VN MediagidsErnst Hirsch Ballin: 'Je moet eerst de ander zien te begrijpen'
Ernst Hirsch Ballin volgt als minister van Justitie vaak de harde lijn. Toch weet juist hij, als zoon van een Duits-joodse vluchteling en een katholieke Amsterdamse die elkaar in de oorlog ontmoetten, dat je respect voor andersdenkenden moet hebben. ‘Er zijn impliciete processen van uitsluiting gaande en die zijn heel verraderlijk.’
'Ik zou graag een postume wandeling maken met mijn ouders die op een te vroeg moment in mijn leven zijn overleden,' zegt Ernst Hirsch Ballin. 'Ik ken nu alleen fragmenten van hun geschiedenis. Het zijn brokstukken die samen een soort mozaïek vormen. Maar ik had er zo graag met hen over willen praten.'
Het loopt tegen negen uur 's avonds als we de kamer van de minister van Justitie binnenkomen. De vergadering van het kabinet duurde uren langer dan verwacht vanwege de voorjaarsnota die moest worden besproken en de kinderopvang waarvan de kosten veel te hoog zijn geworden. Ondanks het late tijdstip oogt de minister monter. Over een paar dagen mag hij met vakantie. Daar ziet hij naar uit na maanden turbulentie over de film van Geert Wilders. Als coördinerend minister voor terrorismebestrijding was hij verantwoordelijk voor de mogelijke gevolgen.
Wie zich heeft afgevraagd waarom de CDA-bewindsman voor zijn doen zo geëmotioneerd reageerde op plannen om de Koran te verbranden of verscheuren, moet zich misschien eens in zijn achtergrond verdiepen. Als zoon van een Duits-joodse vluchteling en een katholieke Amsterdamse moeder die elkaar in de oorlog tegenkwamen, is Hirsch Ballin zich er altijd van bewust geweest dat de identiteit van mensen uit meer dimensies bestaat dan zwart-witdenkers als Wilders voor mogelijk houden.
Hoe hebben uw ouders elkaar leren kennen?
'Het precieze moment weet ik niet. Het moet in de periode zijn geweest dat mijn moeder hulp gaf aan Duitse joden die werden vervolgd. Ze regelde bijvoorbeeld voedselbonnen voor hen. Mijn moeder stond achter de toonbank in een zuivelwinkel in de Beethovenstraat. Mijn vader woonde in de Cliostraat, daar vlak om de hoek. Ik kan me voorstellen dat hun kennismaking heel discreet in zijn werk is gegaan. Je moest voorzichtig zijn in die tijd. Met steun van mijn moeder heeft mijn vader de bezettingstijd in Amsterdam overleefd. Later in de oorlog heeft hij omzwervingen door het land gemaakt. Na de bevrijding is hij dat Amsterdamse meisje dat hem had geholpen weer gaan opzoeken. In 1947 zijn mijn ouders getrouwd. In 1950 ben ik geboren.'
Wanneer kwam uw vader naar Nederland?
'Vlak voor de oorlog. Zijn ouders woonden in Wiesbaden. Hij was een talentvol advocaat en notaris, maar mocht vanaf 1933 zijn vak niet meer uitoefenen. In 1938 werd hij vastgezet in het concentratiekamp Buchenwald. In die tijd mochten joden het land nog uit als ze ergens anders terecht konden. Dat werd Nederland. Mijn vader had ervaren hoe nietsontziend het nazi-regime was, dus heeft hij zich niet gemeld toen hij voor deportatie werd opgeroepen. Die brief van de Joodsche Raad heb ik thuis nog in mijn archief zitten.'
Uw grootmoeder, Amalie Ballin, heeft de oorlog niet overleefd.
'Ze is omgekomen in Theresienstadt.'
Wat weet u van de periode dat uw vader in Buchenwald zat?
'Hij heeft me verteld over de tijd dat hij als dwangarbeider in de steengroeve werkte. Midden in de winter, bij ijzige kou. Je vingers vroren eraf als je daar moest werken. Ik ben er in 1994 naar toe gegaan, toen ik voor de eerste keer minister van Justitie was. Ik trof het dat het die dag tien graden onder nul was.'
Trof? Bedoelt u dat u zich op die manier beter in uw vader kon inleven?
'Het woord inleven zou ik niet willen gebruiken, maar het kreeg daardoor wel een grotere nabijheid dan wanneer ik er op een zonnige lentedag was geweest.'
Hoe raakte uw moeder bij het verzet betrokken?
'Ik denk dankzij haar karakter. Ze had een groot besef van recht en onrecht. Ook omdat ze een gelovige katholiek was. Toen de oorlog uitbrak, wist ze wat haar te doen stond.'
Met alle respect: in joodse kring staat het katholicisme niet bekend om zijn grote rol in het verzet.
'Ik weet het: na de oorlog voelden veel joden zich door de katholieke Kerk verlaten. Toch berust dat op verkeerde beeldvorming. In de Tweede Kamer was de Rooms-Katholieke Staatspartij in de jaren dertig de grootste vijand van de NSB. Het ging er fel aan toe. Van dat soort katholicisme was mijn moeder. Die onverzettelijkheid herkende ik later in het boek dat de Duitse historicus Joachim Fest over zijn katholieke opvoeding heeft geschreven. Zijn vader werd als schoolhoofd ontslagen omdat hij geen lid wilde worden van de NSDAP. Toen daarop werd aangedrongen omdat hij toch een gezin en kinderen had, zei hij: "Ich nicht!"'
Uw ouders trouwden in 1947. Hoe werd er tegenaan gekeken dat een katholieke vrouw uit Amsterdam met een Duitse jood trouwde?
Zachtjes: 'Dat was helemaal niet gewoon. Mijn ouders hebben niet in de kerk kunnen trouwen, dat hebben ze met zich meegedragen.'
Hoe ging dat bij u thuis? Ging u met uw vader naar de synagoge en met uw moeder naar de kerk?
'Nee, mijn vader nam me niet mee naar de synagoge, hij noemde zichzelf een agnost. Maar als we op vrijdagavond in Amsterdam-Zuid uit wandelen gingen, kwamen we altijd vrienden en kennissen tegen die net naar sjoel waren geweest. 's Zondags ging mijn moeder naar de kerk en dan ging ik niet mee. Met kerst en in de paastijd liep ik wel eens een kerk binnen, maar alleen als er geen dienst was. Zo lagen de verhoudingen thuis.'
Uw vader had toch ook katholiek kunnen worden?
'Dat wilde hij niet. Als hij dat wel had gewild, hadden mijn ouders in de kerk kunnen trouwen.'
U heeft zich op uw vierentwintigste laten dopen. Waarom toen pas?
'Mijn ouders hebben met elkaar afgesproken dat ik zelf mijn weg moest vinden. Daar ben ik langzaam naar toe gegroeid. Toen ik rechten studeerde aan de Universiteit van Amsterdam, heb ik veel steun gehad aan professor Barendse, de dominicaan die hoogleraar in de wijsbegeerte was. Hij bracht me in contact met het denken van Thomas van Aquino. Professor Barendse was voor mij de juiste man op het juiste moment. Ik had behoefte aan de verdieping die deze denker over de relatie tussen God, de mens en de menselijke waardigheid mij gaf.'
Hoe viel het besluit om u te laten dopen bij uw ouders?
'Toen ik mijn beslissing nam, hebben ze die geaccepteerd. Natuurlijk verhield zich dat anders tot mijn vader dan tot mijn moeder.'
Amsterdam, 1974. Het overgrote deel van de studentenpopulatie gaf zich over aan de korte zomer van de anarchie: ze bezetten hun faculteitsgebouw, verdeden hun dagen in de hasjcoffeeshops of bedreven de vrije liefde. Zo niet de toekomstige minister van Justitie. Hij worstelde met de vraag of hij zich moest laten dopen of besnijden of - net als zijn vader - agnost zou worden. Met een overtuigde keus voor het katholicisme als resultaat. Dat betekende voor hem niet dat hij de joodse wortels die hij ook had, zou verloochenen. In zijn latere carrière als hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Brabant, minister en lid van de Raad van State bleef hij tussen de bedrijven door actief als deelnemer aan de interreligieuze dialoog, voorzitter van het comité 4 en 5 mei in Tilburg en moderator bij symposia als 'In de voetsporen van Abraham'. De afgelopen jaren lijkt hij meer tijd dan vroeger te besteden aan het joodse deel van zijn identiteit. Dat komt ook doordat hij pas op latere leeftijd contact heeft gekregen met familieleden van zijn vader die inmiddels in Israël en de Verenigde Staten wonen en van wie hij het bestaan niet wist.
'Mijn nicht in Florida, Olga Levy Drucker, heeft in 1995 het boek Kindertransport gepubliceerd. Dat beschrijft onder meer het milieu waaruit ook mijn vader voortkwam: gelovig maar niet orthodox. Geassimileerd maar zich toch bewust van de eigen joodse identiteit. Men voelde zich in de eerste plaats Duitser. Daarom gaf het zo'n schok dat de nazi's zulke geassimileerde joodse gezinnen tot tweederangs burgers verklaarden en uiteindelijk buiten de wet stelden. Ze werden voor landverraders uitgemaakt. Terwijl het omgekeerde het geval was: het waren de nazi's die het patriottisme van de Duitse joden hebben verraden. Dat was het verraderlijke aan een beweging als het nationaal-socialisme. Mijn nicht Olga beschrijft heel minutieus de tragiek van het stapsgewijs separeren van de joodse landgenoten. Dat is aangrijpend. Ze vertelt over een vriendinnetje op de school waarvan ze af moest omdat ze joods was. Op straat deed dat vroegere klasgenootje alsof ze haar niet meer kende. Dat was in 1937, vijf jaar voordat het vernietigingsprogramma in werking kwam, maar dit was het voorwerk.'
Begin jaren negentig zou Hirsch Ballin namens de Nederlandse regering een bezoek aan Israël brengen. Dat ging vanwege diplomatieke redenen op het laatste moment niet door. Toen de Israëlische kranten over de afgelaste reis berichtten, meldde zich vanuit het Heilige Land ene Trude Meyer bij de Haagse autoriteiten. Ze was familie van de vader van Hirsch Ballin en wilde graag contact met junior. Ze begonnen met elkaar te corresponderen.
Heeft u nog tastbare herinneringen aan de jeugd van uw vader in Duitsland?
'Het gebedenboekje van mijn oma die in Theresienstadt omkwam. Dat is me heel dierbaar. De sticker met haar naam staat er nog in. Mijn vader heeft het boekje meegenomen bij zijn overhaaste vertrek uit Duitsland naar Nederland. Hij heeft het altijd bij zich gehouden. Ik heb eruit voorgelezen bij de heropening van de synagoge in Tilburg.'
Kunt u dat lezen dan, een Hebreeuws gebedenboekje?
'Dat heb ik geleerd toen ik op Het Amsterdams Lyceum zat, maar inmiddels is het weggezakt. Van de vader van rabbijn Awraham Soetendorp. Die was daar leraar Hebreeuws. Het werd facultatief gegeven op het gymnasium. In feite gingen er alleen joodse kinderen naar toe.'
Toen hij op zijn dertigste hoogleraar in Tilburg werd, moest hij aan zijn een paar jaar daarvoor overleden vader denken: 'Hij was 34 bij de Machtsübernahme door Hitler, hij was 46 toen de bevrijding plaatsvond en 48 toen hij weer echt als jurist aan de slag kon. Na de bevrijding heeft het nog jaren geduurd voordat hij tot Nederlander kon worden genaturaliseerd. Uiteindelijk is hij pas op zijn negenenvijftigste tot hoogleraar auteursrecht aan de Universiteit van Amsterdam benoemd. Ik heb in Tilburg een gouden periode meegemaakt, maar ik heb me voortdurend gerealiseerd dat mijn vader het in de bloei van zijn leven verschrikkelijk moeilijk had. Als Duits-joodse vluchteling zonder papieren die zich ondanks zijn talent als jurist aanvankelijk niet verder kon ontwikkelen. Door de oorlog en de consequenties daarvan is een hele periode uit het leven van mijn vader gesneden.'
Bij zijn ouders thuis in de Jan Willem Brouwersstraat leerde Hirsch Ballin niet alleen dat je respect voor het christendom, het jodendom en het humanisme moest hebben, dat respect gold ook voor de islam. Eén keer per week kwam de beroemde arabist Guillaume Frédéric Pijper bij zijn ouders eten. Hij was adviseur Inlandse Zaken geweest bij het koloniale bestuur in Batavia. Het gesprek ging vaak over het samenleven tussen christenen en moslims en hoe dat in het oude Nederlands-Indië vaak toch heel goed was gegaan. Hirsch Ballin nu: 'De wereld van de islam heeft sinds mijn schooljaren voor mij niets van een bedreigende vreemdheid.' Hij verwijst naar wat de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Lévinas schrijft over de Ontmoeting met De Ander: 'De band met God is ook de band met de medemens, je moet eerst de ander zien te begrijpen.'
- Wie eenmaal anderen tot tweederangs burgers verklaart, brengt uiteindelijk ook de democratie en de rechtsstaat aan het wankelen
Hirsch Ballin, die wel het geweten van het vierde kabinet-Balkenende wordt genoemd, stond in zijn eerste periode als minister van Justitie (1989-1994) bepaald niet bekend als een softie. Ook nu volgt hij vaak de harde lijn. Op dit moment bereidt hij een wet voor die het mogelijk maakt om Antilliaanse en Arubaanse criminelen tot ongewenst persoon te verklaren en terug te sturen naar de West. Omgekeerd kunnen de Antillen en Aruba dat doen met criminele Nederlanders. In dat laatste zit het verschil met het wetsvoorstel dat oud-minister Rita Verdonk anderhalf jaar geleden indiende en dat toen door de Raad van State tot de grond toe werd afgekraakt. De lastige jongetjes van Amsterdam-West wil Hirsch Ballin op veel eerdere leeftijd aanpakken dan nu. Zelfs kinderen van onder de twaalf moeten als ze daar aanleiding toe geven bij de kladden worden gegrepen. Van het politiek correcte denken uit de jaren zeventig en tachtig wil hij niets weten, zegt hij, de realiteit moet onder ogen worden gezien. Tot die realiteit hoort dat verhoudingsgewijs veel criminelen van Marokkaanse en Antilliaanse afkomst zijn. Alleen: zo'n constatering mag wat Hirsch Ballin betreft nooit tot stigmatisering leiden.
'Mijn staatssecretaris Aad Kosto en ik waren in 1990 de eersten die in een beleidsnota durfden te schrijven over de oververtegenwoordiging van Marokkanen en Antillianen in de criminaliteit. Dat was toen not done. Je werd erom verketterd. Inmiddels wordt er over zo'n onderwerp in Nederland vrijmoedig gesproken.'
Begin jaren negentig waren ook de ambtenaren van Justitie nog niet toe aan die duidelijkheid: 'In mijn eerste periode stond het onderwerp vrouwenbesnijdenis op de agenda. Ik zei: dat is mishandeling, dat is gewoon strafbaar. Om me heen zag ik glazige blikken. Zo van: hoe kun je dat vinden? Kort geleden hadden we het er weer over in de ministersstaf. Er was niemand meer die eraan twijfelde dat het mishandeling is.'
Maar Hirsch Ballin begon zich tussen 1989 en 1994 ook zorgen te maken over de manier waarop het kabinet Marokkanen en Turken als een aparte categorie Nederlanders begon te behandelen. 'Ien Dales, mijn toenmalige PvdA-collega van Binnenlandse Zaken, introduceerde de begrippen autochtonen en allochtonen. Ze deed dat met de beste bedoelingen. Maar als ik me toen had gerealiseerd wat het ons allemaal nog zou brengen, had ik me daar toen scherper tegen verzet.'
Dales zei: zo kunnen we mensen met een achterstand helpen.
'Toch voelde ik me daar ongemakkelijk over. Je merkte dat mensen die tot dan toe als Nederlander met een andere afkomst waren beschouwd een etiket kregen opgeplakt: jij bent een allochtoon. We hadden moeten beseffen dat je het behoren tot een bepaalde groep niet als criterium mag hanteren voor de bepaling van iemands plaats in de samenleving. Ik voelde dat intuïtief aan maar het is later pas in volle omvang tot me doorgedrongen hoe gevaarlijk dat is: nu wordt er in negatieve termen gesproken over de allochtonen, de moslims.'
Er zijn niet alleen autochtone Nederlanders die zich tegen de moslims keren, er zijn ook radicale imams die de democratie verketteren.
'Die twee bewegingen versterken elkaar inderdaad. Het is fascinerend te zien dat Geert Wilders en een radicale imam als Fawaz de islam allebei als een militante godsdienst zien. Terwijl driekwart miljoen mainstream moslims in Nederland zich daar helemaal niet in kunnen herkennen. Het beeld dat Fawaz van de islam oproept, is precies het beeld dat door Wilders als schrikbeeld werd neergezet in zijn veelbesproken filmproductie. Het versterkt elkaar.'
Hirsch Ballin is zichtbaar trots op de verklaring die het kabinet bij monde van Jan Peter Balkenende aflegde over de film Fitna: de vrijheid van meningsuiting die we in Nederland koesteren, is geen vrijbrief om mensen te kwetsen in hun religieuze overtuiging. 'Ik vind het buitengewoon belangrijk dat Balkenende hardop heeft uitgesproken dat de regering niet meegaat in het wij/zij-denken. Dat we niet aanvaarden dat bevolkingsgroepen tegen elkaar worden opgezet. Nederland is traditioneel een land van minderheden en de regering is er ook voor de minderheden.'
Heeft u de hand gehad in die verklaring van Balkenende?
'Dat is het werk van vele handen geweest. Maar ik heb uit volle overtuiging mijn bijdrage geleverd.'
Hij verwijst weer naar de Frans-joodse filosoof Emmanuel Lévinas, die zich tegen het egoïsme keerde. 'Dat zie ik nu in Nederland gebeuren. Als je niet meer geïnteresseerd bent in de kennismaking met anderen, leidt dat tot mentale introversie. Tot geborneerdheid met alle gevolgen van dien. Ik denk dat dat ook wezenlijk was voor de sociologie van het nationaal-socialisme: het niet aandurven van de ontmoeting met de ander. Je kon het zelfs aan de geografische spreiding van de NSDAP zien. Die partij was minder sterk in de streken waar traditioneel tolerantie voor minderheden bestond: het Rijnland, de stad Hamburg. Persoonlijk voel ik me geïnspireerd door de verhalen van Naima El Bezaz over de liefde van een islamitische vrouw voor een joodse man, door de in prachtig Nederlands geschreven boeken van Boeli van Leeuwen en Tip Marugg over de Antillen. Uit hun werk blijkt de meerwaarde van de kennismaking met andere culturen en identiteiten. Dat is voor mij existentieel.'
Vindt u dat er krachten aan het werk zijn die van allochtonen en moslims tweederangs burgers willen maken?
'Ik denk dat dat proces gaande is. Al geloof ik niet in een vooropgezet plan.'
We hebben het niet over een complot.
'Dan is mijn antwoord op uw vraag: ja. Er zijn impliciete processen van uitsluiting gaande en die zijn heel verraderlijk. Ik heb aan de Katholieke Universiteit Brabant veel samengewerkt met mensen van buitenlandse herkomst. Ik heb ze college gegeven of ergens anders ontmoet. De meesten zijn goed terechtgekomen. De een is docent, de ander inspecteur bij het onderwijs, de derde hoofd algemene zaken op een gemeentehuis. Toch laten ze me weten dat ze in het Nederland van nu het gevoel hebben dat ze apart worden gezet. Ik herinner me een gesprek met een toenmalige Antilliaanse collega van me. Die zei: vroeger voelde ik me een Antilliaanse Nederlander, nu een allochtoon. Ik krijg regelmatig sms'jes van hen met die boodschap. Ik maak me daar zorgen over. Het zijn exponenten van de middenklasse die we hard nodig hebben. Zij moeten de verbinding leggen met de groep die nu nog achterblijft. Het laatste wat we moeten doen, is hun het gevoel geven dat ze behoren tot een bevolkingsgroep met een minteken ervoor.' Hij raakt geëmotioneerd: 'Ik voelde me persoonlijk gegriefd toen Nebahat Albayrak door de PVV-fractie in de Kamer werd aangevallen op haar dubbele nationaliteit. Nebahat was twee toen ze in Nederland kwam. Ze is een uitstekende juriste. Ze is Tweede Kamerlid geweest, nu is ze staatssecretaris. Nebahat is Rotterdamse, ze is Nederlandse!'
Vindt u de PVV eigenlijk gewoon een racistische partij?
'Natuurlijk heb ik me vaak afgevraagd welke kwalificaties passen bij de uitlatingen van Wilders. Ik denk dat ik daar niet te veel over moet zeggen. Ik weet wat de consequentie is als ik dat wel doe. Dan zou het de komende tijd alleen maar gaan over de vraag of die kwalificatie gegeven mag worden. Maar het is me niet ontgaan dat de PVV bij alle Kamerdebatten steeds dezelfde onderwerpen aansnijdt: wilt u een immigratiestop voor moslims instellen, wilt u de dubbele paspoorten aanpakken, bent u bereid mensen hun Nederlandse staatsburgerschap af te nemen, bent u bereid mensen uit Nederland te verwijderen?'
Waarom noemt u het dan geen racistische partij?
'U weet op welke manier ik in de Kamer op hen reageer. Als ze iets voorstellen wat in strijd is met de rechten van de mens of met verdragen, dan zeg ik dat. Als iets niet klopt, zeg ik: dit is in strijd met de feiten. Ik heb me vorige jaar gestoord aan het voorstel dat Wilders deed na de rellen in het Willem II-stadion in Tilburg, namelijk om de daders met een tandenborstel het stadion te laten schoonmaken. Dat is vernederend. Ik heb toen uitgelegd dat dat niet hoort tot de sancties die het Nederlandse strafrecht biedt. Ik denk dat ik daarmee duidelijk genoeg ben geweest.'
Het is inmiddels bijna middernacht. Ernst Hirsch Ballin, zoon van een vrome katholieke moeder en een Duits-joodse intellectueel die aan den lijve heeft ondervonden hoe het was om een tijd lang stateloos te zijn, zegt bij het afscheid dat hij het moeilijk vond zo openhartig over zijn levensgeschiedenis te vertellen. Maar wat zijn ouders hebben meegemaakt, heeft hem mede gevormd tot wie hij nu is. Hij vindt dat hij de Nederlanders die nu met het gedachtegoed van Wilders dwepen erop moet wijzen wat de gevolgen daarvan kunnen zijn: wie eenmaal anderen tot tweederangs burgers verklaart, brengt uiteindelijk ook de democratie en de rechtsstaat aan het wankelen. Daarom vindt hij het belangrijk zich openlijk over de gevaren die het populisme met zich meebrengt uit te spreken. 'Ik zit hier wel eens met ambtenaren die zich bezorgd afvragen: houd je zo nog wel genoeg tijd over voor je dossiers over de internationale maffia, de drugs, de wapenhandel? Daar ben ik ook druk mee bezig, maar ik vind het op dit moment minstens zo belangrijk om de mensen die zich keren tegen de mentale introvertie en geborneerdheid moed in te praten. Mijn moeder deed in haar tijd wat er gedaan moest worden. Dat zie ik ook als mijn taak.'
Lezersoproep
U bent al 40 jaar getrouwd met een lieve boekhouder, maar valt ineens voor een Poolse bouwvakker. U stemt stiekem met uw portemonnee in plaats van uw hart. U zit in de actiegroep Behoud de Buurtwinkel, maar shopt soms bij de Lidl.
