Vrij Nederland Baantjesjagers 
en zakkenvullers

De mythe van de luie politicus

Door Thijs Broer / Sophie Derkzen

Baantjesjagers 
en zakkenvullers

De mythe van de luie politicus

Door Thijs Broer / Sophie Derkzen

De gemiddelde Nederlander vindt politici incapabele praatjesmakers. Kloppen de vooroordelen? VN laat de feiten spreken.

Het eigenlijke motto van het kabinet Rutte-Verhagen, gedoogd door de PVV, werd enkele maanden na de feestelijke beëdiging verwoord door minister Ivo Opstelten van Veiligheid en Justitie. Op een onbewaakt ogenblik liet de invloedrijke VVD’er tijdens een overleg met Kamerleden weten niet in feiten geïnteresseerd te zijn: ‘Want belangrijker is wat de burger ervan víndt dan hoe het in werkelijkheid ís. De bestuurder die dat niet doorheeft, is geen lang leven beschoren.’ Waren het wijze woorden van een bestuurlijke veteraan of was het een slip of the tongue van een cynische populist? Feit is dat het kabinet-Rutte de toon zette met een bombardement van plannetjes om de boze burger te paaien. De Europese immigratieregels zouden worden opgerekt, er kwamen minimumstraffen, een boerkaverbod en een verbod op de dubbele nationaliteit. Kritische adviezen van de Raad van State werden door het kabinet straal genegeerd.

Even leek de strategie te werken. Toen het kabinet een paar maanden bezig was, meldde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dat het vertrouwen van de burger in de politiek voor het eerst in jaren weer licht was gestegen, naar zo’n 55 procent. Vlak voor het kerstreces van 2010 zeiden verschillende bewindslieden tevreden tegen Vrij Nederland: ‘We hebben de goede toon te pakken.’ Het feest duurde niet lang. Volgens het rapport Burgerperspectieven van het Sociaal en Cultureel Planbureau van juli 2012 is de tevredenheid over de politiek sindsdien weer gedaald tot een magere 39 procent, een neergang die versneld werd door de val van het kabinet. Degenen in de VVD- en CDA-top die aanvankelijk nog meenden dat het ‘beest van de PVV’ (dixit VVD-minister Rosen thal) als gedoogpartner te temmen zou zijn, roepen nu om het hardst dat ze met Geert geen zaken meer willen doen.Of er nog met Wilders wordt samengewerkt of niet, elk nieuw kabinet krijgt straks met het groeiend wantrouwen van de burger te maken. Reden te meer om de hardnekkigste vooroordelen over de politiek onder de loep te nemen.

Jerry Lampen/ANP Jerry Lampen/ANP

Slapjanussen en leeghoofden
Sinds 2008 doet het SCP continu onderzoek naar ‘Burger perspectieven’. In enquêtes en ‘focusgroepen’ worden burgers bevraagd over de stand van het land. Waar maken ze zich zorgen over? Wat denken ze van de economische crisis? Hoe groot is hun vertrouwen in de politiek? ‘Elk onderzoek laat weer zien dat de Neder lander het goed met zichzelf getroffen heeft en ook vindt dat het hem persoonlijk goed gaat,’ schrijven de vorsers van het collectieve welbevinden, ‘terwijl hij tegelijkertijd vindt dat het met de samenleving toch vooral de slechte kant opgaat.’ Zo maakt de Neder lander zich zorgen over de verruwing in het maatschappelijk verkeer, de Europese integratie, de onveiligheid op straat.

Opvallend genoeg blijkt dat de Nederlander de oorzaak van al dat ongerief zelden bij zichzelf zoekt. In alle geledingen van de samenleving krijgt vooral ‘de politiek’ de schuld. In een ‘verdiepingsstudie’ van het Continu Onderzoek Burgerperspectieven stellen de onderzoekers vast dat de politiek in de focusgroepen in ‘gemoedelijke eensgezindheid’ failliet wordt verklaard. ‘Hoogopgeleiden zijn genuanceerder in hun oordeel, maar hebben toch een overwegend negatief beeld van de politiek,’ zegt SCP-onderzoeker Josje den Ridder. Misschien is dat nog wel het meest verontrustende onderzoeksresultaat: niet alleen onder laagopgeleiden heeft de politiek afgedaan, ook onder hoogopgeleiden is het sluipenderwijs vanzelfsprekend geworden op ‘Den Haag’ af te geven. De voornaamste kwalificaties: politici stellen hun eigenbelang boven het landsbelang, ze reageren te veel op de waan van de dag, ze hebben rekbare principes, ze zijn incapabel, ze hebben geen daadkracht en ze hebben geen visie. Of, zoals het buiten de aangeharkte percelen van het opinieonderzoek heet: politici zijn zakkenvullers, baantjesjagers, ijdeltuiten, draaikonten, nietsnutten, slapjanussen en leeghoofden.
Vrij Nederland zette de meest genoemde vooroordelen op een rij, vroeg vertrekkende Kamer leden om commentaar en stelt er de nuchtere feiten tegenover.

Jeroen Jumelet/ANP Jeroen Jumelet/ANP

1. Politici zijn zakkenvullers

‘Zijn ze van de pot gepleurd?’ ‘Laat ze eerst eens de puinhopen in dit land opruimen voordat we over salarisverhoging gaan praten!’ Toen het tweede kabinet-Balkenende (CDA-VVD-D66) in 2005 op advies van de commissie-Dijkstal voorstelde de ministerssalarissen met dertig procent te verhogen, regende het woedende reacties op internetfora en in de mailboxen van politici. Schielijk trok het CDA haar medewerking aan het plan terug, bang om ook door de linkse oppositie voor zakkenvullers te worden uitgemaakt. Sindsdien durft geen politicus meer over loonsverhoging te beginnen. Zak ken vullers: de afgelopen jaren is dat het meest gehoorde verwijt aan de politiek. Maar is het ook terecht?

Eerst de cijfers: in 2012 krijgen Kamerleden in Nederland een schadeloosstelling van zo’n 94.000 euro bruto, inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering komen ze uit op een ton. Ministers verdienen zo’n 144.000 euro, de premier 193.000 euro. ‘Kamerleden krijgen een heel redelijk salaris,’ zegt Riky Boom van outplacementbureau Van Ede & Partners, dat vertrekkende Kamerleden begeleidt. ‘Bij een non-profitorganisatie verdien je als senior of leidinggevende al snel 80.000 euro, in het bedrijfsleven aanzienlijk meer.’ Uit een vergelijkend onderzoek van de Duitse Bundestag uit 2010 blijkt dat onze parlementariërs niet te klagen hebben ten opzichte van hun collega’s elders in de wereld: de Nederlandse schadeloosstelling ligt ruim boven het internationale gemiddelde.

Zijn ze daarmee veelverdieners? Bijna een ton is misschien veel voor een jong Kamerlid als Sander de Rouwe (1980), voorheen gemeenteraadslid voor het CDA te Bolsward. Maar het is weinig voor iemand als PvdA-Kamerlid Eeke van der Veen, die in de raad van bestuur van zorgverzekeraar Agis zat. De vraag is dan ook vooral: wat doen die Kamerleden voor hun geld? Een ronde langs vertrekkende parlementariërs leert dat ze, naar eigen zeggen, hard werken.

‘Wie roept dat politici zakkenvullers zijn, heeft geen zicht op de enorme inspanningen die Kamerleden moeten leveren,’ zegt Willibrord van Beek, de VVD-nestor die na veertien jaar de Kamer verlaat. ‘Al die jaren heb ik nooit minder dan zeventig uur per week gewerkt.’ Ger Koopmans (CDA) vertrekt na tien jaar uit de Kamer. Hij zegt: ‘Als parlementariër krijg je een fatsoenlijk salaris, maar je moet er heel hard voor werken. Zelfs als je lui bent. Ook een backbencher van een grote partij moet na een nachtelijk debat voor zeven uur ’s morgens zijn Kamervragen inleveren. Dat trekt een wissel op je persoonlijke leven. Ik sluit niet uit dat mijn huwelijk mede daarom op de klippen is gelopen.’

Boven alle verdenking verheven zijn in elk geval de Kamerleden van de SP, die zo’n zeventig procent van hun salaris afstaan. Dat zal ook gelden voor de aanstaande ministers van de SP, zoals premier in spe Emile Roemer onlangs bekendmaakte. Zelf zei de socialistenleider tegen Vrij Nederland dat hij per maand zo’n 2500 euro overhoudt. ‘Daar kan ik prima van leven.’ Ook de parlementariërs van GroenLinks kunnen zichzelf recht in de spiegel aankijken: hoewel bijna niemand het weet, dragen zij per jaar zo’n dertienduizend euro af aan de partijkas.

Ironisch genoeg blijkt juist de PVV, de partij die de afgelopen jaren het hardst van leer trok tegen de ‘zakkenvullerij’ door de gevestigde partijen, het gevoeligst te zijn voor datzelfde verwijt. Het was PVV’er Raymond de Roon die zonder overleg zijn medewerkster een forse salarisverhoging uit de partijkas toekende, tot grote woede van de kiezers. Ook fractiegenoot Marcial Hernandez, die onlangs uit de PVV stapte, moet het nu ontgelden. ‘Twee jaar lang heb ik keihard gewerkt. En nu roepen ze dat we zakkenvullers zijn. Ik vind dat bijna net zo erg als dat ik nu NSB’er genoemd word omdat ik de partij verlaten heb.’ Kortom: wie zijn zakken wil vullen, kan beter omzien naar een minder veeleisende professie.

Valerie Kuypers/ANP Valerie Kuypers/ANP

2. Politici zijn baantjesjagers

DA’ers vonden het een schande dat ze zich wel op de kieslijst van de christen-democraten had laten plaatsen, maar intussen stiekem had gesolliciteerd. Zelf beriep ze zich op haar geheimhoudingsplicht, maar het mocht niet baten. Op internet kreeg ze er vreselijk van langs. ‘Ze zitten er alleen voor zichzelf en hun baantje in de toekomst!’ schreef ‘haveebee’ op de site van Elsevier. ‘Waar moet het heen?’ voegde John de Ruiter er woedend aan toe. ‘Nu beginnen de baantjesjagers onderling al ruzie te maken omdat de ene nog fanatieker aan het jagen is dan de andere!’

Politici zijn alleen maar bezig met hun eigenbelang: het is een veelgehoord verwijt in de onderzoeken van het SCP. Het vermeende ‘baantjesjagen’ is daarvan het meest treffende voorbeeld. Vooral gevestigde partijen zouden de afgelopen decennia verworden zijn tot ‘banenmachine’. Commissariaten, burgemeesterschappen, be-stuursfuncties in onderwijskoepels: traditioneel zijn het CDA, PvdA en VVD die de banen verdelen. Dat oud-politici als Elco Brinkman, Hans Alders en Loek Hermans de ene bijbaan op de andere stapelden, wekte de afgelopen jaren steeds grotere publieke verontwaardiging.

Ook het falen van vanuit Den Haag geparachuteerde burgemeesters als Ruud Vreeman (Til burg) en Aleid Wolfsen (Utrecht), beiden van de PvdA, versterkte het beeld: het Kamer-lid maat schap is een opstapje voor een deftige baan, ook als je er niet geschikt voor bent. Door dit soort voorbeelden heeft de politiek de schijn tegen. Maar voor verreweg de meeste parlementariërs geldt dat het Kamerlidmaat schap eerder een lastige onderbreking is van hun carrière dan een opstapje naar een fijne baan.

‘Ik, een baantjesjager?’, vertrekkend VVD-Ka­mer lid en aanstaand burgemeester van Zoetermeer Charlie Aptroot barst in schaterlachen uit. ‘Ik word nu burgemeester, maar dat was echt niet voorgekookt. De gemeenteraad heeft mij gekozen uit tientallen kandidaten. Het Kamerlidmaatschap is juist een onzekere stap in je carrière. Je kunt van de ene op de andere dag werkloos zijn.’

Inderdaad: nu de meeste kabinetten maar een paar jaar blijven zitten en alle partijen enorme schommelingen in de kiezersgunst vertonen, kun je als Kamerlid voor je het weet weer uitkijken naar een nieuwe betrekking. Jeroen de Lange, PvdA-Kamerlid sinds januari 2012, voorheen onder meer econoom voor de Wereldbank in Oeganda en hoofd strategie bij Cordaid, kan erover meepraten. Vier maanden na zijn entree viel het kabinet, en tot zijn eigen stomme verbazing kreeg De Lange een onverkiesbare plek op de kieslijst. ‘Ik heb een mooie internationale carrière opgezegd voor dit politieke avontuur. Volgens vriend en vijand was ik goed bezig. Het is volstrekt onvoorspelbaar, je weet niet waarop je wordt afgerekend.’

Daar komt nog bij dat gewezen parlementariërs in de praktijk moeilijk aan de bak komen. ‘Voor Kamerleden lijkt het misschien makkelijk een baan te vinden omdat ze zo in the picture staan,’ zegt Freek ten Herkel van Van Ede & Partners, die de afgelopen jaren vertrekkende Kamerleden begeleidde bij het zoeken naar werk. ‘In de praktijk werkt dat veelal tegen hen. Ze zijn vaak eigenwijs, hebben weinig zelfkennis en vertonen haantjesgedrag. Ze zijn eraan gewend dat alle deuren voor hen opengaan. In het bedrijfsleven gaat het toch meer om teamwork.’

Oud-Tweede Kamerleden krijgen vaak het verwijt dat ze veel te lang in hun tamelijk riante wachtgeldregeling blijven hangen. De cijfers: in 2011 maakten niet minder dan 72 oud-parlementariërs er gebruik van. De SP pleit al jaren voor afschaffing van de regeling, maar daar wil de rest van de Kamer niets van weten.

Wel is de regeling verscherpt, om gehoor te geven aan het maatschappelijk protest en de kosten te drukken. Er is een plan in de maak om de maximale duur van het wachtgeld terug te brengen van vier jaar naar 38 maanden, het eerste jaar krijgen oud-Kamerleden tachtig, daarna zeventig procent van het salaris. Al in 2010 is een sollicitatieplicht voor Kamerleden ingesteld, en moeten ze deelnemen aan een ‘outplacementtraject’. Het belrondje langs de huidige vertrekkers onder de Kamerleden leert dat de meesten zich nog beraden op hun toekomst. De CDA’ers Mirjam Sterk, Kathleen Ferrier en Henk Jan Ormel doen dat respectievelijk in Ravenna en Portugal en op Curaçao, VVD’er Willibrord van Beek op de camping en PvdA’er Paulien Smeets thuis in de regen. CDA-dissident Ad Koppejan is intussen druk bezig zijn internetbedrijfjes opnieuw op te starten. En Ger Koopmans zegde zijn eerste afspraak met het outplacementbureau af vanwege een sollicitatiegesprek. ‘Voor mij geen sabbatical met wachtgeld!’

Gewezen parlementariërs komen in de praktijk moeilijk aan de bak

3. Politici zijn incapabel

Bernard Wientjes, voorzitter van werkgevers organisatie VNO-NCW, klaagde in het voorjaar in NRC Handelsblad dat ‘dit land niet bestuurd wordt door echte toppers’. Toen Vrij Nederland hem een week later tegenkwam, zei hij: ‘Met die uitspraak heb ik enorm gedonder gekregen. Maar het kwam echt uit mijn tenen.’ De klacht van Wientjes sluit naadloos aan bij de mening van de gemiddelde kiezer. Volgens het SCP vindt niet meer dan 27 procent van de Nederlanders dat politici ‘bekwame mensen zijn die weten wat ze doen’.

De vraag is alleen: klopt het ook? En wie zijn die ‘echte toppers’ van Wientjes dan? De meest genoemde topper uit het bedrijfsleven die een succesvol uitstapje maakte naar de politiek is Hans Wijers, maar de voormalige Akzo-topman hoefde in de hoogconjunctuur van de jaren negentig als minister van Economische Zaken nauwelijks moeilijke beslissingen te nemen. Ella Vogelaar en Jacqueline Cramer hadden hun strepen verdiend als commissaris bij grote bedrijven, maar bleken – zacht gezegd – niet erg geschikt voor het ministerschap in het mediatijdperk. Wientjes leek ook te bedoelen dat Mark Rutte als premier te weinig gezag en te weinig overzicht heeft. Is er één garantie te geven dat bijvoorbeeld Paul Polman, de veel geprezen chief executive officer van Unilever, het beter zou doen als minister-president?

Bij menig Kamerlid schoot de uitspraak van de VNO-voorzitter in elk geval in het verkeerde keelgat. ‘Aanmatigend van Wientjes om op deze manier over politici te praten,’ vindt Sharon Dijksma (PvdA) die na achttien jaar afscheid neemt van de landelijke politiek. ‘Hij onderschat volledig wat het werk in de Kamer van mensen vraagt. Voor de politiek heb je ongrijpbare kwaliteiten nodig, waar lang niet iedereen over beschikt. Zoals politiek instinct.’Ger Koopmans: ‘De Kamer is een volksvertegenwoordiging, geen bond van honderdvijftig toppers. Dat zou een mooie bende worden. Als Kamerlid moet je vooral in staat zijn om te weten wat er leeft. Je moet de procedures goed kennen, je achterban erbij betrekken, je positie in de partij bewaken én de regering op andere gedachten weten te brengen. Dat is een veel lastiger speelveld dan in het bedrijfsleven.’

Jack Biskop, eveneens vertrekkend Kamerlid voor het CDA, vindt dat Wientjes wel een punt heeft. ‘Als vicevoorzitter van het CDA in Bra bant heb ik veel aan scouting van nieuw talent gedaan. De beste mensen in het bedrijfsleven durfden de overstap naar de politiek niet aan. Niet alleen vanwege het lagere salaris, maar vooral vanwege de onzekerheid. Voor je het weet, word je uitgerangeerd.’ Al wil dat volgens Biskop niet zeggen dat de Kamer vol incapabele mensen zou zitten. Wat natuurlijk niet hielp, is het optreden van Kamerleden als Dion Graus (PVV), die als lid van de commissie-De Wit tenenkrommend weinig van financiën bleek te weten, en John Leerdam (PvdA), die op de radio in volle ernst meebabbelde over de vrijlating van de ‘gevaarlijke terrorist’ Jael Jablabla. Maar dat zijn grote uitzonderingen, meent Biskop. ‘Het probleem is vooral de beeldvorming. Op televisie worden de uitglijders en het onderlinge gehakketak breed uitgemeten, maar niemand krijgt te zien wat Kamerleden negentig procent van hun tijd doen: complexe dossiers doorworstelen, moeilijke compromissen sluiten en wetgeving voorbereiden.’

Bij die werkzaamheden moeten Kamerleden zich bovendien staande houden tegenover ministeries die de afgelopen eeuw in omvang zijn vertienvoudigd, terwijl de parlementariërs nog steeds hun werk moeten doen met anderhalve medewerker per persoon. Waarmee de vraag rijst of Kamerleden hun werk wel goed kúnnen doen. Recentelijk stelde het kabinet ook nog eens voor de Tweede Kamer met vijftig leden te verkleinen. In het kader van de bezuinigingen moest de trap immers ‘van boven worden schoongeveegd’, aldus premier Rutte. Zo’n ingreep helpt de controlerende macht natuurlijk niet verder.

Volgens het SCP komt het verwijt dat politici incapabel zijn vooral voort uit het ‘collectieve gevoel van machteloosheid’ dat veel burgers hebben over de samenleving. Dat gevoel wordt versterkt door de voortwoekerende financiële crisis. Die machteloosheid projecteren ze vervolgens op de politiek. Wim Korten oeven, scheidend Kamerlid voor de PVV, heeft er ervaring mee. ‘Zelfs van mijn eigen moeder krijg ik vaak te horen: wat zijn jullie stom bezig, wanneer gaan jullie de problemen nou eens oplossen?’

De conclusie? Misschien zijn onze verwachtingen van de politiek een tikkeltje overspannen.

Roel Rozenburg/ANP Roel Rozenburg/ANP

4. Politici zijn draaikonten

Het was CDA-spindoctor Jack de Vries die het begrip ‘draaikont’ introduceerde in de verkiezingscampagne van 2006-2007. In een inmiddels berucht radiodebat liet hij Jan Peter Bal ken ende tegen diens rivaal Wouter Bos zeggen: ‘U draait en u bent niet eerlijk’. Vervolgens organiseerde ‘Jack het lek’ voor de Haagse pers een ‘draaimoment van de dag’, waar hij elke ochtend liet zien hoe de PvdA nu weer van standpunt was veranderd.

De Vries maakte handig gebruik van een sentiment dat volgens het SCP al vele jaren leeft onder de Nederlandse bevolking. Volgens de bevraagde burgers in de focusgroepen zijn politici ‘weinig principevast’. De strategie van Jack de Vries om de PvdA als onbetrouwbaar weg te zetten, bleek een succes: met de hakken over de sloot won Balkenende de verkiezingen, het imago van draaikont bleef nog lang aan Bos kleven.

Sinds de vorming van het kabinet Rutte-Verhagen zijn het de christen-democraten zelf die voor draaikonten worden uitgemaakt. Wat waren de nobele principes van het CDA waard als ze omwille van de macht bereid waren samen te werken met moslimhater Wilders? Weinig behulpzaam was ook dat de ‘dissidenten’ Kathleen Ferrier en Ad Koppejan fel tegen de gedoogconstructie waren, maar er toch mee akkoord gingen. Als de koning der draaikonten gold Gerd Leers: de man die samenwerking met Wilders eerst ‘levensgevaarlijk en waanzinnig opportunistisch’ noemde, maar vervolgens als minister even geestdriftig het door de PVV gewenste asielbeleid 
uitvoerde.

Ferrier, Koppejan en Leers kregen flinke kritiek, en niet zonder reden. Maar sinds Jack de Vries erover begon, is het woord ‘draaikont’ zozeer ingeburgerd in het Haagse vocabulaire dat geen politicus meer van mening kan veranderen zonder door collega’s en journalisten van ‘draaien’ te worden beticht. In de politieke cultuur is het veranderen van standpunt 
langzamerhand een doodzonde geworden. Maar in het Nederlandse politieke bestel is besluitvorming onmogelijk zonder compromissen te sluiten.

Het Lenteakkoord dat in april werd gesloten door D66, GroenLinks, ChristenUnie, VVD en CDA werd door velen gezien als een hoopvol teken. Er klonken juichende reacties in de media: eindelijk bleken politieke partijen bereid ‘over hun eigen schaduw heen te springen’. Opeens waren de hypotheekrenteaftrek, de AOW-leeftijd en het ontslagrecht geen heilige huisjes meer. De euforie was van korte duur. Toen verschillende van de betrokken partijen bekendmaakten dat ze de voorgenomen ‘forensentaks’ bij nader inzien toch wilden verzachten omdat die maatregel wel héél hard bleek uit te pakken voor de reiziger, riepen de andere partijen en politieke commentatoren in koor dat de Lentepartijen alweer aan het ‘draaien’ waren. Zo is de campagnetruc van Jack de Vries zijn eigen leven gaan leiden, en wordt voortschrijdend inzicht in de politiek bijna onmogelijk gemaakt.

Volgens Kathleen Ferrier, die zelf heeft geworsteld met haar principes en haar loyaliteit aan het CDA, wordt de Nederlandse politiek te veel bepaald door partijbelangen. ‘Daardoor worden de tegenstellingen tussen partijen opgeklopt. En door de fractiediscipline is er weinig ruimte voor authenticiteit. Het is de vraag of het partijpolitieke bestel nog wel past bij deze tijd.’

Phil Nijhuis/ANP Phil Nijhuis/ANP

5. Politici zijn ijdeltuiten

Wie hun voortdurende getwitter volgt, kan zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat Haagse politici met name bezig zijn zichzelf in de kijker te spelen. Onderzoek van de Nederlandse Nieuwsmonitor laat zien dat een select gezelschap van steeds dezelfde politici daarin ook slaagt. Uiteraard is premier Mark Rut te prominent aanwezig in de statistieken, op de voet gevolgd door PVV-leider Geert Wilders: zij doken de afgelopen kabinetsperiode het vaakst op in het NOS Journaal en de landelijke kranten. In talkshows en actualiteitenrubrieken zien we eenzelfde clubje van prominente bewindslieden en Kamerleden steeds terug. Zo draafde PvdA-Kamerlid Frans Timmermans, met twaalf keer, het vaakst op bij Pauw & Witteman; SP-voorman Emile Roemer, D66-leider Alexander Pechtold en CDA-minister Henk Bleker schoven maar liefst tien keer aan.

Maar uit het Nieuwsmonitor-onderzoek blijkt ook dat de meeste Kamerleden in betrekkelijke anonimiteit hun werk doen. Zo haalden honderdveertien van de honderdvijftig nooit het achtuurjournaal, of werden daar slechts één keer genoemd. Sommige Kamerleden houden dat graag zo: er zijn er zelfs die met geen stok tot een televisieoptreden te bewegen zijn, zoals SP’er Jan de Wit en vertrekkend VVD-nestor Willibrord van Beek. Toch dwingt de pikorde in de fracties en het samenstellen van de kieslijst ook de schuwste Kamerleden zich – als het even kan – in de media te presenteren, bevestigen de vertrekkende parlementariërs. ‘In mijn tijd kon je je eerst vier jaar rustig inwerken,’ zegt Van Beek, ‘maar nu de kabinetten elkaar in rap tempo opvolgen, moet je als Kamerlid snel wat laten zien.’

Gewezen PvdA’er Jeroen de Lange vermoedt dat hij zich in zijn vier maanden als parlementariër kennelijk onvoldoende gemanifesteerd heeft. ‘Uiteindelijk zit je in de Kamer toch met honderdvijftig zzp’ers bij elkaar, iedereen probeert hogerop en in beeld te komen. Ik was nog bezig journalisten te leren kennen.’ Zijn partijgenoot Eeke van der Veen: ‘Ik ken genoeg collega’s in de Kamer die hun lage plek op de lijst wijten aan het feit dat ze weinig publicitair gescoord hebben en daar heel gefrustreerd over zijn.’ Voor vertrekkend PVV-Kamerleden geldt dat precies andersom: die zijn gefrustreerd omdat ze niet in de media mochten verschijnen. ‘Als ik door de media werd benaderd, moest ik toestemming vragen aan het Politbureau,’ zegt Wim Kortenoeven. ‘En wie dat niet deed, werd als een schooljongetje door Juf Agema terechtgewezen.’

Of ze het nu leuk vinden of niet, Kamerleden ontkomen er niet aan de publiciteit te zoeken. Hoe erg is die profileringsdrift eigenlijk? Dat politici in de rij staan om bij het vragenuur commentaar te leveren op de laatste misstand uit De Telegraaf maakt ze gevoelig voor het verwijt dat ze zich alleen met de waan van de dag bezighouden. Toch brengt het de politiek misschien wel dichter bij de burger. Als er grote maatschappelijke opwinding is over het bericht dat de politie ‘filefuiken’ organiseert, mag een Kamerlid daar dan geen vragen over stellen? Het publiek eist assertiviteit, absolute transparantie en liefst ook nog een vleugje menselijkheid. Maar als politici die al te veel etaleren, is het weer niet goed. ‘Daar moet je tegen kunnen,’ zegt Charlie Aptroot, die zelf altijd graag voor de camera verscheen. ‘De publiciteit halen hoort bij het vak. Als je iets goeds in de winkel legt en je praat er niet over, verkoop je natuurlijk niets.’

Rein van Zanen/Novum Rein van Zanen/Novum

6. Politici hebben te weinig daadkracht

Ook over de grens van de politieke samenwerking tussen de fracties van VVD, PVV en CDA heen streeft het kabinet naar draagvlak voor daadkrachtig beleid,’ schreven de coalitiepartijen in het regeerakkoord. Al snel bleek dat van de daadkracht meer werk werd gemaakt dan van het draagvlak. Vooral vanuit het ministerie van Justitie regende het plannetjes waarbij de adviezen van de Raad van State werden genegeerd (zie boven), maar Paul de Krom, VVD-staatssecretaris van Sociale Zaken, kon er ook wat van. Bij de voorbereiding van zijn Wet werken naar vermogen, de grootste hervorming van het kabinet, weigerde hij advies te vragen aan de Sociaal-Economische Raad: daar had hij absoluut geen tijd voor. Intussen joeg staatssecretaris Henk Bleker de natuurbeweging tegen zich in het harnas door ferme taal over bezuinigingen op de ‘elitenatuur’. Het was premier Mark Rutte zelf die zijn ministersploeg aanspoorde vooral vaart te maken.

Dat streven was een direct antwoord op de veelgehoorde klacht onder kiezers dat politici te weinig daadkracht vertonen: ook uit de SCP-rapport komt dat verwijt keer op keer naar voren. Maar van het daadkrachtige beleid van Rutte en zijn team kwam weinig terecht. Binnen anderhalf jaar viel het kabinet, en vrijwel alle plannen – van boerkaverbod tot de Wet werken naar vermogen – verdwenen in de prullenmand. ‘Zonder draagvlak gaat het niet,’ analyseerde een ervaren deelnemer aan het Haagse advies- en overlegcircuit laatst in Vrij Nederland. ‘Als je daar maling aan hebt, wek je enorme weerstand. Dan ben je dom bezig.’ Oud-SER-voorzitter Herman Wijffels betoogde onlangs ook in Vrij Nederland dat de roep om daadkracht op gespannen voet staat met het wezen van de Nederlandse politieke cultuur: ‘De Haagse politiek heeft het niet in haar eentje voor het zeggen. Die overtuiging zit diep in het DNA van het Nederlandse volk. Het gaat erom dat je in samenspraak tot de goede beslissingen komt.’

Conclusie: de Nederlandse politiek heeft de afgelopen jaren eerder last gehad van te veel dan van te weinig daadkracht. Het wachten is op politici met voldoende gezag om de boze burger daar weer van te overtuigen.

'De politiek is een veel lastiger speelveld dan het bedrijfsleven'

7. Politici hebben te weinig visie

Volgens het SCP hebben opvallend veel burgers het idee dat politici te weinig visie hebben op de toekomst. Maar voor wie zou die kritiek gelden? Ger Koopmans van het CDA kan met dat verwijt moeilijk uit de voeten. ‘Er wordt wel vaker gezegd dat de Kamer zich meer met hoofdlijnen moet bezighouden, maar dan kom je al snel in eindeloze debatten vol algemeenheden terecht. Kamerleden moeten zich juist bezighouden met concrete kwesties. Als veehouders door verkeerde wetgeving in de problemen komen, hebben ze er niets aan als ik over mijn visie begin. Dan gaat het om het aanpassen van artikel 37, lid 2 sub b. Dat de Kamer zich meer met hoofdlijnen moet bezighouden, is kletskoek. Daar zijn verkiezingsprogramma’s voor.’

Het verwijt van visieloosheid lijkt in ieder geval niet op te gaan voor de kleinere oppositiepartijen. Sterker nog: die hebben zo veel visie op de toekomst dat hen door de gevestigde partijen juist gebrek aan realisme wordt aangewreven. De SP streeft naar een sociale samenleving met een sterke verzorgingsstaat, D66 naar de Verenigde Staten van Europa, GroenLinks naar een groene toekomst, de Partij voor de Dieren naar het welzijn van alle levende have en de SGP naar Gods Koninkrijk op aarde. Ook PvdA en CDA doen de laatste tijd hun best. Onder Diederik Samsom en Hans Spekman proberen de sociaal-democraten hun oude idealen nieuw leven in te blazen. En het CDA is driftig bezig zich te ‘herbronnen’: het rapport van het Strategisch Beraad staat vol wollige teksten over de toekomst.

Dirk Hol/Novum Dirk Hol/Novum

Op papier is die visie best te vinden. Het verwijt van visieloosheid lijkt vooral voort te komen uit een gebrek aan geloofwaardigheid. En daar hebben PvdA en CDA als gevestigde middenpartijen het meeste last van. De sociaal- en de christen-democraten worden ook het meest achtervolgd door de andere verwijten van de boze burger: zij zijn het die voor zakkenvullers, baantjesjagers en incapabele draaikonten worden uitgemaakt. Eigenlijk is het geen wonder: de woede van de burger richt zich bij uitstek op de bestuurderspartijen die het de afgelopen decennia voor het zeggen hebben gehad. Alleen de VVD, die in diezelfde periode vrijwel onafgebroken heeft meegeregeerd, weet de dans te ontspringen. Na het kosmopolitische verkiezingsprogramma van 2006 (‘Voor een samenleving met ambitie’) en een kortstondige flirt van beginnend partijleider Mark Rutte met duurzaamheid (‘Groen Rechts’) heeft de partij gekozen voor een onversneden rechts-populistische koers: hard rijden, minder immigranten, weg met de regels, de belastingdruk omlaag. Groots en meeslepend kun je het niet noemen, maar effectief is het wel: zo werd de VVD in 2010 de grootste partij, en in september misschien weer. Althans: als de zege niet gaat naar de SP, die bezig is met een schijnbaar onstuitbare opmars.

Conclusie: de politiek laat de afgelopen paar jaar juist een herideologisering zien. De verschillen tussen links en rechts, sociaal en liberaal, conservatief en progressief, zijn duidelijker dan ze in jaren zijn geweest: eindelijk is er weer wat te kiezen.

23-08-2012


Over Thijs Broer

Thijs Broer (1970) schrijft sinds 1997 voor Vrij Nederland. Religie en ethische kwesties waren tot januari 2006 zijn terrein, waarna hij politiek redacteur werd.

Over Sophie Derkzen

Sophie Derkzen (1984) is sinds 2010 redacteur bij Vrij Nederland. Ze haalde cum laude haar master Geschiedenis van Politiek Debat aan de Universiteit Leiden en voltooide ook de master Journalistiek en Nieuwe Media. Eerder was ze kamermeisje in een Duits kasteelhotel, volgde ze een semester aan de Sorbonne in Parijs en behaalde ze haar bachelor Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Tussendoor zat ze twee jaar op de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie.

Meer van Thijs Broer, Sophie Derkzen

Meest gelezen artikelen

Volg ons