VN MediagidsMediaprofessor Siva Vaidyanathan: 'Google is een religie'
Heilig geloof in Google is gevaarlijk, vindt mediaprofessor Siva Vaidhyanathan. Overheden moeten hun verantwoordelijkheid nemen.
Het was eind jaren tachtig en Siva Vaidhyanathan (1966) hoorde zijn studiegenoten bevlogen praten over pc’s die in een netwerk met elkaar in contact stonden en computerprogramma’s waarmee berichten konden worden verstuurd. Ze voorzagen een wereld waarin elke computer met elke andere kon praten en informatie voor iedereen toegankelijk was. Het democratische ideaal van de geïnformeerde en betrokken burger was nabij, mijmerden ze, dankzij de technologische revolutie die zich in de labs van de elite-universiteiten van de Verenigde Staten en een enkel onderzoekscentrum in Europa voltrok.
Vaidhyanathan was sceptisch over de idealistische vergezichten van zijn nerderige vrienden. Want hij wist: in the US it always takes a company. En wat konden bedrijven met deze vage beloften van e-mail en genetwerkte computers? Dit was het tijdperk-Reagan. Als je geen bedrijf aan je zijde had, kreeg je niets gedaan. Bovendien: ‘Net als iedere andere jonge Amerikaan, was ik opgegroeid met het idee dat mijn land tot de dood met de Sovjet-Unie zou strijden. Dát was onze toekomst.’
Maar toen kwam het revolutiejaar 1989. ‘Verkiezingen in Brazilië, Solidarnosc in Polen, het studentenprotest op het Tiananmenplein, de fluwelen revolutie in Tsjechoslowakije en de val van de Berlijnse Muur: opeens was glashelder dat ongeplande, collaboratieve revolutie van onderop wel mogelijk was. Ik begon te geloven in the power of the people en in de belofte van het internet. Hoe meer mensen er bij het internet betrokken waren, hoe rechtvaardiger de wereld zou zijn. Gewone burgers zouden de machtscentra van de overheid en het bedrijfsleven online kunnen omzeilen en betere discussies voeren, betere politiek bedrijven en beter consumentengedrag vertonen.’
Twintig jaar later doet Siva Vaidhyanathan het af als ‘jeugdig en naïef idealisme’. ‘Het internet zou het dagelijkse leven verbeteren en ons rijker en gelukkiger maken. Dat is waar gebleken voor maar een heel klein deel van de wereld, namelijk voor de technokosmopolitische elite, de mensen die elke dag snel internet gebruiken en met smart phones rondlopen. Aan de overige miljarden mensen is de revolutie grotendeels voorbijgegaan.’
Alwetend, almachtig, goedaardig
Half november was de nu drieënveertigjarige professor Media Studies and Law aan de Universiteit van Virginia op bezoek in Amsterdam, als een van de hoofdsprekers op het symposium The Society of the Query (de opzoekmaatschappij), waar wetenschappers en denkers de rol van zoekmachines binnen onze cultuur bediscussieerden. In de Verenigde Staten is Vaidhyanathan een belangrijke stem in discussies over het internet. Naast zijn wetenschappelijke publicaties schrijft hij met regelmaat voor The New York Times, The Nation, en progressief-intellectuele websites als salon.com en opendemocracy.net. En na twee invloedrijke boeken over intellectueel eigendom in het digitale tijdperk, zal in 2010 zijn volgende boek, The Googlization of Everything, verschijnen. De titel verraadt het onderwerp: Vaidhyanathan bevraagt in het boek systematisch de invloed van zoekmachine Google. Die reikt volgens hem ver, van de wijze waarop mensen hun mening vormen tot de betekenis van ‘kennis’ in het algemeen. Het boek is, zegt hij, geen aanklacht tegen Google, maar een waarschuwing tegen het blinde geloof in het bedrijf. De aanleiding voor het boek, legt hij uit, is het Google Book Search-project: in 2004 maakte Google bekend miljoenen boeken uit bibliotheken te zullen inscannen en online beschikbaar en doorzoekbaar te willen maken.
Vaidhyanathan: ‘Daarmee zei Google feitelijk: wij willen de hoofdbibliothecaris van de wereld worden. Wij kunnen deze kennis beter beheren dan welke bibliotheek en universiteit dan ook. Dat is arrogant en overmoedig. Een bedrijf dat zegt: vertrouw ons eeuwenoude, publieke kennis toe, moet je bij voorbaat wantrouwen. Google presenteert zichzelf als een Opperwezen. Alwetend, almachtig, alomtegenwoordig en goedaardig. Dat mag, maar wat ik eng vind, is dat mensen ook over Google praten alsof het een magische, goddelijke aanwezigheid in hun leven is. “Google maakt mijn leven beter.” “Google gidst me naar de waarheid.”
“Ik vertrouw Google want Google doet geen kwaad.” “Ik kan me geen leven voorstellen zonder Google.” Dat kritiekloze en blinde vertrouwen is gevaarlijk.’
Technologisch utopisten
Volgens Vaidhyanathan is dit blinde vertrouwen ingebed in wijdverbreide opvattingen over de rol die technologie speelt in een samenleving. ‘Aan technologieën worden vaak revolutionaire en magische krachten toegedicht. De rellen in Iran? Veroorzaakt door Twitter. De Verlichting? Het directe resultaat van de uitvinding van de drukpers. De verleiding is groot om een simpele verbinding te maken tussen belangrijke gebeurtenissen en nieuwe technologieën. Maar verandering is niet altijd vooruitgang. En niet elk voorbeeld van vooruitgang is het gevolg van technologie. Wij mensen, onze cultuur en gebruiken, spelen nog altijd de grootste rol. We gebruiken de technologie als instrument om de wereld te veranderen. Niet andersom, alsof technologie een zelfhandelende, autonome kracht is.’
Een te groot geloof in de techniek kan verregaande gevolgen hebben, zegt Vaidhyanathan: ‘Neem de oorlog in Irak. Bush beloofde dat wij het land binnen vierentwintig maanden zouden verlaten, want dan zou alles onder controle zijn. Hoe dat kon? Door de technologie. Met een kleine krijgsmacht, maar met hypermoderne nachtkijkers, gevoelige radars en de nieuwste wapens: ze zouden in Irak overdonderd worden door onze technologische suprematie. Het tegenovergestelde is gebeurd. Irakezen zagen Amerikaanse soldaten met zonnebrillen op tanks door de straten van Bagdad rijden en zeiden: zo willen wij niet leven. Nu zitten er 50.000 troepen, vanwege de denkfout dat technologie menselijke problemen kan oplossen.
Je ziet dat ook terug in de hele discussie over de opwarming van de aarde. Technologie en innovatie zullen de problemen oplossen, hoor je vaak. Zolang we maar in de technologie investeren, kan ik in mijn grote auto blijven rijden, mijn sappige biefstuk blijven eten en mijn leuke leven blijven leven. Dat zijn valse beloften. Als je de wereld wilt redden, moet je offers brengen, punt uit.’
Vaidhyanathan legt uit dat in de Verenigde Staten debatten over de toekomst gedomineerd worden door technologisch utopisten (‘dat zijn mensen die denken dat als je een machine in de kamer zet, alles in positieve zin zal veranderen’). ‘Zij zijn dwingend en zeggen te weten hoe de technologische toekomst eruit gaat zien. Alsof we geen keuze hebben. Ze brengen hun boodschap op een haast religieuze wijze. “Niets zal de opmars van de technologie stoppen!” “Een betere toekomst is nabij.” Let wel: deze mensen hebben veel macht. Hun toekomstvoorspellingen worden serieus genomen. Ik maak me daar zorgen over.’
Waarom maakt u zich zorgen?
‘Hun ideeën zijn van invloed op de manier waarop wij de wereld inrichten. Het is nu eenmaal angstaanjagend om in een wereld te leven waarvan de toekomst totaal onvoorspelbaar is. Dan is het aantrekkelijk om je door de technologie bij de hand te laten nemen en niet te veel vragen te stellen. In het geval van Google maken we ons steeds afhankelijker van één bedrijf dat, in tegenstelling tot wat wij denken, niet ons, maar haar aandeelhouders dient. Wij staan één bedrijf dat pas elf jaar bestaat toe om ons te vertellen wat waar, goed en mooi is. En wij vinden dat dit bedrijf dat zo goed doet dat steeds meer mensen het gaan gebruiken, alternatieven nauwelijks gezien worden en kritische vragen niet gesteld. Google is een religie. Ben je op zoek naar wijsheid? Gebruik Google. Wil je de wereld begrijpen? Kijk door de lens van Google. Google is de oplossing voor elk probleem, zo lijkt het. Google belooft in haar mission statement “alle informatie te organiseren en universeel toegankelijk te maken” en wij trappen daar allemaal in.’
Hoe bedoelt u dat?
‘We geven steeds meer privégegevens aan Google alsof het niets is. De zoekresultaten van Google worden steeds persoonlijker en steeds meer plaatsgebonden. Als jij zoekt naar schoenen dan rekent Google uit waar je bent, wie je bent, waar je eerder naar zocht, vergelijkt dat met het zoekgedrag van andere gebruikers en geeft je dan een lijst resultaten. En advertenties natuurlijk. De resultaten van Google zijn niet objectief, maar bevooroordeeld. Iemand die in Zuid-Afrika zoekt naar hiv krijgt andere resultaten dan in Amsterdam. Dat is niet organiseren, dat is filteren en selecteren. Zo’n mission statement is ook arrogant en ongepast. Het is niet Googles informatie, het is de onze. Het is niet hun taak. Wij moeten zelf de voorwaarden bepalen. Wie informatie beheert en op welke manier, dat is aan ons. Wij hebben er toch niet om gevraagd?’
We hebben ook niet gevraagd aan Apple om de iPhone te ontwikkelen of aan Coca-Cola om cola. Daar worden ook veel mensen blij van.
‘Klopt, maar Apple zegt: wij maken hoogwaardige en mooie apparaten. Coca-Cola zegt: wij brouwen lekkere priklimonade. En dat doen ze ook. Google belooft informatie te organiseren, maar doet in essentie iets anders: het is namelijk een advertentiebedrijf! Wij zijn geen gebruikers van Google, wij zijn haar producten. Als in Googles mission statement had gestaan: wij leveren advertenties aan mensen gebaseerd op hun zoekgedrag op internet, dan had het geklopt. Nu straalt het uit: wij willen het menselijk gedrag en de menselijke geschiedenis managen. Dat laten we toch niet aan een elfjarige over?’
Waarom zijn zo weinig mensen kritisch over Google?
‘Omdat we Google niet betalen. Hoe kun je klagen dat Gmail het vier uur niet doet, als je er niet voor hebt betaald ? Alles wat we van Google krijgen, en dat wordt met de dag meer, beschouwen we als een cadeau. En je klaagt niet over cadeaus, zelfs als je een lelijk cadeau krijgt zeg je netjes dankjewel. Wij moeten ons gaan realiseren dat Google ons verkoopt aan adverteerders en dat we dus wel kritisch mogen, en zelfs móéten zijn. Maar ik denk dat het gaat komen. Mensen beginnen zich te realiseren dat Google naast oplossingen, ook problemen veroorzaakt.’
U ziet een kentering?
‘Ja, Google gaat zich meer en meer met de echte wereld bemoeien. Neem het Book Search-project. Daar worden veel mensen ongemakkelijk van. Schrijvers en uitgevers vooral. Maar ook Google Street View, waarbij het mogelijk is om op je computer steden op straatniveau te bekijken. Dat heeft heel veel mensen doen schrikken. Wat doen ze nu? Wil Google ook de echte wereld gaan organiseren? Dit is niet waar we mee akkoord zijn gegaan. We zijn akkoord gegaan met het idee dat Google het world wide web organiseert, mij naar een website leidt, me vertelt hoe ik een woord moet spellen. Maar nu rijden er auto’s van Google door de straten van Amsterdam en maken foto’s van mensen die op de Wallen lopen. Is dat wat wij willen? Street View heeft Google ons leven binnengeleid op een manier die we nog niet kenden. Google overstepped its welcome. Er waren demonstraties in Engeland, de overheid protesteerde in Duitsland, de Griekse overheid heeft het verbannen, de Zwitserse overheid heeft Google aangeklaagd. Google heeft duidelijk de gevoeligheid ervan en de manier waarop mensen omgaan met de publieke ruimte niet goed ingeschat.’
Met welk resultaat?
‘Het heeft Google geconfronteerd met het feit dat zij niet op elk moment kunnen doen wat zij willen. Ik hoop dat de discussies en de argumenten over Book Search en Street View als gevolg hebben dat mensen Google beter en slimmer gaan gebruiken.’
Het lijkt alsof het mensen toch niet zoveel kan schelen: het marktaandeel van Google blijft groeien.
‘Een van de beste dingen die kan gebeuren, is niet dat mensen Google niet meer gebruiken, maar naar hun overheid stappen en vragen: waarom maken jullie geen wet die dit verbiedt? In het geval van Street View kan ik me dat best voorstellen. Waarom moet Google niet bij elke foto nagaan of er geen vervelende dingen op staan? Mannen die naar de hoeren gaan bijvoorbeeld? Ja, dat is een enorm karwei, maar Google is degene die er geld mee verdient! Ik denk dat we van onze overheden moeten eisen Google te reguleren waar mogelijk.’
Op welke andere gebieden is dat mogelijk?
‘De manier waarop Google data verzamelt en opslaat, dat is prioriteit nummer één. Verder moeten er zoek- en kwaliteitsstandaarden komen. Er moet een expliciete standaard zijn waaruit blijkt wat het verschil is tussen betaalde advertenties en de gewone resultaten. Bij Google staan de advertenties in een kolom rechts in een andere kleur en de gewone resultaten staan in het midden, dus je ziet het wel. Maar wist je dat uit onderzoek blijkt dat de meeste gebruikers dit onderscheid niet kennen? Dit onderscheid heeft Google overigens zelf bedacht. In geen enkele wet staat dat een zoekbedrijf de resultaten van zoektermen niet mag vermengen met advertenties. Volgens sommigen is dat een bewijs van de goedheid van Google. Voor mij betekent het dat, als Google wil, het morgen tegen de adverteerders kan zeggen: als je iets meer betaalt, dan kom je terecht in de zoekresultaten. Daar kunnen wij helemaal niets aan doen.’
Google heeft meerdere keren gezegd dat nooit te zullen doen.
‘Een van de redenen dat Google zo snel populair is geworden, is omdat het de enige zoekmachine was die expliciet beloofde dat niet te doen. Het gaat mij er om dat de garanties die Google nu biedt, geen garanties zijn voor de toekomst. En daarom is het gevaarlijk zoveel vertrouwen en macht te geven aan een bedrijf.’
Het is voor Google essentieel om netjes met gegevens en commercie om te gaan, anders lopen gebruikers weg.
‘Dat is het hem juist! Stel dat Google op welke manier dan ook van zijn voetstuk valt: wat blijft er dan over? Waarom zou Google dan goed blijven doen? Waarom zou het dan nog zuiver omgaan met onze gegevens? Google zal er misschien over tien jaar niet meer zijn omdat er een betere concurrent komt. Of er komen andere mensen aan de macht bij het bedrijf, die er heel andere ideeën op nahouden. Informatie is zo belangrijk voor ons, essentieel voor het leven van goede levens, voor burgerschap en democratie. Daar hebben we duurzame standaarden voor nodig. Erop vertrouwen dat Google dat doet en zal blijven doen, is stom en naïef.’
Harde vloek in de kerk
Dat laat onverlet, zegt Vaidhyanthan, dat de tijd erom vraagt dat alle informatie waarover we beschikken goed georganiseerd wordt. ‘De veranderende wereldeconomie, de voortschrijdende technologie en de afnemende rol van traditionele instituties zetten allemaal een enorme druk op de publieke sfeer – de non-politieke, non-commerciële plek, waar het publiek informatie met elkaar uitwisselt.’ Die publieke sfeer, legt hij uit, wordt gevoed door informatie van hoge kwaliteit, onder andere van kranten en boeken. En de levensvatbaarheid van kranten- en boekenuitgevers wereldwijd staat onder druk. ‘Het algemene gezondheidspeil van de publieke sfeer neemt af,’ waarschuwt hij.
Internet vormt in potentie de perfecte levensader voor een gezonde publieke sfeer, zegt Vaidhyanathan. ‘We hebben eindelijk een technologie in handen om kennis wereldwijd te verspreiden. Maar die technologie wordt verre van goed benut. Overheden hebben een kans gemist. En Google is in dat gat gesprongen. Omdat het zo goed doet wat het doet, heeft het idee postgevat dat het allemaal prima geregeld is. En dat heeft het idee verdrongen dat informatie en kennis publieke goederen zijn en ook als zodanig moeten worden benaderd.’
Maar hoe moet het dan wel? Als vertrouwen op Google als curator, gids en bewaker van informatie en kennis een verkeerde keuze en een te groot risico is, wat is dan het alternatief?
Siva Vaidhyanathan heeft een oplossing, een harde vloek in de kerk van de libertaire, marktminnende internetapostelen: een gezamenlijk project van overheden van over de hele wereld om alle kennis en informatie te digitaliseren en beschikbaar te stellen voor iedereen. The Human Knowledge-project, noemt hij het. ‘Als we het zo belangrijk vinden om een publiek goed als informatie universeel toegankelijk en beschikbaar te maken – zie het mission statement van Google – dan moeten we dat toch publiekelijk bespreken en betalen? Waar gaat politiek over? Over een juiste verdeling van publieke goederen. De politiek zal dus het voortouw moeten nemen.’
Vaidhyanathan wil ze daar graag bij helpen, en is van plan om de komende tijd met een select gezelschap van ‘visionairen’ te praten over hoe zo’n plan uit te voeren. Daar zullen vooral vragen aan de orde komen waar Google aan voorbijraast. ‘Bijvoorbeeld: hoe zorgen we ervoor dat zo’n systeem de kennisachterstand van een kind uit Afrika terugbrengt? Of: hoe maken we een systeem waarbij de geleverde informatie zo objectief mogelijk is? Hoe waarborgen we de privacy? Welke normen zijn universeel en welke verschillen per land? Welke kennis is veranderlijk en welke niet?’ Ja, geeft hij toe, het klinkt misschien wat naïef en onrealistisch. Maar deze vragen moeten gesteld worden, vindt hij. Er moet discussie zijn over de manier waarop wij willen dat informatie voor ons georganiseerd wordt. ‘Stap één is de doelen vinden waarover we het eens zijn. Stap twee is bedenken welke middelen daarvoor nodig zijn. Google redeneert andersom, en zegt: wij hebben dit doel en dit zijn de middelen.’
U wilt een systeem waarbij digitale kennis en informatie universeel toegankelijk zijn. Gaat dat wel lukken zonder Google, de ‘eigenaar van het internet’?
‘Google is een belangrijke motivatie voor dit project en Google zal ook uitgenodigd worden om mee te denken. Zolang het zich maar aan de afspraken en voorwaarden houdt. Het gaat erom een beter alternatief te hebben, zeker als Google er straks niet meer is. Dus het is prima als Google meedoet, maar niet noodzakelijk.’
U vindt dat overheden het voortouw moeten nemen in het ‘Human Knowledge-project’. Maar overheden hebben ook belangen. Kleven daar geen risico’s aan?
‘Wij kunnen overheden aanspreken op hun verantwoordelijkheden. Dat kunnen we Google niet. Google draagt geen publieke verantwoordelijkheid.’
Universele informatie voor iedereen, meer democratie, meer gelijkheid: dat doet denken aan de idealen van de mensen die twintig jaar geleden aan de wieg van het internet stonden.
‘Ja, maar er is een belangrijk verschil. Zij dachten dat de gebruikers het zelf allemaal zouden doen, zonder hulp van de overheid. Zij geloofden in the power of the people. Na twintig jaar mag je concluderen dat macht, ook op het internet, een doorslaggevende rol speelt. Niet of the people, maar van een bedrijf. Van Google.’ n
Volg de totstandkoming van Vaidhyanathans boek ‘The Googlization of Everything’ op
www.googlizationofeverything.com
