VN MediagidsMinister van Oorlog: Eimert van Middelkoop

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Politiek 27.09.2008

Door Thijs Niemantsverdriet

Zijn eerste jaar als minister van Defensie verliep 'bijzonder moeilijk', maar nu lijkt Eimert van Middelkoop zichzelf te hebben hervonden. Portret van een optimist in een somber stemmend strijdtoneel. 'En kijk uit, hè, met die bermbommen.'

Het is omstreeks half tien in de morgen als Eimert van Middelkoop in Kamp Holland op een viertal militairen afstapt. Ze staan ontspannen tegen een muurtje geleund bij de cafetaria en roken een sigaretje. Twee van de vier hebben een baard.

'Dag mannen,' zegt de minister.
'Dag minister,' zeggen de mannen.
'Hoe is het?'
'Goed,' antwoordt de pelotonscommandant. 'Net terug van negen dagen patrouilleren in de rivierbedding ten zuiden van Tarin Kowt.'
'En? Nog wat tegengekomen?'

Een fractie van een seconde is het stil. Dan moeten de vier militairen lachen.

'Nou en of,' zegt de pelotonscommandant. 'Vier bermbommen gevonden in twee dagen. En 's nachts beschoten door de taliban.'
'Ah, waren jullie dat?' zegt van Middelkoop. 'Daar heb ik over gehoord tijdens een briefing.'

De minister informeert naar de kwaliteit van hun schoeisel. Naar de grootte van hun peloton. En naar de reacties van de lokale bevolking op patrouilles. De mannen antwoorden beleefd. Dan maakt Van Middelkoop een gebaar dat hij weer verder moet.

'Succes, mannen,' zegt hij. 'En kijk uit, hè, met die bermbommen.'

Door een klein raampje
Eimert van Middelkoop is op bezoek bij de achttienhonderd Nederlandse militairen die in Uruzgan en Kandahar gelegerd zijn in kader van de NAVO-missie ISAF. Twee dagen eerder is hij aangekomen. Hij heeft de troepen toegesproken. Hij heeft medailles uitgereikt. Hij heeft opnames gemaakt voor het televisieprogramma Pauw en Witteman. En hij heeft diverse briefings gehad over de situatie ter plekke. Het is begin september 2008: bijna zeven jaar na de aanslagen op het World Trade Center, en precies halverwege de vier jaar durende missie die Nederland hier op zich genomen heeft.

Het bezoek van Van Middelkoop komt aan het einde van een hete zomer in Afghanistan. In Uruzgan is het relatief rustig geweest - met name rondom de Nederlandse basis in Deh Rawod is voorzichtig vooruitgang geboekt. Maar elders in het land is de taliban met hernieuwd zelfvertrouwen ten strijde getrokken. In het oosten van het land vonden twee frontale aanvallen op Amerikaanse legerkampen plaats. In juli werden tien Franse soldaten nabij Kabul in een hinderlaag gelokt en vermoord. Er was een aanslag op de Indiase ambassade in Kabul, met meer dan veertig doden. In juni werden bij een strak georganiseerde gevangenisuitbraak in Kandahar honderden radicale strijders bevrijd, terwijl het Afghaanse leger machteloos toekeek. Maar liefst vijfendertig ISAF-soldaten sneuvelden er in de maand juni: het hoogste aantal sinds het begin van de operatie in Afghanistan. Op het hoofdkwartier in Kabul hing de vlag het afgelopen jaar precies één dag niet halfstok.

Toch is Van Middelkoop optimistisch. Dat wordt duidelijk als we later die middag per helikopter een bezoek brengen aan Deh Rawod. Vers uit de briefing van de commandant ter plaatse stapt de minister op een tweetal militaire ziekenbroeders af die bij een brievenbus in het kamp staan te keuvelen. 'Ik was hier een half jaar geleden voor het laatst, met nieuwjaar,' zegt hij tegen ze. 'Toen was het helemaal mis. Maar nu gaat het veel beter, jongens!' De ziekenbroeders knikken beleefd. De minister geeft ze een schouderklopje: 'Volhouden, hè?'

Eén ding wordt tijdens ons bezoek aan Afghanistan meteen duidelijk: de minister kan bijzonder weinig zien. Dat komt door de beveiliging, want hij is een high target. Mee op patrouille, het veld in? Geen sprake van. Goed, gisteren is hij van de compound af geweest. Hij heeft een bezoek gebracht aan de gouverneur van Uruzgan, in het stadje Tarin Kowt. Maar dat was de eerste keer in zijn ministerschap dat hij buiten de poort kwam. De reis ging per bepantserd Bushmaster-voertuig, vergezeld door een zwaarbewapende patrouille. Hij kon pas uitstappen bij de gouverneur nadat een tiental scherpschutters positie had gekozen op omliggende daken. Wat Van Middelkoop heeft gezien van Uruzgan, zag hij door het piepkleine raampje van zijn voertuig. Voor al het overige is hij afhankelijk van de briefings van hoge officieren. Echt ervaren hoe het in Uruzgan gaat - dat kan hij niet.

Paradoxale opdracht
Dat Eimert van Middelkoop minister werd in het vierde kabinet-Balkenende, verraste bijna niemand. Toen eenmaal duidelijk was dat zijn partij, de ChristenUnie, zou gaan meeregeren, viel zijn naam meteen: dertien jaar Kamerlid, goede bekende op het Binnenhof, eminence grise van zijn partij.

Dat hij minister van Defensie werd, daar fronsten de Haagse insiders wél hun wenkbrauwen over. De krijgsmacht, dat is toch geen hoofdthema voor sociaal-conservatieve christenen? Ethische kwesties, daar hebben ze het graag over. Of sociale rechtvaardigheid. Maar het leger? Toch was de portefeuille defensie de eerste keuze van partijleider en onderhandelaar André Rouvoet. Hij wilde laten zien dat zijn partij als debutant een volwaardige regeringspartner was. En hoe kon dat beter dan de verantwoordelijkheid te nemen over 's lands strijdkrachten, de grootste werkgever van Nederland?

Zo begon Eimert van Middelkoop zijn ambtstermijn op 22 februari 2007 meteen met een stevige last op de schouders. Niet alleen moest hij bewijzen dat zijn partij regierungsfähig was. Hij kreeg ook de politieke verantwoordelijkheid over Nederlands grootste en gevaarlijkste missie sinds de Korea-oorlog. Een missie die aanvankelijk gepresenteerd werd als 'opbouwmissie', terwijl er vooral veel en hard geknokt moest gaan worden. Een missie die als onderdeel van een NAVO-troepenmacht een beperkt mandaat had, maar wel een parallelle operatie van de Amerikanen met veel ruimere bevoegdheden (Enduring Freedom) naast zich moest dulden. Een missie ook die de Nederlandse militairen van het begin af aan voor een paradoxale opdracht plaatste: enerzijds de hearts and minds van de Afghaanse bevolking veroveren, anderzijds met stevig spierballenvertoon laten zien wie er de baas was.

En dat allemaal met een organisatie die zich, op z'n zachtst gezegd, in onrustig vaarwater bevond. Defensie was murw gebeukt door twee decennia onophoudelijke bezuinigingen. Na de val van de Muur was er bij elke kabinetsformatie 'vredesdividend uitgekeerd', een Haags eufemisme voor snijden in de defensiebegroting. Materiaal moest worden verkocht, personeel ontslagen. Ook bij de formatie van Balkenende IV ontsnapte Defensie niet aan het fileermes. De krijgsmacht kreeg weliswaar vijfhonderd miljoen euro extra, maar er moest ook bezuinigd worden op 'hoofdwapensystemen': F16's, fregattenen en tanks. Bovendien was Defensie de afgelopen jaren herhaaldelijk negatief in het nieuws geweest: knokkende mariniers in Noorwegen, het proces rond marinier Eric O., vermeende seksuele uitspattingen op het fregat Tjerk Hiddema, de Iraakse 'martelprimeur' in de Volkskrant, het blijvende trauma van Srebrenica.

Op 20 april 2007, een kleine twee maanden na Van Middelkoops aantreden, stapte korporaal Cor Strik tijdens een voetpatrouille op een bermbom. Hij was de eerste Nederlandse soldaat in Afghanistan die door vijandelijk geweld om het leven kwam. En zeker niet de laatste. Iedere militair in Afghanistan kan het rijtje kameraden dat sindsdien sneuvelde zonder moeite opnoemen: Timo Smeehuijzen, Jos Leunissen, Tom Krist, Martijn Rosier, Tim Hoogland, Ronald Groen, Wesley Schol, Aldert Poortema, Mark Schouwink, Dennis van Uhm, Jos ten Brinke. Was Eimert van Middelkoop niet begonnen aan een mission impossible?

Kreten van afschuw
'Ik heb een bijzonder moeilijk eerste jaar gehad,' zegt Eimert van Middelkoop. Het is eind april, de eerste keer dat ik met hem op pad ben. We zitten op een terrasje in de Slowaakse hoofdstad Bratislava, waar de minister met een kleine delegatie op bezoek is bij zijn Slowaakse collega Jaroslav Baska. De aanleiding: vanaf het najaar gaat Slowakije 42 militairen leveren aan de missie in Uruzgan.

De minister heeft een bijzonder heftige week achter de rug. Vijf dagen eerder heeft hij generaal Peter van Uhm op het Binnenhof geïnstalleerd als nieuwe Commandant der Strijdkrachten, de hoogste militaire baas van Nederland. Het was een prachtige vertoning: de zon scheen, de uniformen glommen, er werden mooie woorden gesproken. De volgende dag kwam er uit Afghanistan een verbijsterend bericht: luitenant Dennis van Uhm, de zoon van de generaal, was door een bermbom om het leven gekomen. 's Ochtends vroeg sprak Van Middelkoop meteen met Van Uhm en diens vrouw.

Daarna moest hij naar de ministerraad. Hij hoort nog de kreten van afschuw van zijn collega's toen hij ze het nieuws vertelde. 's Middags gaf hij een persconferentie. Wat wás hij dankbaar toen zijn hoogste ambtenaar vlak daarvoor tegen iedereen zei: 'Kom, we laten Eimert even alleen.' Zodat hij om kracht kon bidden. Hij was ook blij dat hij die zondag naar de kerk kon. De wekelijkse dienst geeft Van Middelkoop houvast: hij stapt even uit het hectische Haagse bestaan. Maar sinds hij minister is, komen op zondag ook de gebeurtenissen van de week in zijn hoofd terug. En deze week kwamen ze extra hard. 'Mijn hoofd,' zegt hij, 'liep over.'

Eimert van Middelkoop heeft weinig weg van een calvinistische mannenbroeder. Hij oogt eerder guitig. Jongensachtig. Hij praat veel en intens. Als hij een punt wil maken, schuift hij zijn knieën tegen elkaar, vouwt zijn handen samen en heft zijn hoofd ten hemel. Soms gaat hij zó op in zijn verhaal, dat hij iemand die hem onderbreekt op bijna onbeleefde wijze afwimpelt. Hij houdt ook van anekdotes. En van grapjes. De volgende dag, bij terugkomst op vliegveld Rotterdam wijst hij op een alleenstaande tas en roept: 'Pas op jongens, een terroristische aanslag.'

Een beetje ijdel is Van Middelkoop ook. Naarmate ik meer met hem optrek, merk ik dat hij een aantal kwalificaties van zichzelf graag herhaalt. 'Ik heb veel gevoel voor taal,' is zo'n favoriet. Of: 'Ik heb veel gereisd.' De meest terugkerende frase: 'Dat is de socioloog in mij.' (Van Middelkoop studeerde sociologie in Rotterdam.)

Maar één ding is Eimert van Middelkoop niet: een man van de confrontatie. Met de vuist op tafel slaan doet hij zelden. Dat geeft hij bij onze eerste ontmoeting meteen toe. 'Het woord gezag zit niet echt in mijn vocabulaire,' zegt hij op het terras in Bratislava. 'Als ik ergens ontevreden over ben, zeg ik eerder: "Dat had ik liever anders gewild."'

Het was dus wennen, dat eerste jaar als minister. In de 'buitenlanddriehoek' van het kabinet werd Van Middelkoop overvleugeld door zijn collega's Koenders (Ontwikkelingssamenwerking) en Verhagen (Buitenlandse Zaken). In actuele politieke kwesties kwam hij soms weinig krachtig over. Toen hij een bezoek aan Soedan moest afzeggen omdat de Soedanese regering niet op tijd zijn visum klaar had, weigerde hij dat diplomatieke affront in de Tweede Kamer krachtig te veroordelen.

In november 2007 strandde Van Middelkoop in Kabul, op weg naar de Nederlandse troepen in Uruzgan. Het vliegtuig was stuk en de piloot van het reservevliegtuig onwel. Van Middelkoop besloot terug te keren naar Nederland. Dat wekte bij sommige hoge militairen de indruk dat hij niet voldoende op zijn strepen was gaan staan.

'Ik begrijp dat niet, dan ga je als NAVO toch af als een gieter,' zei generaal b.d. Kees Homan, verbonden aan Instituut Clingendael, in NRC Handelsblad. 'En dat Van Middelkoop dat blijkbaar nog pikt ook. Ik zou dan tegen de commandant van de ISAF hebben gezegd: jij regelt maar vervoer voor mij, want ik wil mijn troepen zien. Maar hij ging onverrichter zake terug naar Den Haag. Ik heb daar geen woorden voor.'

Een flinke uitglijder maakte Van Middelkoop in de zomer van 2007. In het najaar moest worden besloten of de missie in Uruzgan zou worden verlengd. Officieel had het kabinet daar op dat moment nog geen standpunt over ingenomen; het zomerreces zou worden benut om alle opties eens op een rij te zetten. Maar na afloop van de ministerraad van 29 juni meldde Van Middelkoop plompverloren aan het aanwezige journaille dat hij de 'politieke intentie' had om de missie te verlengen. Een storm brak los. Oh? vroegen Kamerleden zich af, had de regering dan al wél een besluit genomen? Van Middelkoop moest door het stof. 'U bent ofwel buitengewoon geraffineerd, of oliedom,' zei SP'er Harry van Bommel tegen hem. 'Als ik tussen die twee moet kiezen,' antwoordde Van Middelkoop, 'dan kies ik voor de laatste.'

Later dat jaar loodste Van Middelkoop zonder problemen het verlengingsbesluit door het parlement. Maar voor de Nederlandse positie binnen de NAVO, zeggen buitenlandkenners, was zijn opmerking niet bepaald handig. Ons land vervult een prominente rol in Afghanistan: samen met Canada en Groot-Brittannië is Nederland één van de lead nations van de ISAF-missie in het zuiden van het land (al zijn de Amerikanen met hun troepen nog altijd in de meerderheid). Diplomaten in Brussel morren al enige tijd dat Nederland deze belangrijke positie niet genoeg omzet in klinkende munt. De zoektocht naar een opvolger voor Uruzgan verloopt bijvoorbeeld uitermate moeizaam. Met deze opmerking had de minister onze onderhandelingspositie nóg verder verzwakt.

Op een zonnige meidag, een week of twee na het bezoek aan Bratislava, vraag ik Van Middelkoop naar die fout van een jaar terug. We zitten op de achterbank van zijn dienstwagen en zijn op weg naar Groningen, waar hij een spreekbeurt zal houden voor studenten internationale betrekkingen. Was het nou een slip of the tongue? Of juist een tactische meesterzet om parlement en publieke opinie vast klaar te maken voor een reeds genomen kabinetsbesluit?

'Het was écht een verspreking,' zegt Van Middelkoop, terwijl we langs het gebouw van de Gasunie rijden. 'Ik moest die dag tien maal dezelfde tekst debiteren. Het was een lange, ingewikkelde zin. Toen heb ik per ongeluk een keer een deel van de zin laten wegvallen.' Hoe hij zich voelde? Knullig. Maar dat hij er in de Tweede Kamer stevig van langs kreeg, was helemaal niet zo erg. 'Dat is een gekend ritueel. Je bied je excuses aan, je krijgt wat kritiek, en dan is het goed.' Als oud-volksvertegenwoordiger, zegt Van Middelkoop, genoot hij er bijna van. Nee, het was een stuk vervelender dat hij van zijn collega's in de ministerraad zo weinig steun kreeg. 'Jammer dat Balkenende de kwestie op zijn persconferentie niet als een verspreking afdeed.'

De redelijkheid zelve
Op een lome juniavond geeft Eimert van Middelkoop een rondleiding door zijn huis in Berkel en Rodenrijs, het plaatsje bij Rotterdam waar hij op een korte onderbreking na zijn hele leven heeft gewoond. De minister oogt ontspannen: hij draagt instappers, het bovenste knoopje van zijn overhemd is open en zijn Blackberry raakt hij de hele avond niet één keer aan.

Na zijn zware eerste jaar lijkt Van Middelkoop zichzelf hervonden te hebben. Sinds het verlengingsbesluit voor Uruzgan is er een hoop druk van de ketel. In de afgelopen maand is de minister alsnog op reis geweest naar Soedan en heeft hij een Nederlandse bijdrage aan de EU-missie in Tsjaad door het parlement gekregen. Ook heeft hij een belangrijke slag geslagen in de strijd om meer geld voor zijn departement. Van Middelkoop overtuigde minister Bos van Financiën van de noodzaak van een brainstorm over het toekomstige defensiebudget. In maart startte het project, Strategische Verkenningen genaamd: onder leiding van oud-minister Zalm buigt een klankbord van wijze mannen zich over de vraag 'hoe de taken en de middelen van de krijgsmacht ook op de langere termijn in evenwicht te houden.' Wie weet, zei Van Middelkoop bij de presentatie, gaat Nederland vanaf de volgende kabinetsperiode voor het eerst in twintig jaar méér besteden aan defensie in plaats van minder.

Harry van Bommel, SP-Kamerlid, vindt het niet verbazingwekkend dat Van Middelkoop de Verkenningen voor elkaar heeft gekregen. 'Van Middelkoop maakt een probleem bij Defensie heel behendig tot een probleem van ons allemaal. Als je op dat departement iets wil, moet je met open vizier strijden. Je moet de redelijkheid zelve zijn. En dan heb je aan Van Middelkoop een goede.'

In mei heeft Van Middelkoop de Afghaanse president Hamid Karzai op bezoek gehad in Den Haag. In de situation room van het ministerie van Defensie hebben ze samen per satellietverbinding gesproken met de commandant van het Nederlandse contingent in Tarin Kowt. 'De kaart van Uruzgan is mij inmiddels zo vertrouwd,' heeft Van Middelkoop tegen Karzai gezegd, 'dat ik soms bijna denk dat het een Nederlandse provincie is geworden.' Hij heeft een donkerrood Afghaans kleedje cadeau gekregen van de president. Het ligt in de hal van zijn woning, onder aan de trap.

Van Middelkoop neemt me mee naar zijn werkvertrek. Er staan veel boeken. Hij houdt van boeken, zegt hij. Als kind deed hij al niets anders dan lezen. Later, in de woonkamer, zal Van Middelkoop een kleine leren bijbel pakken en de opdracht voorlezen die zijn bovenmeester er destijds voor hem in schreef, een citaat uit het boek Prediker: 'En ten slot mijn zoon, nog deze waarschuwing: er komt geen einde aan het aantal boeken dat geschreven wordt, en veel lezen mat het lichaam af.' Van dat laatste, zegt hij met een glimlach, heeft hij nooit veel gemerkt.

Tot eer van God
In de werkkamer hangen veel foto's die te maken hebben met zijn lange verblijf in de Tweede Kamer. In 1973, twee jaar na het behalen van zijn kandidaatsexamen in de sociologie, trad Van Middelkoop als fractiemedewerker in dienst van het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV). Hij was vierentwintig jaar, de oudste van een gezin van zeven kinderen, en de eerste (en de laatste) die naar de universiteit ging.

Het GPV was de politieke partij van de vrijgemaakt-gereformeerden. De 'vrijgemaakten' stonden bekend als bijbelvast, gewetensvol en gesloten. Ze beschouwden zichzelf als de 'ware kerk': niet-vrijgemaakte christenen konden geen lid worden van het GPV.

In Den Haag gold (en geldt) het fractiemedewerkerschap als een baan die je een jaar of twee doet. Maar niet bij het GPV. Zestien jaar lang kweet Eimert van Middelkoop zich vol overtuiging van zijn taak. Dat hij het zo lang volhield, had zeker te maken met calvinistisch plichtsgevoel. Maar het kwam ook omdat het GPV een piepkleine getuigenispartij was (electoraal plafond: twee zetels) en vrijgemaakte volksvertegenwoordigers doorgaans lang in het parlement bleven zitten alvorens ruimte te maken voor hun medewerkers.

Toen Vrij Nederland in 1983 een serie schreef over fractieassistenten op het Binnenhof, trof de verslaggever bij de GPV een jonge Eimert van Middelkoop voor wie het Kamerwerk meer een roeping was dan een baan. Op het bureau van zijn 'bedompte werkhok' lagen een Bijbel en het driedelige naslagwerk Universeel en antirevolutionair van GPV-voorman A.J. Verbrugh. De fractiemedewerker (inmiddels getrouwd en vader van vier kinderen) liet weinig twijfel bestaan over zijn motivatie: 'De plicht om ook politiek tot eer van God te werken is wat mij drijft.'

Zes jaar later was Van Middelkoop eindelijk zelf aan de beurt om volksvertegenwoordiger te worden. Na de verkiezingen van 1989 nam hij plaats in de Tweede Kamer naast Gert Schutte, op dat moment het politieke boegbeeld van de vrijgemaakten. Het was het eerste decennium na de val van de Muur: jaren van ongekende economische groei, ontideologisering en informalisering van de maatschappij. Er heerste een juichstemming in Nederland, maar niet bij het GPV.

Tandenknarsend keek de gereformeerde Van Middelkoop toe hoe de paarse kabinetten van Wim Kok met gezwinde spoed de Nederlandse samenleving ontdeden van zijn laatste sprankje christelijke moraliteit en liberale verworvenheden als euthanasie, koopzondag en homohuwelijk in de wet verankerden. Vaak was hij een eenling, een roepende in de woestijn. Maar zijn principiële oppositie tegen Paars leverde hem ook politieke standing op. Onder linkse intellectuelen die zich ergerden aan het platte materialisme en de ik-gerichtheid van Paars raakten de christelijke mannenbroeders van het GPV ineens en vogue. Schutte en hij groeiden uit tot de lievelingschristenen van de progressieve goegemeente.

Die genegenheid was niet wederzijds. Ondanks persoonlijke vriendschappen met collega-parlementariërs als Olga Scheltema (D66) en Paul Rosenmöller (GroenLinks), hield Van Middelkoop aan zijn tijd op het Binnenhof een aversie over tegen alles wat progressief is. En die aversie duurt voort tot op de dag van vandaag. Wanneer het de progressieve goegemeente ter sprake komt, maakt zich van de minister een vorm van recalcitrantie meester. Dan slaat hij met zijn vlakke hand op tafel en zegt dingen als: 'Progressief zijn, dat is een dikke vorm van hovaardij en arrogantie.' Of: 'Progressieve mensen, dat zijn drammers die het alleen maar over de Verlichting kunnen hebben.' Om te besluiten met een leus die hij in mijn bijzijn nog diverse keren zal herhalen: 'Ik wil best af en toe links zijn, maar progressief - dat nóóit.'

Er is één progressief stokpaardje dat in het bijzonder de toorn Van Middelkoop wekt: het homohuwelijk. De stemming over die wet in december 2000 omschrijft hij nog altijd als 'een van de ergste politieke nederlagen uit mijn carrière' en 'de ontbinding van het familierecht'. In de columns die hij tussen 2002 en 2007 schreef voor het Nederlands Dagblad, de spreekbuis van de vrijgemaakt-gereformeerde zuil, heeft hij het consequent over het 'zogenaamde homohuwelijk'. Afgelopen augustus veroorzaakte Van Middelkoop een mediarel rond de Gay Pride in Amsterdam. Op de radio zei hij 'misschien zelfs een beetje provocerend' te vinden dat zoveel PvdA-bewindslieden meevoeren op de botenparade. (Drie dagen later bleek dat Van Middelkoops staatssecretaris Jack de Vries homoseksuele militairen had verboden om in uniform naar de Gay Pride te gaan.)

Van Middelkoops felheid over het homohuwelijk is curieus. Want wat weinig mensen buiten Den Haag weten, is dat hij een broer heeft die homoseksueel is. Hoe rijmt hij dat met zijn politieke opvattingen? Op een avond in mei, voorafgaand aan een bijeenkomst van de ChristenUnie in Assen, breng ik het onderwerp ter sprake. Van Middelkoop reageert een beetje kribbig. Veel wil hij er niet over kwijt. Natuurlijk houdt hij van zijn broer. 'De vriend met wie hij jarenlang samen is geweest, kon geweldig koken.' Zijn broers homoseksualiteit, zegt hij 'staat in spanning met het ethos, niet met de politiek.' Bovendien: 'Mijn broer moet ook niets hebben van het homohuwelijk.'

Verweesd
In de loop van de jaren negentig raakte Eimert van Middelkoop vergroeid met het parlementaire werk. Hij was voorzitter van een commissie over klimaatverandering, en leidde het vooronderzoek voor de parlementaire enquête naar Srebrenica. Hij verwierf faam als de geestelijk vader van de 'artikel 100-procedure', een wet die de regering opdroeg om bij grote militaire uitzendingen voortaan het parlement om toestemming te vragen. Ook was hij een van de bouwlieden van de ChristenUnie, de partij die aan het begin van dit decennium ontstond door het samengaan van het GPV met de Reformatorische Politieke Federatie (RPF).

Toen sloeg het noodlot op onbarmhartige wijze toe. Bij de verkiezingen van 2002 (getekend door de opkomst en dood van de populist Pim Fortuyn) zakte de ChristenUnie van vijf naar vier zetels. Op plaats drie, goed voor een Kamerzetel, stond Eimert van Middelkoop. Maar na telling van alle stemmen bleek hij op voorkeursstemmen verslagen te zijn door een jonge, onervaren politica uit Friesland genaamd Tineke Huizinga. Hij was drieënvijftig jaar oud, had zijn hele werkzame leven doorgebracht op het Binnenhof en was er met liefde tot ver na zijn pensioen gebleven. En nu moest hij weg.

'Ik heb echt heel lang moeten afkicken,' zegt Van Middelkoop op de rode bank in zijn huiskamer. 'Niet alleen geestelijk, ook fysiek. De adrenaline van het parlementaire bestaan gierde nog door mijn lijf en kon nergens heen. Ik voelde me verweesd.' In de weken en maanden na zijn abrupte vertrek ging het niet goed met Eimert van Middelkoop. Ineens raakte hij de weg kwijt in Den Haag, de stad waar hij al bijna twee decennia lang bijna iedere dag rondliep. Hij heeft er op een borrel wel eens over gepraat met een professionele therapeut. Die zei tegen hem dat hij symptomen had van een traumatische stoornis.

In de jaren daarna bleef Van Middelkoop zijdelings betrokken bij de politiek. Hij werd lid van de Eerste Kamer namens de ChristenUnie. Hij deed adviesklussen en commissies. Hij ging in de raad van advies van de Edmund Burke Stichting, een denktank die Nederland rijp trachtte te maken voor het conservatisme (in 2004 stapte hij samen met zijn mede-raadsleden Hans Hillen, Dries van Agt en Onno Ruding op toen Burke Stichting-directeur Bart Jan Spruyt toenadering zocht tot de PVV van Geert Wilders). Hij las veel, met name over islam en integratie, en maakte samen met een jeugdvriend een muzikale pelgrimstocht door het zuiden van de Verenigde Staten ('Heerlijk, alleen maar Paul Anka op de jukebox'). Maar echt bevredigend was het allemaal niet. De jaren na 2002, zegt Eimert van Middelkoop nu, waren 'een beetje spanningsloos en onbevredigend'. Hij had het gevoel in 'een soort pre-vut' terecht te zijn gekomen.

En toen, ineens, was hij terug in Den Haag. In februari 2007 werd Eimert van Middelkoop minister in het eerste kabinet waaraan de ChristenUnie deelnam. Vijf jaar na zijn roemloze aftocht van het Binnenhof was Van Middelkoop terug, en hóe: als dienaar van Hare Majesteit de Koningin. 'Ik heb nog nooit,' zegt oud-CDA-Kamerlid Hans Hillen, 'iemand zo zien stralen toen hij benoemd was tot minister.'

Persoonlijke onmisbaarheid
In Afghanistan zie ik Eimert van Middelkoop drie keer de troepen toespreken. Eén keer 's ochtends vroeg op de appelplaats van Kandahar, één keer 's avonds laat op het volleybalveld in Tarin Kowt, één keer in de brandende middagzon in Deh Rawod. Het protocol is telkens hetzelfde. De mannen staan in het gelid. De minister komt aanlopen. De mannen geven acht. De minister spreekt. De mannen geven acht. De minister gaat weg.

Van Middelkoops praatje is kort en bevat vier vaste elementen. 1. Het is goed om hier bij jullie te zijn. 2. Deze missie vraagt veel van jullie, zowel mentaal als fysiek. 3. Ik weet dat jullie het aankunnen. 4. Ik ben trots op jullie, en met mij het hele Nederlandse volk. Daarna wenst hij zijn manschappen 'krijgsmansgeluk' en een behouden thuiskomst. Hij brengt zijn verhaal staccato, met een wat robuustere stem dan normaal.

Van Middelkoop houdt van dit soort toespraken, zegt hij meteen bij onze eerste ontmoeting. Het contact met de troepen is belangrijk voor hem. Veel wetten maakt hij als defensieminister niet. Zijn grote besluiten neemt hij vrijwel altijd samen met zijn collega's van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Personeel en materieel vallen onder de verantwoordelijkheid van zijn staatssecretaris.

Dus valt er voor een minister vooral veel eer te behalen in de wijze waarop hij zijn mannen steunt. Henk Kamp, zijn voorganger, was daar een kei in. Op kazernes en legerkampen stormde hij impulsief tenten binnen om met soldaten te praten. Hij verraste ze met een fenomenale kennis van obscure details. Zo werd Kamp de populairste defensieminister in decennia, ook al voerde hij ondertussen de grootste bezuinigingsoperatie ooit door.

Eimert van Middelkoop beschikt niet over die gave (net zoals de meeste van zijn voorgangers, moet daarbij worden gezegd). Dat weet hij. Hij is een man van beschouwingen en van boeken, niet van appels en briefings. Toch, zo vertelt hij bij herhaling, heeft hij zichzelf snel aangeleerd hoe je een eenheid moet toespreken. 'Je moet gewoon voor die mannen gaan staan en een paar woorden zeggen. En het vooral kort houden.'

Op bezoek bij hem thuis in Berkel en Rodenrijs vraag ik Van Middelkoop naar zijn eigen diensttijd. Even is het stil. En dan zegt de minister van Defensie dat hij nooit in dienst geweest. Let wel, voegt hij meteen aan toe: het is destijds op een fatsoenlijke manier gegaan. Terwijl zijn langharige linkse leeftijdgenoten de raarste strapatsen uithaalden om niet in het leger te hoeven, kreeg Eimert van Middelkoop keurig uitstel van diensplicht vanwege 'persoonlijke onmisbaarheid' voor de GPV-fractie. Ieder jaar, van 1973 tot 1978, net zo lang tot hij dertig was en niet meer hoefde.

Nu we het er toch over hebben, wil hij nog wel iets kwijt: 'Ik was destijds heel blij dat ik op een wettige manier de dienstplicht niet hoefde te vervullen.' Hij heeft namelijk moeite met gezag. 'Tijdens die twee dagen militaire keuring voelde ik: dit is helemaal niets voor mij. Hier ga ik doodongelukkig van worden. Het is een vorm van eigenzinnigheid. De predikant bij wie ik als klein jongetje catechismus deed, zei het al tegen me.'

Toch ironisch, zeg ik, dat hij nu de baas is van Defensie, een organisatie die gezag en autoriteit als belangrijkste fundament heeft. Van Middelkoop lijkt dat niet echt te zien. Hij begint te vertellen over hoe hij met de militairen omgaat. Hij houdt bewust afstand, zegt hij. De illusie dat hij in één oogopslag een kapitein van een sergeant-majoor kan onderscheiden, heeft hij allang opgegeven. De chauffeur van zijn dienstwagen gaf hem op zijn eerste werkdag het Handboek Soldaat cadeau. Maar hij is te oud om al die ingewikkelde rangen en standen nog uit zijn hoofd te leren. Bovendien heeft hij er de tijd niet voor.

Wat vinden 'de mannen' zelf eigenlijk van Van Middelkoop? In Afghanistan vraag ik een groot aantal militairen, manschappen én officieren, naar hun mening over de minister. Het resultaat van deze niet-representatieve steekproef is ongeveer als volgt. Ze vinden hem een fatsoenlijke man. Ze zien dat hij het hart op de goede plaats heeft. Ze vinden het leuk dat hij langskomt om een praatje te maken, en ze gaan graag met hem op de foto. Maar erg overtuigend, dat vinden ze hem niet. Hij heeft weinig detailkennis, zegt de een. Hij praat te veel met officieren en te weinig met de manschappen, zegt de ander. Zijn toespraken gaan het ene oor in en het andere oor uit, zegt een derde. Een officier in Kandahar vat het droogjes samen: 'Hij is geen populaire man hier.'

Van Middelkoop zegt dat het niet zijn taak is om populair te zijn bij de manschappen. Hij is nu eenmaal een buitenstaander. 'Ik maak geen deel uit van de krijgsmacht, ik ben slechts minister. Een minister die opkijkt tegen generaals, vanwege hun professionaliteit. Dat zeg ik ook vaak tegen ze: wees trots op jezelf, ik ben trots op jullie.' Soms ontroeren die hoge officieren hem bijna. 'Het zijn wat gestileerde persoonlijkheden, bij wie het ambt als een uniform om de huid zit.' Van Middelkoop houdt van dat soort observaties. 'Dat is de socioloog in mij.'

Een pseudo-Bijbelse ervaring
Op de ochtend na zijn aankomst in Kandahar zit Eimert van Middelkoop in een zijkamertje van een houten keet op een stoel. Aan de muur tegenover hem hangt een kruis, op een tafel staan kaarsen en bloemen. Het is broeierig in de keet.

Iedere zondagochtend houdt de Nederlandse aalmoezenier hier een dienst voor de Nederlandse militairen. Het is een moment van bezinning, van introspectie. Iedereen is welkom: het samenzijn heeft een nadrukkelijk oecumenisch karakter. Van Middelkoop heeft van tevoren aangegeven dat hij erbij wil zijn. Peter van Uhm is er ook. De generaal bezoekt, in tegenstelling tot de minister, zelden een kerk. Maar vandaag wil hij per se mee.

De dienst wordt geopend door een luitenant-kolonel die op zijn Spaanse gitaar tokkelt. De aalmoezenier leest voor uit het evangelie van Marcus. Dan zegt hij: 'Laten wij bidden voor de Nederlandse militairen die hier het leven lieten. Dat hun offer vrucht zal dragen. Laat ons bidden voor rust en bemoediging van hun vrienden en familie en naasten.' Vandaag is het precies twee jaar geleden dat de vlieger Michael Donkervoort in Afghanistan om het leven kwam toen zijn F16 crashte. Er wordt muziek voor hem gedraaid: Brothers In Arms van Dire Straits. Op dat moment krijgt generaal Van Uhm het moeilijk. Dit nummer werd gespeeld op de begrafenis van zijn zoon Dennis, vier maanden geleden. Eimert van Middelkoop ziet het. En dan doet hij iets opmerkelijks: hij staat op en brandt een kaarsje. Geen vaste gewoonte voor een vrijgemaakt-gereformeerde. Maar hij doet het voor de generaal, vertelt hij naderhand. 'Het was de eerste keer in mijn leven.'

Eimert van Middelkoop is een diepgelovig mens. Dat is een noviteit op zijn departement. De afgelopen twintig jaar kwamen de Nederlandse defensieministers vrijwel uitsluitend van seculiere, liberale huize. Eén keer was er een sociaal-democraat. Maar nu huist er in het ministerie een orthodoxe christen die de Bijbel kent als zijn broekzak en zondags tweemaal ter kerke gaat. Hoe beïnvloedt Van Middelkoops rotsvaste vertrouwen in God zijn werk als minister?

De eerste keer dat ik hem die vraag stel, in april in de hotellobby in Bratislava, reageert hij geprikkeld. 'Die vraag staat me niet aan. Het veronderstelt dat geloof en werk twee gescheiden werelden zijn, en dat is niet zo. Er bestaat voor mij geen cesuur.' Dat is duidelijke taal: geloof en werk zijn voor Van Middelkoop één. Sterker nog: 'Ik begrijp niet hoe mensen die geen geloof hebben structuur kunnen geven aan hun leven.'

In de maanden daarna doet Van Middelkoop geen moeite om zijn geloof te verbergen. Hij haalt regelmatig de Bijbel aan, bijvoorbeeld de oorlogswetten van Mozes of Romeinen 13. Tijdens ons gesprek bij hem thuis pakt hij na twintig minuten een bijbeltje uit de boekenkast en leest zijn favoriete passage voor uit het boek Prediker. (Op de salontafel ligt een boek getiteld Het einde van het atheïsme.) En in het vliegtuig terug vanuit Tarin Kowt naar Kandahar vertelt hij hoe hij een 'pseudo-Bijbelse ervaring' had toen hij de dag ervoor met de gouverneur van Uruzgan op het dak van diens ambtswoning stond. 'We keken uit over de rivier de Terirud. Ineens moest ik denken aan de bedding van de Tigris, waar volgens het Oude Testament het paradijs gesitueerd was.'

Groot ceremonieel
Sinds Van Middelkoop minister is, wordt er op het ministerie van Defensie een ander discours gehanteerd. Een van zijn eerste beleidsdaden was een verbod op het woord 'stoffelijk overschot' bij een gesneuvelde militair. Te klinisch vond de minister. In persverklaringen en andere officiële stukken wordt nu gesproken over het 'lichaam' van de dode soldaat. In interviews deinst Van Middelkoop er niet voor terug om over oorlog te praten in termen die rechtstreeks verwijzen naar Paulus. De overheid, zegt hij, heeft de 'zwaardmacht' en moet ons beschermen tegen 'het kwade'. De 'krachten van het kwaad' - de taliban bijvoorbeeld - moeten worden 'uitgespuwd'.

De nadruk op taal, zegt Van Middelkoops voormalige fractiegenoot Gert Schutte, is een oude traditie van de vrijgemaakt gereformeerden. 'Het is een manier om het gesprek gaande te houden met de mainstream. Je gaat niet preken, maar je laat door je taalgebruik wel zien waar je zelf staat. Als je een minderheid vormt in de politiek, is dat een van de weinige manieren om je achtergrond duidelijk te maken. Daarom heb ik zoiets van: laat maar horen, toe maar.'

Vertaalt Van Middelkoop zijn christelijke levensbeschouwing ook in beleid? Op het eerste gezicht niet. Zo weigert hij de oorlog in Afghanistan in politiek-religieuze termen te duiden. Als een student in Groningen een voorzichtige vraag stelt over een clash of civilizations in Afghanistan, zegt Van Middelkoop resoluut: 'Wij zijn daar om vrede te stichten, niet om zieltjes te winnen.' Een ChristenUnie-lid dat tijdens een partijbijeenkomst in Assen vraagt of het werk in Afghanistan niet beter gedaan kan worden door islamitische militairen, 'omdat die beter bij de religie en cultuur van het land passen', krijgt te horen: 'Wij denken in termen van politiek en recht, niet van religie.'

Maar wie nauwlettender kijkt, ziet toch subtiele accentverschuivingen. Zo toont de minister een bovengemiddelde interesse voor Afrika, sinds jaar en dag het voorland van christenen met een missie. In een interview met de Volkskrant in april suggereert hij dat onze volgende grote troepenuitzending wel eens niet in het islamitische Midden-Oosten zou kunnen zijn, maar in een christelijk land in Afrika. 'Er is iets aantrekkelijks,' zegt hij omstreeks dezelfde tijd tegen mij in de hotellobby in Bratislava, 'aan de gedachte om mensen te helpen die dezelfde Heer dienen als ik.'

Het duidelijkst weerklinkt Van Middelkoops christelijk-conservatieve agenda in het hernieuwde enthousiasme binnen de krijgsmacht voor traditie en rituelen. Dat is geen nieuw beleid: zijn voorganger Kamp was al begonnen met méér nadruk op ceremonieel. Dat resoneerde bij Van Middelkoop, die zijn hele leven al belang hecht aan 'kameraderie' - een wat vage term die hij, zo geeft hij toe, dermate vaak in de mond neemt dat zijn kinderen er wel eens grapjes over maken. Esprit de corps, zegt de minister, is niet alleen belangrijk, het is ook essentieel voor de geestelijke gezondheid van de militair. Ceremonies geven hem het gevoel dat hij ergens bij hoort - en dat kan van cruciaal belang zijn na een heftige uitzending. Ze kunnen het verschil maken tussen afglijden en erbij blijven. Mensen die zijn onderscheiden, zo gelooft hij, zijn ook minder vatbaar voor een post-traumatische stress-stoornis.

Daarom reikt Eimert van Middelkoop op een druilerige meidag op vliegbasis De Kooy in Den Helder voor het eerst sinds zestig jaar weer 'dapperheidsonderscheidingen' uit. De decorandi: een vijftal marinemensen dat met gevaar voor eigen leven de bemanning van een Iraans vrachtschip heeft gered. Er is groot ceremonieel en er worden strijdliederen gespeeld: Spitfireprelude en fuga, Soldaat van Oranje. In zijn speech roemt de minister de decorandi als 'de ware helden van deze tijd'. Om eraan toe te voegen: 'Als ik zie hoe ongeremd we bijval geven aan winnaars van (vermeende) talentenjachten, volkszangers, soapsterren, voetbalelftallen en wat dies meer zij, dan moet er voor ons personeel toch meer inzitten?'

Op de laatste dag van zijn bezoek aan Afghanistan, om een uur of drie 's middags, beklimt Eimert van Middelkoop een wachttoren aan de noordwal van het kamp in Deh Rawod. Hij draagt een lichtblauw overhemd met korte mouwen en heeft een zonnebril op de neus. Het is vijfenveertig graden.

'Excellentie,' zegt een onderofficier terwijl hij in de verte wijst. 'Ziet u op twaalf uur dat donkere plekje op de berghelling?' Vanaf de wachttoren strekken zich enkele tientallen meters zand uit. Daarachter het groen van een rivierbedding. Helemaal in de verte, op een kilometer of tien, de berghelling. 'Dat is de vooruitgeschoven post die we Coyote noemen.'

Van Middelkoop gaat op een houten bankje staan om beter zicht te krijgen. 'Ja, ik zie hem,' zegt hij. 'Ik...'

Dan stapt een van zijn persoonlijke beveiligers naar voren. 'Excellentie,' zegt hij met een grijns. 'Als u een lange redevoering gaat houden, zou u dan binnen in de wachtpost kunnen gaan staan? Dat is veiliger.'

'Ik weet het, te gevaarlijk voor een minister,' zegt Van Middelkoop als hij de wachttoren weer is afgeklommen. 'Maar wat zou ik graag een keer vrij rond willen lopen op zo'n vooruitgeschoven post. Dat is de avonturier in mij.'


Lezersoproep

U bent al 40 jaar getrouwd met een lieve boekhouder, maar valt ineens voor een Poolse bouwvakker. U stemt stiekem met uw portemonnee in plaats van uw hart. U zit in de actiegroep Behoud de Buurtwinkel, maar shopt soms bij de Lidl.

redactie op 22.05.2012 -

Teflon Bram

Komt Moszkowicz overal mee weg?

Marian Husken op 15.05.2012 -