dat was immers de kunst bij Balkenendes dispuut P.A.S.C.A.L. Het dispuut kende onder andere een ‘politiepaardenprikcommissie’ die verslag uitbracht over de gemoedstoestand van viervoeters die bij het beteugelen van onlusten waren ingezet. Niet dat aan deze rapportage uitvoerig onderzoek vooraf was gegaan, maar daar ging het niet om. Een stelling verkondigen en die vervolgens met verve verdedigen, dat was de kunst.

Maatje te klein
Balkenende zat zestien jaar in de gemeenteraad van Amstelveen, waarvan de laatste vier jaar als fractievoorzitter. Er werd regelmatig zijn kant uitgekeken als een wethouderspost aan het CDA te vergeven was, maar dit was niet het politieke niveau dat hij ambieerde. Vanaf 1984, toen hij stafmedewerker werd van het wetenschappelijk instituut voor het CDA, was het duidelijk dat hij op landelijk gebied iets voor de partij wilde gaan betekenen. ‘Zeker toen hij er in 1993 naast zijn andere werk een bijzonder hoogleraarschap aan de VU bij kreeg, wist ik dat Amstelveen een maatje te klein voor hem was geworden,’ zegt de vijf jaar oudere jurist Casper Stevens, die tegelijk met Balkenende in de gemeenteraad was gekomen en uiteindelijk opklom tot wethouder. ‘Ik beschouwde het politieke spel als een noodzakelijk kwaad om in Amstelveen mijn doel te bereiken. Jan Peter is meer politicus dan ik. Hij kon er echt van genieten om het gedachtegoed van het CDA uit te dragen.’

Over de vraag of het gemeenteraadslid Balkenende linksere opvattingen koesterde dan de latere premier Balkenende lopen de meningen uiteen. ‘Nee,’ zegt Casper Stevens, ‘hij stond niet links van het CDA. Anderen waren duidelijk linkser. Ik wil niet zeggen dat hij aartsconservatief was, maar hij woog de belangen evenwichtig tegen elkaar af.’

‘Ik vond hem geen linkse rakker,’ zegt Fred Schneider, die van 1972 tot 1998 eerst voor de KVP en later voor het CDA in de Amstelveense raad zat. ‘Vanuit zijn godsdienstige achtergrond had Balkenende wel een enorm mededogen met minderbedeelden. Wat me tegenwoordig tegen de borst stuit, is dat we geen kans zien om de zeshonderdduizend mensen in Nederland die er financieel beroerd aan toe zijn, te helpen. De regering zou het moeten weten. Daar zit mijn vriend Jan Peter, die me op dit punt een beetje teleurstelt.’

Voormalig PvdA-fractievoorzitter Winnie Blok had de indruk dat collega-fractievoorzitter Balkenende progressiever was dan zijn partij. ‘We vonden elkaar op een aantal sociale kwesties. Hij was er altijd voor te vinden om middelen vrij te maken voor initiatieven die ten goede kwamen aan groepen in de samenleving die het niet breed hadden. Dat was dapper in een welvarende gemeente als Amstelveen, waar de neiging bestaat om de ogen te sluiten voor mensen met problemen.’

Balkenende stelde zich in menig raadsdebat eerder ruimdenkend dan beginselvast op, zoals in maart 1993, toen het homohuwelijk op de agenda stond. Hij was daar, zei hij, altijd principieel voorstander van geweest. Daarom juichte hij het toe dat het maatschappelijk tij was gekeerd: ‘Terecht is op een gegeven moment gezegd dat wat aan sommigen wordt gegeven in de samenleving als het gaat om de juridische positie van het huwelijk ook aan anderen gegeven zou moeten worden. Daarover is maatschappelijke consensus ontstaan en dat is iets waarover wij blij mogen zijn.’ De spreker vond het trouwens wel spijtig dat de Haagse molens wat dat betreft ‘buitengewoon langzaam’ draaiden, want als het aan hem lag, werd dat homohuwelijk zo snel mogelijk ingevoerd.

Als lid van de CDA-fractie in de Tweede Kamer keek Balkenende anders tegen dit onderwerp aan. Tijdens zijn bezoek aan Indonesië bekende de premier afgelopen voorjaar dat hij tegen het homohuwelijk had getemd.

Juridisch brein
Als wonderkind in de Amstelveense gemeentepolitiek maakte de pas afgestudeerde Balkenende pijlsnel furore, memoreert oud-fractievoorzitter van het CDA in Amstelveen Fred Schneider. Hij heeft even opgezocht hoe het ook weer zat. ‘Kijk, hier. In 1982 stond ik als vierde op de kandidatenlijst en Jan Peter op de negende plaats. Vier jaar later waren er weer verkiezingen. Toen stond Jan Peter op de derde plaats en ik op de vierde. Er was dus in één periode ontdekt van welk kaliber hij was en wat hij zou kunnen gaan betekenen in de politiek.’

De notulen schetsen volgens Schneider een onvolledig beeld van de rol die de jonge Balkenende in de fractie vervulde. ‘Zijn aandeel in de fractievergaderingen was belangrijk, maar dat werd niet genotuleerd. Door zijn grote kennis van zaken en een juridisch brein straalde hij autoriteit uit. Hij wist alles tien keer beter dan ik en heeft me steeds ontzettend geholpen. Ik heb bijvoorbeeld acht keer de begrotingsspeech gedaan. Als daar een principiële passage in voorkwam die verwees naar de doelstellingen van het CDA, dan kon je ervan uitgaan dat Jan Peter dat citaat voor mij op een velletje had geschreven. Ik was het er altijd mee eens. Beter dan wie dan ook slaagde hij erin om onze principes onder woorden brengen. Toch hield hij zich bescheiden op de achtergrond. Een opmerkelijke eigenschap van hem is: als hij iets leest, dan weet hij het. Ik heb zoiets maar één keer eerder meegemaakt, bij een hoogleraar die uit zijn hoofd zei dat je bepaalde informatie bijvoorbeeld op pagina 475 kon nalezen. Dat klopte altijd. Jan Peter had dat ook.’

Qua leeftijd had de huidige premier zijn zoon kunnen zijn, zegt Schneider (82), maar het verschil in jaren stond een vriendschappelijk contact allerminst in de weg. Zijn flatje had Balkenende altijd netjes op orde; ramen lappen vond hij leuk. En ineens was daar Bianca, de vrouw met wie hij later zou trouwen. Ze werkte als beleidsmedewerkster van de CDA-fractie aan het Binnenhof en bewoonde in Capelle aan den IJssel een grotere flat dan haar verloofde huurde. In 1996, acht jaar nadat het stel elkaar had leren kennen, werd het huwelijk voltrokken. ‘Dat gebeurde tot veler verrassing in de raadszaal van Amstelveen, waarbij burgemeester Van Diepen optrad als ambtenaar van de burgerlijke stand. Een geste waaruit waardering voor een van de belangrijkste raadsleden sprak,’ herinnert Schneider zich. Nee, de gedachte dat hij oog in oog zat met de toekomstige premier van Nederland, was in die tijd geen moment bij hem opgekomen. ‘Wel voelde ik aan dat we hem op een dag kwijt zouden raken, dit was geen man om in Amstelveen te blijven.’

‘Toen hij Tweede Kamerlid werd onder Paars, heb ik hem meteen getipt als iemand die ministeriabel was als het tot een volgend kabinet met het CDA zou komen,’ zegt oud-wethouder Casper Stevens. ‘Ik had hem ingeschat voor Financiën. Voor z’n ontwikkeling had ik liever gezien dat hij eerst minister was geweest. Nu werd hij als premier direct voor de leeuwen gegooid, al moet ik zeggen dat hij het goed doet.’

Netwerk
Zonder die jarenlange vorming aan de VU, in de studentenvereniging en in de Amstelveense gemeenteraad had de loopbaan van Jan Peter Balkenende ongetwijfeld een andere wending genomen. Niet alleen leerde hij al debatterend de kneepjes van het vak, hij hield er ook een netwerk aan over.

In de Christen Juristen Vereniging, een van huis uit calvinistische organisatie met een ledenbestand dat grotendeels aan de VU werd gekweekt, ging het er tijdens de jaarvergadering begin 2001 heftig aan toe. Jan Peter Balkenende was kort tevoren afgetreden als voorzitter van de vereniging, zijn studievriend Peter Ingwersen was hem in die hoedanigheid opgevolgd. ‘We hebben toen stevig op hem in zitten praten,’ zegt Ingwersen. ‘Het was duidelijk dat Jaap de Hoop Scheffer ongeschikt was om het CDA te leiden. Hij kon het gewoon niet. Het roer moest om. Jan Peter was ons aanspreekpunt binnen het CDA. We vonden dat hij een daad moest stellen. Er werd met de vuist op tafel geslagen, want het CDA gaat ons als vereniging aan het hart. We vonden dat er moest worden ingegrepen en dat daarbij voor Jan Peter een rol was weggelegd. Hij zei op dat moment niet zoveel. Hij luisterde wel goed.’


Lezersoproep

U bent al 40 jaar getrouwd met een lieve boekhouder, maar valt ineens voor een Poolse bouwvakker. U stemt stiekem met uw portemonnee in plaats van uw hart. U zit in de actiegroep Behoud de Buurtwinkel, maar shopt soms bij de Lidl.

redactie op 22.05.2012 -

Teflon Bram

Komt Moszkowicz overal mee weg?

Marian Husken op 15.05.2012 -