VN MediagidsIn de draaikolk van Defensie

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Politiek / Afghanistan / dienstweigeren / Defensie 27.10.2007

Door Carolina Lo Galbo / Thijs Niemantsverdriet

Reconstructie de zaak-Jethro

Soldaat der eerste klasse Jethro Wegenaar besloot dat hij niet naar Uruzgan wilde. Hij werd ontslagen en door de rechter veroordeeld voor dienstweigering, hoewel hij aan een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) leed. Het OM was niet tevreden met de uitspraak en ging in hoger beroep. Reconstructie van een nachtmerrie.

Op 12 maart 2006 meldde Jethro Wegenaar zich bij de ziekenboeg van het militaire oefenterrein in Bergen, Duitsland. Hij voelde zich niet goed, had koorts en sliep al een aantal nachten heel beroerd. Jethro was als antitankschutter bij het 44ste pantserinfanteriebataljon op oefening in de Duitse bossen. Over vier weken zouden ze afreizen naar de Afghaanse provincie Uruzgan, om kwartier te maken voor de Nederlandse troepenmacht in Tarin Kowt. Overdag hield Jethro het programma maar met moeite vol.

De volgende ochtend was de koorts geweken. Om langer in de ziekenboeg te kunnen blijven, manipuleerde hij de thermometer. Een vriendelijke legerarts had het door en vroeg: ‘Waarom doe je dat? Heb je geen zin in de oefening? Je kunt het gerust aan mij vertellen, ik zal het niet aan de grote klok hangen.’ Jethro luchtte zijn hart. Ja, hij had inderdaad geen zin in de oefening. Sterker nog, hij had even totaal geen zin in het leger. Hij had twijfels over de missie en vond de meeste jongens in zijn peloton te onervaren. Als hij eerlijk was, was hij doodsbenauwd om over vier weken op uitzending naar Uruzgan te gaan. De arts luisterde naar Jethro’s verhaal, adviseerde hem om met een hulpverlener te gaan praten en liet hem vervroegd naar huis gaan. Een week later, op 20 maart 2006, zei Jethro tegen zijn bataljonscommandant, luitenant-kolonel Smits: ‘Het lijkt me niet verstandig om mee te gaan op uitzending.’

Daarna ging alles duizelingwekkend snel. Jethro’s weigering zette een zaak in beweging die nu al anderhalf jaar voortsleept en die ook de komende maanden en jaren nog stevig zal nagalmen bij hem en zijn familie. Hij werd geschorst en later oneervol ontslagen. Smits deed aangifte bij de Koninklijke Marechaus­see wegens dienstweigering. In november vorig jaar werd Jethro door de rechter schuldig bevonden aan dienstweigering, hoewel er inmiddels geconstateerd was dat hij aan een PTSS leed. Een noodkreet door zijn geestelijk verzorger bij generaal Dick Berlijn, commandant der strijdkrachten, mocht niet baten. Maar toen het niet uitzichtlozer kon, kwam er plots hulp uit onverwachte hoek.

Vrij Nederland heeft de zaak-Jethro de afgelopen anderhalf jaar nauwgezet gevolgd. Het ministerie van Defensie wilde ondanks herhaalde verzoeken niet meewerken aan dit stuk. Het wil pas reageren na afloop van het hoger beroep.

Wat gebeurt er als je als twintigjarige besluit om een dienstbevel te weigeren en als deserteur in de krant komt te staan? Hoe is het als het loodzware Defensie-apparaat in beweging wordt gezet om je te verpulveren? En, niet onbelangrijk, wat doet het met je familie? Een reconstructie.

Onversneden angst
Op de bank in zijn ouderlijk huis te Rheden zit een tenger menneke van eenentwintig, niet bepaald de vechtmachine die je zou verwachten. Jethro Wegenaar maakt een bedrukte indruk en rookt de ene sigaret na de andere. Wanneer hij spreekt, formuleert hij helder en trefzeker. ‘De intelligentie imponeert, gemiddeld tot bovengemiddeld,’ staat er in het rapport dat het Centraal Militair Hospitaal (CMH) vorig jaar over hem opstelde.

Vijf jaar geleden tekende Jethro, zeventien jaar, bij de Koninklijke Landmacht. Hij wilde altijd al in het leger, en bovendien lonkte de mogelijkheid om gratis een studie te volgen. Hij werd getraind tot antitankschutter en belandde bij het 44ste pantserinfanteriebataljon in Havelte. Hij had het geweldig naar zijn zin. In september 2004 ging Jethro voor het eerst op uitzending, naar de provincie Baghlan in het noorden van Afghanistan. Hij kwam heelhuids terug, maar hield er naar eigen zeggen een behoorlijke kater aan over. ‘Ik help graag mensen, maar tijdens de missie voelde ik me machteloos,’ vertelt hij. ‘Al die doden en gewonden. En dan de armoede onder de mensen daar! In de riolering lag een man zonder benen, die om een dollar vroeg. Ik keek strak voor me uit, want we hadden de instructie gekregen om geen geld te geven, maar vanuit mijn ooghoeken zag ik hem toch.’

Behalve machteloosheid ervoer Jethro nog iets in het noorden van Afghanistan: onversneden angst. Op een dag werd hij beschoten terwijl hij op het voorste voertuig van een tankcolonne zat en het boordwapen, een stevige MAG-mitrailleur, bediende. ‘Toen dacht ik: is dit nou echt wat ik wil? Het is hier levensgevaarlijk. Ik ben negentien jaar oud en heb nog een heel leven voor me.’

Voor het meest verontrustende incident hoefde Jethro niet eens de basis af. Het gebeurde tijdens het wachtlopen, en de aanstichter was een collega-soldaat die zich de hele middag al vreemd gedroeg. ‘Ik sprak hem daar op aan. Ineens stond hij voor mijn neus en richtte zijn doorgeladen wapen op mij, de vinger aan de trekker.’ Jethro deed aangifte bij de groepscommandant, die de soldaat vervroegd naar huis stuurde. ‘Maar toen we na de missie onze medailles kregen, bleek hij ineens te zijn bevorderd tot korporaal.’

Bij thuiskomst uit Afghanistan, in januari 2005, stond zijn besluit vast: hij wilde nooit meer op missie. Over een jaartje liep zijn contract af, en dan was hij weg. Hij begon te studeren voor zijn opleiding tot sociaal-pedagogisch werker. In september van dat jaar kwam zijn groepscommandant, luitenant Mes, met een voorstel. Wat als Jethro nou nog één jaartje zou bijtekenen? Ze konden zijn ervaring goed gebruiken. Mes beloofde Jethro dat hij alle ruimte zou krijgen om aan zijn opleiding te werken. Een maand later zette Jethro zijn handtekening onder een nieuw jaarcontract. Kort daarna viel in Den Haag voor het eerst het woord Uruzgan.

‘Ik maakte me geen zorgen,’ vertelt Jethro, ‘want ik had duidelijke afspraken gemaakt. Ik kon het komende jaar mijn opleiding afmaken, inclusief vier maanden stage. Met andere woorden: ik hoefde niet mee op missie.’ Terwijl kabinet en Kamer bakkeleiden over de missie-Uruzgan, werd bekend dat het 44ste in het geval van uitzending als een van de eerste zou vertrekken. Jethro stuurde een mailtje naar luitenant Mes, voor de zekerheid. Het elektronische antwoord van de luitenant trof hem als een vuistslag: ‘Jethro, ik weet de reden waarom je hebt bijgetekend… en ik zal er ook alles aan doen om ervoor te zorgen dat dat gaat lukken. Echterrr, je begrijpt dat – als we gaan – jij ook meegaat.’

Rond die tijd kwam de top van Defensie bijeen voor een belangrijke vergadering. Het onderwerp: hoe om te gaan met deserteurs. Op 1 februari 2006 had de Tweede Kamer met overgrote meerderheid ingestemd met de missie naar Uruzgan. Ondanks het predikaat ‘opbouwmissie’, zou dit de gevaarlijkste militaire klus sinds de Korea-oorlog worden, en de media hielden niet op dat te benadrukken. Een krappe zes maanden had de krijgsmacht om een missie voor veertienhonderd man uit de grond te stampen, en op gedonder met afhakende militairen zat niemand te wachten. De Defensie-top besloot tot daadkrachtig beleid. ‘De militair die deelname aan een missie weigert,’ staat in een intern memorandum van de Koninklijke Land­macht, gedateerd 6 maart 2006, ‘wordt strafrechtelijk vervolgd en, zonder de aanduiding eervol, ontslagen.’

De eerste formele weigeraar is Jethro We­genaar. Op het moment dat hij tegen zijn commandant zegt dat hij niet mee wil, wordt zonder aarzeling de machinerie van Defensie in werking gezet. De dag na zijn weigering moet Jethro zich meteen verantwoorden voor een panel van commandanten. Drie dagen later volgt zijn schorsing: zijn salaris wordt met een derde gekort en hij is niet langer welkom op de kazerne in Havelte. ‘De aard van de vermoedelijke strafbare feiten is dermate ernstig dat het aanzien van de KL en de eenheid zijn geschaad en dat uw schorsing een duidelijk signaal is naar de rest van het bataljon en de KL,’ stelt bataljonscommandant Smits in een brief aan Jethro.

Half april vertrekt het 44ste pantserinfan­teriebataljon vanaf vliegveld Eindhoven naar Afghanistan. Zijn pelotongenoten nodigen Jethro uit om hen te komen uitzwaaien. De commandanten zijn niet blij om hem te zien. ‘Je makkers zullen je wel niet meer mogen,’ zegt overste Smits. Maar van zijn collega’s, zegt Jethro, kreeg hij een warm onthaal.

Na hun vertrek houdt Jethro via e-mail en msn contact met zijn pelotongenoten. Zo nu en dan stuurt hij een pakketje naar ze toe, met tijdschriften, shag en een brief. Ze vinden het jammer dat hij er niet bij is. ‘Hé pik, alles goed hier wel alleen kut dat je niet mee bend wand ik mis je als ik trug ben bel ik je snel,’ schrijft een collega-soldaat. Een ander: ‘En hoe gaat ie met defensie? Heb je die sjakies al onder tafel geluld?’

Dat laatste valt enigszins tegen. Com­man­dant Smits heeft aangifte gedaan wegens dienstweigering. Jethro wordt drieënhalf uur gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Die schakelt het Openbaar Ministerie in. Eind mei rijdt Jethro voor de laatste keer naar de kazerne. Hij is oneervol ontslagen, krijgt geen loon meer en op de rol staat een eerste zitting bij de Militaire Strafkamer in Arnhem. Bij het ministerie gaat een persbericht de deur uit, dat kond doet van Jethro’s ontslag en vervolging, en meteen de toon zet: ‘Wij nemen de zaak hoog op. Het gaat hier immers om dienstweigering. Dat is een strafbaar feit.’

Psychische druk
In de zomer van 2006 heeft Jethro via het uitzendbureau een aantal tijdelijke baantjes. Lopende bandwerk, zodat hij niet te veel hoeft na te denken, hoopt hij. Maar dat blijkt een vergissing. ‘Ik had juist alle tijd om te piekeren. Er kwamen veel beelden terug van mijn eerste uitzending. En ik was bang dat mensen mij op straat zouden herkennen als dienstweigeraar. Nog steeds als ik met de trein reis en iemand tegenover me leest een artikel in de Spits over het leger, dan denk ik: blij dat jij niet weet wie ik ben.’ In afwachting van zijn rechtszaak werd Jethro voortdurend gekweld door schuldgevoelens. ‘Ik werd door Defensie neergezet als een crimineel, en dacht: dat zal wel niet voor niets zijn. Ik heb in die periode de schuld steeds bij mezelf gezocht.’

Tijdens alle hoorzittingen waaraan Jethro sinds maart werd onderworpen, voerde hij telkens dezelfde drie redenen aan voor zijn weigering. Eén: de gebroken belofte dat hij niet op missie mee hoefde. Twee: angst voor Afgha­nistan door de vervelende ervaringen tijdens zijn eerste missie. En drie: een gebrek aan vertrouwen in zijn peloton, dat naar zijn mening veel te weinig ervaring had voor zo’n gevaarlijke uitzending. Met name dat laatste punt benadrukte hij, toen hij half april onder de naam ‘Jonas Havenaar’ zijn verhaal deed in Vrij Nederland. ‘Een kinder­crèche,’ noemde hij zijn peloton, en ‘een groepje hangjongeren’.

Maar was er niet meer aan de hand? Jethro sliep inmiddels nog beroerder dan tijdens de eindoefening in Duitsland. In korte tijd was hij dertien kilo afgevallen. Zo nu en dan werd het hem ineens zwart voor ogen, tijdens een potje voetbal bijvoorbeeld. Bij de Medische Dienst Defensie (MDD), waar Jethro in maart meteen na zijn weigering op gesprek was geweest, had de hulpverlener weinig onheil bespeurd. Hij constateerde vooral een ‘personeelstechnisch probleem’, het opmaken van een rapport vond hij niet nodig. Wel stuurde hij een e-mail naar Jethro’s compagniescommandant met het voorstel over de gekwelde soldaat te praten: ‘Hallo John, heb je nog eens tijd voor koffie?’ ‘De koffie pruttelt hier bij voortduring,’ luidde het antwoord. ‘Moet wel, anders deelt de compagniescommandant klappen uit! (…) Laten we er maar een belletje aan wagen. Ciao, John.’

Wie zich wel zorgen maakte over Jethro, was Norbert de Kooter. De humanistisch raadsman van de Johannes Postkazerne onderhield nauw contact met Jethro sinds diens schorsing en ontslag. Na een aantal maanden besloot hij aan de bel te trekken. Hij schreef een brief aan de chef van alle militaire humanistisch geestelijk verzorgers, hoofdkrijgsmachtraadsman Marius van Dorp. Hij kon niet anders dan concluderen, schreef De Kooter, ‘dat hier een mens in de verdrukking komt’. Was er enig besef in de hogere militaire echelons dat Jethro dreigde te bezwijken aan de psychische druk die gepaard ging met de rechtszaak en de media-aandacht, dat hij er ernstige en mogelijk blijvende schade van zou ondervinden? Half oktober stapte Van Dorp met de brief naar Nederlands hoogste militair, stafchef Dick Berlijn. Ten kantore van de stafchef kreeg hij te horen dat Defensie niets voor Jethro kon doen. Van Dorp: ‘Defensie, zei Berlijn, had alles keurig volgens de richtlijnen gedaan. Een jurist had ernaar gekeken. En nu was de zaak onder de rechter. Misschien dat Jethro zich bij het Veteraneninstituut kon melden? Ik was teleurgesteld en vond het nogal kort door de bocht. Jethro heeft zich altijd goed ingezet voor Defensie, is op uitzending geweest – dan verdien je een betere behandeling. Maar Berlijn was onvermurwbaar.’

Intussen was Jethro door zijn advocaat naar het Centraal Militair Hospitaal in Utrecht gestuurd. Daar vonden de psychiaters wel degelijk dat er iets aan de hand was. Ze bestempelden hem als een ‘magere, gespannen en sombere man’ die leed aan een depressie en paniekklachten. Hij kreeg kalmeringsmiddelen en antidepressiva voorgeschreven. Een paar maanden later constateerde Hjalmar van Marle, hoogleraar forensische psychiatrie aan de Eramus Universiteit in Rotterdam, dat Jethro leed aan een PTSS, opgelopen tijdens zijn eerste uitzending naar Afghanistan.

Zenuwtrekken
Op een grauwe ochtend in november 2006 staat Jethro een sigaretje te roken voor de rechtbank in Arnhem. Zo meteen doet de voorzitter van de Meervoudige Militaire Strafkamer uitspraak in zijn zaak. Jethro heeft zijn vriendin en zijn ouders meegenomen. De vader van Jethro, Paul Wegenaar, oogt potig en stoer. Onder zijn houthakkershemd draagt hij een T-shirt van de rockband Jethro Tull, als uiting van solidariteit met zijn zoon. Zijn vrouw Wijnie heeft sluik bruin haar, beige kleding en een vriendelijk gezicht.

De kinderen van Paul en Wijnie Wegenaar dragen opmerkelijke namen: Rana, Ruth, Thir­za (naar de zus van Ben Hur), Chacal (naar de toetsenist van een symforockband) en Jethro. De namen van hun kinderen weerspiegelen de levensopvattingen van Paul en Wijnie: hij een man van de jaren zestig, zij een praktiserend christen. ‘We zijn echt van de flower power-generatie,’ zegt hij. ‘Rechtvaardigheid hebben we hoog in het vaandel staan.’

In de rechtszaal luistert Jethro ineengedoken op een stoeltje naar het vonnis. De rechter zegt dat hij schuldig is aan dienstweigering, overeenkomstig artikel 139 lid 1 uit het Wetboek van Militair Strafrecht. Maar, zo gaat hij verder, hij hoeft niet naar de gevangenis. Jethro heeft drieënhalf jaar goed gefunctioneerd als militair, hij is reeds oneervol ontslagen, en de vele media-aandacht is hem duidelijk zwaar gevallen. Bovendien is er het rapport van psychiater Van Marle.

Bij de familie heerst aanvankelijk opluchting. Doodsbang waren ze geweest dat Jethro meteen na de zitting door de marechaussee in de boeien zou worden geslagen en afgevoerd. Maar na afloop in een Arnhems café is de stemming toch bedrukt: Jethro mag dan wel vrij zijn, hij is wel degelijk veroordeeld en moet voortaan met een strafblad door het leven. ‘Als die jongen nou iets verkeerds had gedaan,’ zegt Paul Wegenaar terwijl hij een kop koffie drinkt, ‘dan had ik nog begrepen dat hij straf had gekregen. Maar nu is hij aan het kruis genageld voor niets.’ Hij vertelt over de laatste paar maanden. ‘Aanvankelijk was ik het er helemaal niet mee eens dat Jethro weigerde. Als beroepsmilitair ga je gewoon op uitzending, vond ik. Wie a zegt, moet ook b zeggen. Jethro wist dat, en daarom deelde hij niets met mij. Mondjesmaat kreeg ik van mijn vrouw te horen wat er aan de hand was.’

Dat er iets speelde, was Paul en Wijnie We­ge­naar inmiddels wel duidelijk geworden. Hun zoon was behoorlijk veranderd sinds zijn eerste missie naar Afghanistan. Paul: ‘Hij had rare zenuwtrekken, verloor razendsnel gewicht. Was heel gesloten en snauwde iedereen af. Er waren enorme spanningen met zijn zussen. En hij dronk ineens ontzettend veel, stapte regelmatig bezopen achter het stuur. Typisch gedrag van iemand die aan PTSS lijdt. Maar dat wisten wij toch niet?’ Paul en Wijnie raakten verder van hun zoon vervreemd. ‘Op een avond kwam Jethro terug van een concert. “Jullie raden nooit wat ik zojuist gedaan heb,” zei hij stralend. “Ik heb een zwerver tien euro gegeven!” Zijn reactie gaf me meer voldoening dan vier maanden Afghanistan.’ Paul: ‘Op dat moment begrepen we echt niet meer wat er in zijn hoofd omging.’

Na de discussie kwam de compassie. In overstelpende hoeveelheden. ‘Ik kreeg spijt van mijn reactie,’ zegt Paul, ‘ben me enorm schuldig gaan voelen. Steeds meer kreeg ik in de gaten dat hij helemaal niets fout had gedaan. Het is in mijn kop gaan malen. Nachten heb ik in de keuken doorgebracht.’ Hij schiet vol. ‘Je leert je kind lopen, fietsen, banden plakken. En dan heeft hij ineens een probleem dat hij niet zelf kan oplossen. En ik ook niet. Je voelt je machteloos. We zijn constant bang geweest dat Jethro de deur definitief zou dichtgooien of, erger nog, er op een dag niet meer zou zijn.’ Na vierendertig jaar als onderhoudsmonteur kwam alles bij Paul Wegenaar piepend en knarsend tot stilstand. Dit voorjaar zat hij ineens in de ziektewet.

Die middag laat Defensie weten ‘blij en tevreden’ te zijn met het vonnis. ‘De rechter heeft geoordeeld dat dienstweigeren strafbaar is.’ Een week later maakt het Openbaar Ministerie bekend dat het in hoger beroep gaat. Er is een voorbeeld gesteld, maar dat voorbeeld is nog niet stevig genoeg. ‘De “weigeraar” (in verband met uitzending naar een missie-gebied) is een relatief nieuw fenomeen. (…),’ beargumenteert de officier van justitie in het appèlschriftuur. ‘Teneinde een goede en met name definitieve inhoud aan het vervolgingsbeleid (en de telastelegging) te kunnen geven, wordt het oordeel van het Hof in deze zaak gevraagd.’

Jethro en zijn advocaat Hein Dudink besluiten nu zelf over te gaan tot actie. Dudink doet aangifte tegen een zestal superieuren van de ex-militair; ze zouden hebben verzuimd om de uitzendgeschiktheid van Jethro actief na te gaan alvorens hem aan te wijzen voor Uruzgan en daarmee hun eigen dienstvoorschriften hebben overtreden. Ook heeft Defensie nauwelijk aan nazorg gedaan, aldus Dudink. De officier van justitie besluit de aangifte niet in behandeling te nemen.

Reddende engel
Twee weken na het vonnis gaat bij de familie We­ge­naar de deurbel. Op de stoep staat Har­ry Kusters, casemanager defensiezorg bij het Al­ge­meen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Hij helpt militairen met een ‘dienstverbandaandoening’ na hun ontslag reïntegreren en begeleidt de overdracht van cliënten en dossiers van het defensieonderdeel naar het ABP. Kus­ters is naar Rheden gereden op verzoek van de directie personeelszaken van Defen­sie. ‘Er was een militair veroordeeld wegens dienstweigering, zeiden ze tegen me. Hij en zijn familie waren nogal ontdaan over het vonnis. Misschien dat ik iets voor ze zou kunnen betekenen?’

De casemanager trof een bijzonder argwanende familie Wegenaar. Aan de keukentafel legde hij uit dat hij niet van Defensie, maar van het ABP was. De kou raakte enigszins uit de lucht. Jethro vertelde zijn verhaal. Toen zei Kusters: ‘Volgens mij moet jij eens langs bij psychiater Van Marle in Rotterdam. Wie weet heb jij wel PTSS.’

Er viel een verbijsterde stilte. Dokter Van Marle? Daar was Jethro allang geweest. Twee maanden geleden had de hoogleraar forensische psychiatrie uit Rotterdam bij Jethro PTSS vastgesteld. Sterker nog, het rapport van Van Marle had als bewijsstuk gediend bij de rechtszitting. Kusters viel bijkans van zijn stoel van verbazing. Wist Defensie dan niet dat Jethro problemen had? ‘Dit was totaal nieuw voor mij. Ik had nog nooit meegemaakt dat iemand ondanks duidelijke psychologische problemen toch veroordeeld werd. En ook nog een hoger beroep aan zijn broek heeft gekregen.’

De pensioenambtenaar bleek een reddende engel. ‘Meteen na het gesprek heb ik contact gezocht met generaal Leijh, directeur personeelszaken bij Defensie. Die wist niet dat er bij Jethro PTSS was geconstateerd! Blijkbaar is er iets misgegaan tussen Defensie en het Openbaar Ministerie.’ Binnen een paar minuten gaat generaal Leijh akkoord met het terugdraaien van Jethro’s oneervolle ontslag.

Acht maanden nadat hij met pek en veren de kazerne is uitgejaagd, geniet Jethro plotseling alle privileges van een eervol afgezwaaide soldaat: hij krijgt met terugwerkende kracht een invaliditeitsuitkering en Defensie belooft alle kosten voor psychiatrische bijstand op zich te nemen. Bovendien gelast men een onderzoek naar de gang van zaken rond zijn nazorg. Op 12 april 2007 voltooit de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht zijn rapport over Jethro. De conclusies liegen er niet om: bij de nazorg van Defensie is ‘geen sprake van incidentele missers, maar van structurele problematiek’.

Tot drie keer toe, schrijft de Inspecteur-Generaal, had Defensie moeten peilen hoe Jethro er geestelijk aan toe was. En tot drie keer toe is dat niet gebeurd. Er heeft geen individueel gesprek plaatsgevonden na zijn eerste uitzending. Ook heeft hij bij thuiskomst nooit een medische vragenlijst hoeven invullen. Wel kreeg hij een psychologische vragenlijst toegestuurd, een boekwerk van maar liefst vijfentwintig pagina’s. Jethro vulde het in en retourneerde het een half jaar na terugkomst. Acht maanden later, ‘toen het begon te rommelen’, volgde er een telefoontje van een hulpverlener. Hoe hij het maakte. ‘Je moet het niet als een verplichting zien, hoor. Ik vraag het ook alleen maar omdat het mijn werk is. Bel nog maar eens als je ergens mee zit.’ Dat was alle nazorg die Jethro kreeg.

Lerarenopleiding
Wat Wijnie Wegenaar het meest betreurt, is dat zij van Defensie geen informatie heeft gekregen over de mogelijke gevolgen van een uitzending voor een militair en zijn naasten. Van PTSS had de familie Wegenaar nog nooit gehoord. ‘Als we een lijstje symptomen hadden doorgekregen, hadden we Jethro’s vreemde gedrag sneller kunnen plaatsen. Nu hebben we niet kunnen voorkomen dat hij totaal veranderde. Hij is een heel gesloten jongen geworden, zijn spontaniteit is hij kwijt en van zijn vrienden zijn er nog maar weinig over. Hij kan geen aansluiting meer bij ze vinden en gaat contacten uit de weg.’ Wijnie hoopt dat de militairen die straks terugkomen en hun families wél hulp krijgen. ‘Als Defensie de nazorg door deze zaak serieus gaat nemen, is het allemaal niet voor niets geweest. Maar of wij onze Jethro ooit nog terugkrijgen?’

Defensie mag dan zijn teruggekomen op het oneervolle ontslag van Jethro en hem vanwege zijn PTSS hebben gerehabiliteerd, de strafrechtelijke procedure gaat gewoon door. Het Openbaar Ministerie (OM) is een eigen weg ingeslagen nadat Defensie aangifte van dienstweigering had gedaan, en vindt strafoplegging wél op zijn plaats. ‘Defensie is zijn werkgever, en het OM is de instantie die strafbare feiten opspoort en straffen oplegt,’ zegt Madeleen Roelofse, persvoorlichter van het Openbaar Ministerie. ‘Het zijn twee onafhankelijke instanties. De rechter vond de PTSS een verzachtende omstandigheid, het OM niet. En dus gaat het in hoger beroep.’

Jethro volgt nu een lerarenopleiding geschiedenis in Nijmegen. Zijn angst om te worden herkend, is bewaarheid geworden. Twee weken geleden verscheen in een gratis dagblad een stuk over hem met als kop: van dienstweigeraar tot geschiedenisleraar. Sindsdien is Jethro onder zijn klasgenoten het gesprek van de dag. ‘Heel jammer,’ vindt hij. ‘Ik wilde een nieuwe start maken, maar nu kijkt iedereen me raar aan. En ik heb ook geen behoefte om mijn verhaal voor de zoveelste keer te vertellen. Maar ja, ik hoef aan de opleiding ook geen vrienden over te houden. Het enige wat nu telt, is mijn studie.’

‘Om de drukte en de spanningen thuis te ontlopen,’ slaapt hij een paar dagen per week bij zijn vriendin. Zijn behandeling bij het Centraal Militair Hospitaal heeft hij inmiddels afgebroken. Hij kreeg er vier verschillende psychiaters in korte tijd. De laatste in de reeks informeerde alleen maar naar de rechtszaak en drukte hem op het hart vooral niet de media op te zoeken. Het vertrouwen in de hulpverlening is Jethro naar eigen zeggen kwijt, maar hij overweegt na het hoger beroep toch in therapie te gaan, ‘want ik moet verder’. Na anderhalf jaar kan Jethro nog steeds nauwelijks bevatten wat hem overkomen is: ‘Je draagt je steentje bij aan de samenleving en vervolgens word je door Defensie als vuil behandeld. Ik wens het niemand toe.’

Op 14 december vindt het hoger beroep plaats. Het is haast ondenkbaar dat Jethro Wegenaar, na door De­fen­sie te zijn gerehabiliteerd, alsnog veroordeeld wordt tot celstraf. Mocht dat toch gebeuren, dan zit er volgens ABP-casemanager Kus­ters maar één ding op: ‘Een gratieverzoek indienen bij de Koningin.’ ‘Op een veroordeling zit helemaal niemand te wachten,’ meent ook humanistisch raadsman Nor­bert de Koo­ter. ‘Als het doel van Defensie was, een voorbeeld te stellen, dan is dat gelukt. Na de zaak-Jethro Wegenaar is iedere militair doordrongen van het feit dat je niet gemakkelijk nee kunt zeggen tegen een uitzending.’


Lezersoproep

U bent al 40 jaar getrouwd met een lieve boekhouder, maar valt ineens voor een Poolse bouwvakker. U stemt stiekem met uw portemonnee in plaats van uw hart. U zit in de actiegroep Behoud de Buurtwinkel, maar shopt soms bij de Lidl.

redactie op 22.05.2012 -

Teflon Bram

Komt Moszkowicz overal mee weg?

Marian Husken op 15.05.2012 -