Den Uyl-biografe Anet Bleich: 'Die man had groot gelijk'

23 februari 2008
Leestijd:

Journaliste Anet Bleich heeft de biografie van Joop den Uyl voltooid: een portret van een ‘dromer en doordouwer’ die als scholier heel even ‘behoorlijk rechts-nationalistische sympathieën had’, maar daarna vol voor de socialistische zaak ging. ‘Hij dook vrijwel altijd op het goede moment op de juiste plaats op.’

Grappig, zoals een herinnering van kleur verandert als het verleden volgens de maatstaven van nu wordt beoordeeld. Zo stuitte Anet Bleich tijdens het doorploegen van de archieven op een verslag uit 1969 van een openbaar debat tussen de studentenactivist Ton Regtien en het PvdA-Kamerlid Joop den Uyl. ‘Ik was net gaan studeren, die avond in sociëteit Akhnaton staat me nog scherp voor de geest,’ vertelt de zesenvijftigjarige historica. ‘Ook dat ik Ton Regtien geweldig vond. Toen ik bijna veertig jaar later teruglas wat hij had gezegd, viel me op dat Regtien het ene cliché na het andere had staan uitkramen. Den Uyl bracht daar iets tegenin als: natuurlijk is maatschappijverandering belangrijk, maar voordat je de hakbijl ter hand neemt, kun je beter eerst aan de universiteit de maatschappij gaan bestuderen. Destijds vond ik dat ongetwijfeld slap geklets. Nu zeg ik: die man had groot gelijk.’

Aan dit inzicht ging een jarenlange speurtocht vooraf naar het denken en doen van de staatsman die tussen 1973 en 1977 leiding gaf aan het meest progressieve kabinet uit de vaderlandse geschiedenis. Als Anet Bleich op donderdag 21 februari 2008 aan de Universiteit van Amsterdam promoveert op haar vuistdikke biografie van de ‘dromer en doordouwer’ Joop den Uyl 1919-1987 deelt ze de triomf toch een beetje met het mysterie dat ze via bronnenonderzoek, gesprekken en haar gezonde verstand geleidelijk kon ontraadselen. ‘Ga je weer jopen, mam?’ informeerde dochter Natascha als huiselijke genoegens weer eens moesten worden opgeofferd aan verplichtingen vanachter de tekstverwerker.

Inmiddels slijt Anet Bleich het merendeel van de werkweek wederom op de redactie van de Volkskrant, het dagblad dat haar in ruil voor het leveren van één column per twee weken ruimhartig in staat stelde om het ‘jopen’ tot een goed einde te brengen. Het schrijfwerk vond plaats op de zolderverdieping boven de gezinswoning aan een Amsterdamse kade, waartoe op de voordeur een aparte deurbel voor ‘Bleich’ werd bevestigd.

Vier uur slaap
Nee, Joop den Uyl was niet behept met een schimmig dubbelleven dat hem chantabel maakte. Toch reageerde zijn oudste dochter Saskia Noorman-den Uyl (zelf tot 2006 twaalf jaar PvdA-parlementariër) aanvankelijk niet erg enthousiast toen zich een schrijfster van een substantiële biografie aandiende. Er volgde een tweede gesprek, dit keer in bijzijn van Dick Benschop, een ex-persoonlijk medewerker van Den Uyl. ‘Samen beheren ze het archief dat bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis ligt. Een deel is publiekelijk ter inzage, voor een deel is toestemming nodig om het te mogen inzien. Ik wilde een onafhankelijk, eerlijk boek over Joop den Uyl, dus geen biografie in opdracht of een geautoriseerde biografie. Dat vond Saskia best lastig. Haar voorkeur ging uit naar een politieke biografie, zonder persoonlijke dingen erin, maar dat zag ik niet zitten. Daar heeft ze toen drie maanden over nagedacht. Ik begin pas als ik zeker weet dat we niet halverwege op problemen stuiten, zei ik. Daar zijn toen afspraken over gemaakt, wat niet wegneemt dat ook daarna het contact af en toe wat moeizaam verliep. In het begin had ik het idee dat Saskia niet alles vertelde wat ze wist, maar op een gegeven ogenblik was het alsof we een dood punt gepasseerd waren. Toen vertelde ze gewoon openhartig.’

Welk onheil de zeven kinderen uit het gezin Den Uyl van een biografie te duchten zouden kunnen hebben, bleef in het ongewisse. Misschien waren de reserves voor een deel genetisch bepaald, in het verlengde van het soms wat hoekige karakter van pa, aan wie het feministische adagium ‘het persoonlijke is politiek’ bepaald niet was besteed. Zijn leven had voornamelijk bestaan uit keihard werken in het nobele belang van de sociaal-democratie en de natie, wat trouwens een tijdje op hetzelfde neerkwam. Aan vier uur slaap per nacht had hij genoeg, maar als wakkere politicus was hij zó vaak van huis dat de familie hem ging beschouwen als de man die op zondag het vlees kwam snijden. Later ontwikkelde hij de meer invoelende kant van zijn persoonlijkheid, aangespoord door echtgenote Liesbeth den Uyl-van Vessem, die van betrekkelijk traditionele huisvrouw was geëmancipeerd tot een first lady waar de vooruitstrevende bevlogenheid vanaf spatte.

Erg verstrooid
Dat in het gezin van Joop den Uyl de politiek het allerbelangrijkste onderwerp van gesprek was, vergde weinig inlevingsvermogen van de biografe. Ook zij had een gepolitiseerde jeugd, maar wat wil je met een vader als Herman Bleich (1918 –1995), de grondlegger van perscentrum Nieuwspoort, correspondent en commentator van een aantal buitenlandse kranten en bovendien – met een tongval die aan prins Bernhard herinnerde – de leverancier van een ferm, herkenbaar geluid in praatprogramma’s op radio en televisie. In haar bijdrage aan de bundel Alles moest anders (‘het onvervuld verlangen van een linkse generatie’, 1991) schrijft Anet Bleich: ‘Soms leek het alsof in mijn leven alles net een nuance zwaarder werd aangezet dan in dat van anderen. Dat stoorde, maar het maakte me ook trots.’

Op haar twaalfde was politiek haar favoriete onderwerp (wat haar een vriendinnetje kostte, die dat saai vond). Op haar zestiende droomde ze van een carrière als beroepsrevolutionair, met Rosa Luxemburg als rolmodel. Op haar achttiende verhuisde ze naar Amsterdam om politicologie te studeren. Van haar eenentwintigste tot haar vijfentwintigste was ze lid van de Communistische Partij Nederland. Tussen 1978 en 1989 was ze redacteur van De Groene Amsterdammer, waar aanvankelijk een veel linksere wind door de kolommen woei dan thans. Inmiddels werkt ze alweer een eeuwigheid bij de Volkskrant. Ze is partijloos uit principe, wat de objectieve toon in haar gedenkschrift Een partij in de tijd: veertig jaar PvdA (1986) ongetwijfeld ten goede kwam.

Ze schat dat ze drie keer in de rol van interviewer tegenover Joop den Uyl zal hebben gezeten. ‘Ik vond het een beetje een typische man, maar wel aardig. Erg verstrooid. Ik vond het wel leuk dat hij me naderhand herkende als we elkaar op een receptie tegenkwamen of zo. Zelf heb ik een bloedhekel aan die opgeprikte gelegenheden, hij kon daar zo te zien evenmin van genieten. Hij stond er een beetje vaag bij en dan begon hij ineens te praten. Zijn blik gevestigd op een punt in de verte, druk gebarend met zijn handen, hij had een onderwerp te pakken en was voorlopig niet van plan om dat los te laten. Altijd over politiek, nooit over koetjes en kalfjes. Daar was hij niet goed in. Iemand vertelde me dat Den Uyl een pot thee voor zijn bezoeker had gezet. Vervolgens liet hij die pot koud worden, om zich pas nadat de visite weg was te realiseren dat hij helemaal was vergeten om een kopje thee in te schenken. Zo’n anekdote zegt genoeg.’

‘Dietschland – groot of – dood’
Werkend aan de biografie schoten haar natuurlijk tientallen vragen te binnen die ze dolgraag aan Den Uyl had willen voorleggen als hij nog had geleefd. ‘In dat geval zou ik zeker over de jaren dertig zijn begonnen, de tijd van het opkomende fascisme, omdat dat thema me zelf zo boeit,’ zegt ze. ‘Er circuleerden altijd al geruchten dat er iets aan de hand was met Den Uyl en de oorlog, maar daar heeft niemand ooit een vinger achter kunnen krijgen. Ik heb mogen vaststellen dat er niets aan de hand was, maar ik was wél stomverbaasd toen ik erachter kwam dat Den Uyl als scholier een tijdje behoorlijk rechts-nationalistische sympathieën had.’

Als zestienjarige ontvouwde hij in een opstel een retorisch ideaal dat tegenwoordig bij zelfs de meest onbevangen lezer de echo van dreunende laarzen zal oproepen: ‘Het gaat erom: Dietschland – groot of – dood. En wij willen het groot, groot in alles waarin een klein volk groot kan zijn. Idealisten moeten we worden, mensen die (zonder loon!) goed en bloed voor hun volksgemeenschap, hun vaderland over hebben.’

In een later opstel gaf hij blijk van waardering voor Hitler-Duitsland, waar ‘een herboren, zelfbewust volk in eensgezindheid om den “Führer” [was] geschaard’, al had hij ook oog voor de schaduwzijden: ‘Rassenleer, Jodenvervolging, kerk en staat.’

In het voorjaar van 1939 besloot de negentienjarige, zojuist voor zijn kandidaatsexamen economie geslaagde, Joop den Uyl een zomercursus te gaan volgen aan het Institut für Handel und Weltwirtschaft van de universiteit in de Duitse havenstad Kiel. Hij bleef twee maanden weg en keerde eind augustus, kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, terug in Nederland. De biografie werpt de vraag op wat de latere politicus in zijn jonge jaren bezield kan hebben. Op zijn collegekaart stond een hakenkruis afgedrukt. Terwijl hij in Kiel zo’n ‘interessante en gelukkige tijd’ doorbracht, werd Praag door een Duitse troepenmacht ingenomen, had de Kristallnacht al plaatsgevonden en waren de Neurenbergse rassenwetten van kracht. ‘Onbegrijpelijk,’ erkent Anet Bleich. ‘Nee, voor zover ik weet, heeft hij zich nooit over die periode uitgesproken. Ik denk dat hij zich kapot schaamde. Zijn kinderen heeft hij er volgens mij wél over verteld, misschien was dat een van de redenen waarom ze zo huiverig voor deze biografie waren. Om uiteindelijk opgelucht te kunnen constateren dat ik deze episode weergeef voor wat het was: een lichte politieke jeugdzonde. In zekere zin begrijpelijk ook, vanuit dat bekrompen gereformeerde milieu waar hij uitkwam. Dit zal voor hem een moeilijk punt geweest zijn, Joop den Uyl was überhaupt nogal zwaar op de hand. Ik denk dat hij zichzelf achteraf vooral heeft verweten dat hij te naïef was, hij had onderschat wat het fascisme teweeg zou brengen. Ik moet daar direct aan toevoegen dat ik nogal onder de indruk ben van de snelheid waarmee hij, nadat het nazidom zich over de Nederlandse grens had begeven, het ware karakter daarvan doorzag. Toen heeft hij vrijwel onmiddellijk heel krachtig stelling genomen.’

Tot ongenoegen van zijn moeder (zijn vader overleed toen Joop tien jaar was) voltooide hij zijn studie economie aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. Dat gegoochel met cijfers boeide hem: op zijn laatste hbs-rapport stonden zowel bij staatsinrichting als bij staatshuishouding een tien genoteerd. Zijn moeder had hem het liefst college zien lopen bij de gereformeerde Vrije Universiteit, maar daar zat geen economie in het pakket. Ter compensatie werd hij direct nadat hij zich bij de andere, goddeloze universiteit had laten inschrijven lid van de Amsterdamse protestantse studentenvereniging Societas Studiosorum Reformatorum (SSR). Het verenigingsorgaan Libertas ex Veritate liet bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de vrijblijvende pretenties varen om – zolang dat mogelijk was – te gaan fungeren als platform voor anti-Duitse artikelen die bij de gelijkgeschakelde drukpers geen schijn van kans meer maakten.

Een studentenblaadje censureren was niet het eerste dat de bezetter te binnen schoot. Kort voordat in januari 1941 op last van hogerhand het licht voor Libertas ex Veritate doofde, trok Joop den Uyl in het blad van leer tegen de ‘anti-christelijke pseudoreligie’ die met ‘Dietschland en de arbeidsdienst’ dwepende studenten volgens hem aanhingen. Dooddoeners als ‘wij moeten bukken voor de loop van de geschiedenis’, ‘de tijd begrijpen’ en ‘vanuit de feiten redeneren’ noemde hij fatalistisch: ‘De mensen van het grote en roemruchte leven blijken tegelijk de noodlotaanbidders te zijn.’ In brieven maande hij het SSR-bestuur om krachtiger stelling te nemen tegen maatregelen die tot doel hadden de universiteit te zuiveren van joodse docenten en studenten.

Ingewikkeld praten
De fraaie formuleringen vloeiden hem moeiteloos uit zijn pen. Natuurlijk schreef zo’n binnenvetter als hij stiekem gedichten, met dezelfde vanzelfsprekendheid als waarmee hij zijn diepste zieleroerselen aan een geheim dagboek toevertrouwde: ‘Ik ben zo zwak, verlegen, ijdel. […] Waar ben jij – Jezus, kom nou, antwoord, vooruit.’ Sommige citaten zijn van zo’n ontwapenende trefzekerheid dat Anet Bleich ze achteloos uit de mouw schudt: ‘Mijn leven is een poging. Deze poging is de zin van mijn bestaan.’ Een flinke dosis Weltschmerz, kortom, aangevuld door zowel een uitzichtloze worsteling met de vraag of de wereld inderdaad door een almachtige god wordt bestierd als woede over alle misère waar het fascisme de mensheid mee had opgezadeld. Als hij zijn stilistische vaardigheden met meer zorg had gecultiveerd, had hij het beslist tot een verdienstelijk dichter, literator of op zijn minst een vlot leesbare journalist geschopt. Dat liep anders, met als gevolg dat de naoorlogse generatie zich Joop den Uyl vooral herinnert als de wat plechtstatige, niet altijd meteen te doorgronden volzinnen debiterende, sociaal-democraat in dat eeuwige slobberpak.

‘Dat hij zo raar ingewikkeld ging praten, is er geleidelijk ingeslopen,’ merkt zijn biografe vergoelijkend op. ‘In de jaren vijftig was hij directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA. Daar heeft hij zich dat praten in een soort academische notataal eigengemaakt, maar later is het toch grotendeels gelukt om zich van die ballast te bevrijden. Als lijsttrekker werd hij meer down to earth. Daar was hij heel trots op, volgens mij. Zo heeft hij dat ooit letterlijk ook gezegd: dat hij wetenschappelijk onderzoeker en bestuurder was geweest en dat hij het daarom lastig vond om zich aan gewone mensen te presenteren. Maar dat dit ineens lukte. De boodschap kwam over.’

Toen Den Uyl in het oorlogsjaar 1943 kennis kreeg aan zijn latere echtgenote Liesbeth van Vessem, waarschuwde hij dat zijn politieke ambities in de toekomst druk op hun relatie zouden kunnen leggen. Hij zag voor zichzelf een rol als minister weggelegd, wie weet zelfs als premier. Maar vooralsnog moesten ze eerst samen die rottige oorlog zien te overleven. Als pas afgestudeerd econoom kon hij aan de slag bij het Rijksbureau Prijsvorming Chemische Producten, een weinig opwindende betrekking waar prettige emolumenten als een sprciaal pasje en de mogelijkheid om probleemloos te reizen bij waren inbegrepen. Na werktijd leverde hij bijdragen aan de verzetsbladen Het Parool en Vrij Nederland, die hij ook hielp bezorgen. Intussen plakte zijn vrouw Liesbeth in het geniep de stad vol met Duitstalige posters: ‘Soldaten, jullie oorlog is verloren, leg de wapens neer!’

Toen na de bevrijding de illegale bladen bovengronds gingen, vroeg hoofdredacteur Henk van Randwijk of Joop den Uyl als adjunct de leiding bij Vrij Nederland wilde komen versterken. De opiniërende beschouwing fungeerde in die tijd als visitekaartje waarmee de tot op het bot verzuilde pers kenbaar maakte waarin men ten opzichte van de concurrentie verschilde. Vrij Nederland ontpopte zich al gauw als spreekbuis van de in 1946 opgerichte PvdA. Den Uyl, die zich prompt bij de nieuwe partij aansloot, hamerde in zijn wekelijkse commentaar (dat hij niet zelf schreef, maar ijsberend aan de secretaresse dicteerde) op de noodzaak van optimale openbaarheid omdat ‘de democratie dood is, als ze niet leeft in de harten van de gewone burgers’. Als het aan hem lag, waren Kamerdebatten voortaan rechtstreeks op de radio te beluisteren.

‘Hij dook vrijwel altijd op het goede moment op de juiste plaats op,’ vindt Anet Bleich. ‘Wonderlijk dat hij al in 1943 aanvoelde dat hij het tot minister zou brengen; dat zou toen nog tweeëntwintig jaar duren. Hij was natuurlijk ambitieus, verder heeft hij heel veel mazzel gehad in zijn leven. Hij is betrekkelijk probleemloos door de Tweede Wereldoorlog gerold; hij heeft achteraf nooit de indruk willen wekken dat hij een heldenrol in het verzet heeft gespeeld. Hij was marginaal actief in de illegaliteit. Saskia vertelde me dat hij zich er schuldig over voelde dat hij niet meer had gedaan, maar de meeste mensen deden minder dan hij. Na de oorlog droeg hij als opiniërend journalist meningen uit op een manier die we nu ouderwets zouden vinden, maar wat hij op dat gebied te melden had, vind ik heel interessant. Veel van zijn ideeën doken later op bij Nieuw Links en D66.

Hij zag niets in de pacificatiepolitiek waar de PvdA aan mee deed, hij ergerde zich aan de geheimzinnige samenwerking waar alleen de top van de partijen van afwist. Het stoorde hem ook enorm dat de PvdA pardoes uit de lucht kwam vallen, zonder dat ruchtbaarheid was gegeven aan de voorafgaande besprekingen of de meningsverschillen die zich hadden voorgedaan. Die roep om openbaarheid van bestuur zou typisch een onderwerp voor de jaren zestig en zeventig worden, maar Den Uyl bracht dat in de jaren veertig al naar voren. Toen in 1947 met instemming van de PvdA de eerste politionele acties in Indonesië begonnen, keerden Vrij Nederland en Het Parool zich in felle commentaren tegen de militaire oplossing waar Nederland voor had gekozen om de kolonie onder de duim te houden. Het regende boze reacties en opzeggingen, maar dat was geen reden om van redactionele koers te veranderen. Voor de latere AR-minister W.F. de Gaay Fortman waren de artikelen reden om op te stappen als redacteur van Vrij Nederland. Het grappige is dat De Gaay Fortman en Den Uyl weer met elkaar te maken kregen toen ze samen met Pronk de onafhankelijkheid van Suriname gingen voorbereiden. Als je leest hoe dat werd aangepakt, dan blijkt de herinnering aan de moeizame dekolonisatie van Indonesië daar heel zwaar in door te spelen.’

Megalomane visie
Vóór zijn dertigste was Den Uyl bevorderd tot directeur van de Wiardi Beckman Stichting, een prachtbaan die hem eens te meer deed beseffen hoe bevoorrecht hij was geweest toen hij zonder ruggenspraak het vrije woord had mogen uitdragen. Als weekbladjournalist kon hij ongebreideld meningen spuien, maar voortaan werd hij geacht zich te voegen naar het standpunt van de partij. In 1950 zag het wetenschappelijk instituut zich gedwongen om een rapport over geboortebeperking in te trekken: het onderwerp zou volgens de partijleiding ‘te gevoelig’ liggen, juist nu de PvdA zich inspande om het katholieke volksdeel voor zich te winnen. Artikelen van drs. J.M. den Uyl sierden voortaan het brave partijblad Socialisme & Democratie.

Vanaf 1956 combineerde hij de directiezetel met een lidmaatschap van de Tweede Kamer, een dubbelfunctie die nog eens werd verzwaard toen Amsterdam hem in 1961 tot wethouder benoemde. Dat hij aan weinig slaap genoeg had, kwam hem nu beter van pas dan ooit, zeker aangezien hij naast al die baantjes ook nog qualitate qua deel uitmaakte van het partijbestuur en het dagelijks bestuur van de PvdA. Uiteindelijk besloot hij zich te concentreren op de lokale politiek die hem bij zijn aantreden zo’n beetje alle sectoren toebedeelde die nodig waren om het in één klap tot de machtigste man van Amsterdam te brengen. De omnipotente wethouder Den Uyl zwaaide de scepter over Publieke Werken, Stadsontwikkeling, Economische Zaken, Havens en Handelsinrichtingen.

Hoe de doctorandus uit Buitenveldert het er als stadsbestuurder vanaf bracht? De vraag ontlokt een gierende lach. ‘Aan de andere kant is het nogal gratuit om daar achteraf een oordeel over te vellen,’ zegt Anet Bleich nadat ze is uitgeschaterd. ‘Nee, ik denk niet dat hij dat wethouderschap goed gedaan heeft. Wél met een enorme inzet, maar hij had een megalomane visie die hem een paar jaar later totaal impopulair zou hebben gemaakt, ook bij de milieubeweging die in die tijd in opkomst was. Hij zwoer bij zware industrie, hoogbouw, stadssanering, stadsspoor. De unieke binnenstad van Amsterdam wilde hij voor een groot deel opofferen aan wegen, bedrijven en torenflats. In de Groote IJpolder werd een olieraffinaderij gepland. De werkgelegenheid stond voorop, wat dat betreft was hij echt een sociaal-democraat van de oude stempel. Eigenlijk had hij van stadsontwikkeling geen kaas gegeten, al wist hij zijn ideeën over hoe de stad er in het jaar 2000 uit zou zien wel met veel allure te verkopen. Toevallig werd hij in 1965 gevraagd om minister in het kabinet-Cals te worden. Net op tijd. Als hij nog vier jaar wethouder in Amsterdam was gebleven, dan zou zijn politieke carrière roemloos zijn geëindigd, vrees ik.’

Aan het Binnenhof liep zijn reputatie kort daarop even zo goed een deuk op. In dat krappe jaartje waarin hij in de ploeg van premier Cals bewindsman was van Economische Zaken gingen onder zijn verantwoordelijkheid de kolenmijnen definitief dicht, een maatregel die Limburg tot een bijna failliete provincie degradeerde. Uit documenten waaruit in de biografie wordt geciteerd, blijkt dat de geschiedenis te meedogenloos over mijnensluiter Den Uyl oordeelt. Hij vond dat zolang vervangende werkgelegenheid ontbrak, er geen haast met de sanering mocht worden gemaakt. Het liep allemaal heel anders dan hij het in zijn hoofd had.

Aksie, aksie
In de tweede en meest woelige helft van de jaren zestig pookte PvdA-fractievoorzitter Den Uyl de linkse oppositie in de Tweede Kamer stevig op. Er was alle reden toe, zeker zolang het verkrampte klootjesvolk het ergste vreesde voor de toekomst van een land waar de bloemenkinderen hun dagen vulden met ludieke nietsnutterij. Toen de politie het presteerde om in te meppen op provo’s die ter hoogte van het Spui ‘uche, uche’ hadden gescandeerd, liet Den Uyl waardig weten dat hij die rebelse jongeren wel begreep. Of hij zich niet ergerde aan het langharige, ongewassen tuig dat naar aksie, aksie snakte? Ome Joop verklaarde dat hij geen enkel bezwaar had tegen ‘langharige en ongewassen knapen met constructieve ideeën. Het staat iedereen in ons land vrij zijn haar lang te laten groeien en zich niet te wassen. Ik herinner eraan dat de Duitsers die in 1940 ons land binnenvielen, keurig geknipt, gewassen en geschoren waren.’

De belangrijkste datum uit de loopbaan van Joop den Uyl kent Anet Bleich uit het hoofd: dat was vrijdag 11 mei 1973 natuurlijk, het grote moment waarop zijn jeugddroom in vervulling ging. Het was volbracht, hij werd minister-president van Nederland. Wat volgde, waren de waarschijnlijk minst saaie vier jaren uit de geschiedenis van de vaderlandse politiek. ‘Waanzinnig wat zich in korte tijd allemaal afspeelde. Vanwege het standpunt in de Jom Kippoeroorlog wilden Arabische landen geen olie meer aan Nederland leveren. Zuid-Molukse jongeren kaapten treinen en gijzelden een schoolklas. De monarchie werd aan het wankelen gebracht toen bleek dat prins Bernhard 1,1 miljoen dollar smeergeld van de Amerikaanse straaljagerfabriek Lockheed had geïncasseerd. De KVP-minister van Justitie Dries van Agt wilde de abortuskliniek Bloemenhove sluiten, terwijl zijn PvdA-collega Irene Vorrink van Volksgezondheid en Milieuhygiëne gelijktijdig vanuit het Catshuis de pro-abortus-activisten telefonisch veel succes met hun bezetting wenste. Als eerste land in de wereld kreeg Nederland een wetgeving die onderscheid tussen hard en soft drugs maakte.’

Wie in die dagen niet in de war was, verkeerde op zijn minst in staat van opwinding. Op zijn vrije zaterdag voegde premier Den Uyl zich in 1975 bij de zestigduizend demonstranten die in de Utrechtse binnenstad het schrikbewind van de Spaanse dictator Francisco Franco aanklaagden. ‘Den Uyl die op het dak van een auto klauterde om de menigte toe te spreken, dat beeld vergeet ik nooit,’ zegt Anet Bleich. ‘Hun strijd, onze strijd – internationale solidariteit. Zo’n gebaar had een Nederlandse premier nooit eerder gemaakt, ik zie het evenmin nog eens gebeuren.’

Natuurlijk was hij een onverbeterlijke brombeer die te veel aan zijn kop had om alle beloften stipt na te komen. Hij kon bot uit de hoek komen, er werd hem verweten dat hij onhandig en slordig in de omgang was. Drammen kon hij als geen ander. Hij dwong zijn ministers om mee te doen aan marathonvergaderingen die voortduurden tot de ochtend gloorde. Zijn pleidooi voor ‘meer mensen mondig maken’ allitereerde mooi, maar bleek even lastig in praktijk te brengen als de door hem gepropageerde spreiding van kennis, inkomen en macht.

Betekende dit alles inderdaad dat hij een regering leidde die volgens Bolkestein aanspraak maakt op het predikaat ‘allerslechtste kabinet aller tijden’? De biografe steekt er nog maar eens een sigaretje bij op, de zoveelste die middag. Even zwijgt ze nadenkend, zegt dan: ‘Dat is het gekke van het kabinet-Den Uyl. Het is dertig jaar geleden, maar er wordt over gepolemiseerd met een heftigheid alsof het gaat over iets dat zich gisteren afspeelde. Uiterst curieus. Ik kan me voorstellen dat dit de nieuwsgierigheid naar Joop den Uyl als mens en politicus prikkelt. Je hoeft het niet met al zijn ideeën eens te zijn om te erkennen dat hij Nederland met een uniek fenomeen confronteerde. Niet eerder vertoond. Waarschijnlijk eenmalig, denk ik.’

Over Rudie Kagie

Rudie Kagie (1950) schreef in februari 1972 zijn eerste stuk voor Vrij Nederland, maar wachtte twintig jaar (tot 1992) voordat hij besloot zijn bloeiende praktijk als freelance-journalist in te wisselen tegen een redacteurschap van VN.

Column

Stephan Sanders

De nasleep

Stephan Sanders over MH17, woede, verdriet en de reality check van de Nederlandse almachtsfantasie

Blog

Thijs Broer

Timmermans en de Russen

Hoe onderhandelt de minister van Buitenlandse Zaken met zijn Russische tegenspelers?

Blog

Ko Colijn

De dramatische reactie van Poetin op MH17

Hoe Poetin had moeten reageren op het MH17-drama

Dit is goed! Ik ontvang graag wekelijks verhalen in mijn inbox

E-mailadres *
Ja, ik wil graag de VN Nieuwsbrief ontvangen

Neem nu een
abonnement
Jaar
Half jaar
Kwartaal
Proef
Papier en digitaal
Alleen digitaal