VN MediagidsWie had het over Sobibor?

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Justitie / demjanjuk 25.11.2009

Door Margalith Kleijwegt

Binnenkort begint het tweede proces tegen kampbewaker John Demjanjuk. Vrij Nederland-redacteur Margalith Kleijwegt, wier grootvader in Sobibor omkwam, sprak met nabestaanden die medeaanklagers zijn.

Jetje Manheim reist volgende week naar München. In haar rol als voorzitter van de Stichting Sobibor zal ze vanaf maandag 30 november het proces tegen John Demjanjuk bijwonen. Deze negenentachtigjarige Oekraïener wordt ervan verdacht tijdens de Tweede Wereldoorlog bewaker te zijn geweest in het Duitse vernietigingskamp Sobibor in Polen, nu alleen nog een klein plaatsje vlak bij de grens met Oekraïne. Bijna alle Nederlandse joden hebben een familielid dat in Sobibor werd omgebracht. Een oom of een tante, een grootvader of moeder. Sobibor was een gigantische vernietigingsmachine: er vielen 170.000 doden, van wie ruim 33.000 Nederlandse joden.

Demjanjuk in zijn cel in Israël, een maand voor dat hij werd vrijgesproken in 1993
Demjanjuk in zijn cel in Israël, een maand voor dat hij werd vrijgesproken in 1993



Eerder, in 1987, werd Demjanjuk ervan verdacht 'Iwan de Verschrikkelijke' te zijn, 'de beul van Treblinka'. Hij werd vanuit Cleveland, waar hij sinds 1952 woonde, uitgeleverd aan Israël, waar hij in Jeruzalem terechtstond.

Demjanjuk (geboren op 3 april 1920 in Oekraïne) werd tijdens de Tweede Wereldoorlog krijgsgevangen gemaakt. Hij zou naar Trawniki zijn gestuurd, een kamp in Polen waar hij werd opgeleid tot kampbewaker. Aangenomen wordt dat hij in verschillende concentratiekampen heeft gewerkt en dat hij na de oorlog als thuisloze Europese vluchteling naar Amerika is geëmigreerd.

Zijn eigen verhaal is dat hij tijdens de oorlog met de Russen heeft gevochten, tot hij door de Duitsers tot krijgsgevangene werd gemaakt. Volgens zijn zeggen diende hij de laatste dagen van de oorlog in het leger van generaal Andreij Vlassov die zij aan zij met de Duitsers tegen het Rode Leger vocht. Na de oorlog emigreerde Demjanjuk naar de Verenigde Staten. Tegen de Amerikaanse autoriteiten loog hij over zijn verblijfplaats tijdens de oorlog. Hij beweerde dat hij in die tijd boer was in Sobibor. Een leugentje om bestwil, verklaarde hij later. Hij wilde niet worden teruggestuurd naar Rusland uit angst te worden geëxecuteerd. Vanaf 1953 leidde hij met zijn vrouw en drie kinderen een betrekkelijk onbezorgd bestaan in Cleveland, waar hij jarenlang bij de Fordfabriek werkte.

Opgeleid tot kampbewaker
Tijdens het eerste proces in Israël in 1987 was Demjanjuk met zijn zevenenzestig jaar bepaald niet piepjong. Elke dag zat hij daar, vaak iets naar voren gebogen, meestal met een grijns op zijn gezicht om de rechters wat milder te stemmen. Ik was bij dat proces aanwezig, als verslaggever. Demjanjuk toonde geen spoor van emotie. Hij wilde graag kwijt dat het leven in Oekraïne voor de Tweede Wereldoorlog heel arm was. De familie Demjanjuk, vertelde hij, at uit arren moede hun eigen poes op. Zijn toen eenentwintigjarige zoon John jr. was iedere dag aanwezig. Net als zijn twee dochters en zijn vrouw.

Er waren overlevenden van de concentratiekampen, hun getuigenissen waren hartverscheurend. Ze wisten zo zeker dat de man in het beklaagdenbankje Iwan de Verschrikkelijke uit Treblinka was, dat ze het niet wilden en konden opbrengen om te twijfelen aan zijn schuld. Andere aanwezigen deden dat wel. Toen al zoemde het gerucht in de rechtbank dat Demjanjuk als bewaker in Sobibor had gediend en dat hij hoogstwaarschijnlijk niet in Treblinka was geweest. De identiteitskaart uit Trawniki die centraal stond tijdens dat proces, bewees dat hij was opgeleid tot kampbewaker; er stond ook op dat hij op 27 maart 1943 naar Sobibor was gestuurd.

Het proces duurde anderhalf jaar en Demjanjuk werd door de Israëlische rechtbank in april 1988 ter dood veroordeeld. Zelf hield hij vol onschuldig te zijn; de overlevenden van Treblinka die zeiden dat ze hem als Iwan de Verschrikkelijke herkenden, zouden het bij het verkeerde eind hebben. Dat was ook zo, bleek in 1993 toen hij in hoger beroep werd vrijgesproken. In de KGB-archieven was aanvullend bewijsmateriaal gevonden waaruit kon worden opgemaakt dat hij niet Iwan de Verschrikkelijke was.

Op de plaats van het voormalige kamp Sobibor bevindt zich nu de Laan der Herinnering, een bospad met aan weerszijden stenen ter nagedachtenis aan de kampslachtoffers
Op de plaats van het voormalige kamp Sobibor bevindt zich nu de Laan der Herinnering, een bospad met aan weerszijden stenen ter nagedachtenis aan de kampslachtoffers

Maar het Trawniki-document waaruit bleek dat hij als kampbewaker was opgeleid, bleef hem achtervolgen.

Demjanjuk keerde terug naar de Verenigde Staten, die hem inmiddels liever kwijt dan rijk waren. In 2002 concludeerde een federaal hof van beroep in Ohio dat Demjanjuk wel degelijk kampbewaker was geweest. In dat andere gruwelijke kamp: Sobibor. Dit voorjaar werd hij uitgeleverd aan Duitsland, sindsdien verblijft hij in de gevangenis van München.

Mijn grootvader
Jules Schelvis (88) is de enige Nederlandse overlevende die als getuige zal optreden in München.
Schelvis verbleef maar even in Sobibor en werd van daaruit met tachtig andere mannen naar het werkkamp Dorohucza gestuurd. Daar hoorde hij pas wat zich in Sobibor afspeelde. Toen besefte hij dat hij het noodlot was ontlopen, maar dat zijn vrouw en schoonouders hoogstwaarschijnlijk waren vergast.

Schelvis overleefde zeven concentratiekampen, bouwde na de oorlog weer een leven op en houdt sinds zijn pensionering lezingen over zijn ervaringen in de oorlog. Hij schreef het indrukwekkende boek Vernietigingskamp Sobibor; vorig jaar ontving hij daarvoor een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam. Behalve een reconstructie van wat zich in Sobibor afspeelde, heeft Schelvis in zijn boek ook heel nauwkeurig de transporten geregistreerd die vanuit Westerbork naar Sobibor vertrokken.

Van alle joden die mee moesten, heeft hij de naam en de geboortedatum gepubliceerd. Op alfabetische volgorde. Ook mijn grootvader staat ertussen: Hartog Rosenfeld, de vader van Netty Rosenfeld, mijn moeder, zat op 29 juni 1943 in een van de laatste treinen naar dit vernietigingskamp. Zijn naam in die eindeloze rij is het enige tastbare aandenken dat ik aan mijn grootvader heb. Hij staat tussen Marianne Rosenboom die twaalf jaar jonger was dan hij en de twee jaar oudere Sara Rosenstein. Hartog Rosenfeld was vijfenzestig jaar toen hij naar het concentratiekamp werd afgevoerd. In het boek van Schelvis staat dat ouderen en invaliden de gaskamers, die op gewone uitlaatgassen van motoren van Russische tanks liepen en niet op Zyklon B, niet eens haalden. Zij werden na aankomst meteen apart genomen en door een Oekraïens executiepeloton doodgeschoten. Viel mijn grootvader onder de categorie oud? Moet ik daarop hopen?

Sporen gewist
Sobibor was onderdeel van de operatie-Reinhard, ingezet door de Duitsers omdat ze in een hoog tempo zoveel mogelijk joden wilden doden. Als je als jood in Sobibor, Belzec of Treblinka terechtkwam, had je eigenlijk geen kans om te overleven. In Sobibor werden de gedeporteerden, die na een treinreis van tweeënzeventig uur uitgeput aankwamen, meteen naar de gaskamers gedreven.

Ondanks de niet te bevatten misdaden die in Sobibor werden gepleegd, weten weinig mensen wat zich precies in dit kamp heeft afgespeeld. In oktober 1943 kwam er een eind aan de verschrikkingen toen er een opstand uitbrak. Meteen na de oorlog werden alle sporen van uitroeiing gewist, beschrijft Frank van der Elst, bestuurslid van de Stichting Sobibor, in zijn afstudeerscriptie over het kamp. De gebouwen en gaskamers werden zo snel mogelijk afgebroken. Na de oorlog werd Auschwitz, dat nog grotendeels intact was, door de Poolse overheid aangewezen als historisch monument. Pas halverwege de jaren zestig kwam er belangstelling voor Sobibor, door het proces in het Duitse Hagen tegen twaalf Duitse SS'ers die tijdens de oorlog in Sobibor zaten. Daarna verflauwde de aandacht weer tot er in 1993 een klein museum kwam.
Schelvis richtte in 1999 de Stichting Sobibor op, die onder meer tot doel heeft meer bekendheid te geven aan het kamp waar zoveel Nederlanders hun laatste uren doorbrachten. In de afgelopen jaren meldden nabestaanden zich aan bij de stichting. Zoons en dochters van vermoorde ouders kregen behoefte om meer te weten te komen.

Samen met Jetje Manheim zette Schelvis de koers uit. Sinds 2001 organiseert de stichting herdenkingsreizen, samen met Duitse en later ook met Poolse organisaties. 'We gaan elk jaar in oktober,' vertelt Manheim, 'en we bezoeken ook Belzec, Majdanek en Treblinka. Drie nationaliteiten samen op pad, dat gaat heel goed. Wij dragen allemaal bij aan de inhoud van de reis.'

Nebenkläger
Afgelopen voorjaar werd de Stichting benaderd door Johannes Houwink ten Cate, hoogleraar Holocaust en genocidestudies aan de Universiteit van Amsterdam. Een Duitse jurist die het vooronderzoek deed, had contact met hem gezocht; hij was op zoek naar aanvullende informatie over de transporten van Westerbork naar Sobibor. Via andere Duitse contacten van Houwink ten Cate bleek dat partners, kinderen, broers, zussen, directe familie van de omgebrachten zich als partij konden voegen in het proces. Als zogeheten Nebenkläger mogen zij zelfs het woord voeren tijdens de rechtszaak.

In haar zonnige, moderne flat in Amsterdam-Oost vertelt Jetje Manheim dat ze niet zomaar 'ja' hebben gezegd tegen deze vraag uit Duitsland. Want wat deed je de nabestaanden aan als je ze vroeg alle pijn uit hun jeugd weer op te rakelen? Helemaal nu het gaat om een bewaker uit het kamp, die ook nog eens zeven jaar gevangen zat in Jeruzalem toen de doodstraf over hem was uitgesproken.

'We hebben geworsteld met de vraag om Nebenkläger te benaderen. Maar toen Demjanjuk in mei door de Verenigde Staten aan Duitsland werd uitgeleverd, verdween de twijfel. Nu het zeker was dat Demjanjuk terecht zou staan, voelden we ons verplicht om een steentje bij te dragen.' Stichting Sobibor zocht contact met nabestaanden; de meesten zeiden meteen ja op de vraag of ze medeaanklager wilden zijn. Manheim: 'Zij kunnen vertellen hoe de moord op hun dierbaren hun leven heeft getekend. Hun getuigenissen spelen straks een rol in het proces.'

Nooit gekend
Mary Richheimer-Leijden van Amstel is een van de medeaanklagers. Eind november vertrekt ze met haar man naar München, het is de tweede keer in haar leven dat ze naar Duitsland zal gaan. 'Daar zie ik wel tegenop.'

Dat ze begin oktober zeventig jaar werd, is haar niet aan te zien. Ze is een mooie vrouw met sprekende ogen, haar huis in Amsterdam staat vol met foto's van haar vier kinderen en acht kleinkinderen. Na de oorlog heeft ze samen met haar man die ze in het joodse ziekenhuis leerde kennen - zij was verpleegkundige, hij patiënt - een mooi leven opgebouwd.

Aan haar eigen ouders heeft ze nauwelijks een herinnering. Heel vaag weet ze dat ze als tweeënhalfjarig meisje op de arm van haar vader zat. Hij bracht haar waarschijnlijk - denkt ze nu - naar haar onderduikadres. Ze kan zich, wat ze ook probeert, zijn gezicht niet voor de geest halen. Mary Richheimer heeft geen foto van haar vader; ze heeft het aan iedereen gevraagd, maar niemand heeft haar daaraan kunnen helpen.

Na de oorlog werd ze niet zoals de andere vier kinderen die op hetzelfde adres ondergedoken zaten, opgehaald bij haar onderduikadres. Alleen zij en nog een meisje bleven achter. In de jaren erna drong tot haar door dat haar ouders noch haar grootouders zouden terugkomen uit Sobibor. Ze groeide op bij joodse pleegouders in Leeuwarden. Haar moeder had in een brief te kennen gegeven dat, mocht er wat met haar gebeuren, ze graag wilde dat haar dochtertje joods zou worden grootgebracht. Later verhuisde ze naar Amsterdam.

Een paar jaar geleden meldde Mary Richheimer zich bij de Stichting Sobibor; ze had behoefte aan meer kennis over het kamp waar haar ouders en grootouders waren vermoord. Ze kocht twee stenen die in de Laan der Herinnering kwamen te liggen, een prachtig lang bospad met aan weerskanten stenen. Een was bedoeld voor haar ouders en de andere voor haar grootouders. Met daarop de boodschap: 'Nooit gekend, maar altijd in mijn hart. Jullie dochter Mary.'

Toen ze werd benaderd door de Stichting Sobibor met de vraag of ze medeaanklager wilde worden, heeft Mary Richheimer even getwijfeld. Ze was bang dat het denken over vroeger te veel overhoop zou halen. Haar man en kinderen waren om dezelfde reden niet meteen dolenthousiast. Maar na een paar dagen besefte ze dat ze er niet onderuit kon, ze voelde zich verplicht: 'Zoveel mogelijk mensen moeten weten wat er in Sobibor is gebeurd.'

Het vernietingskamp Sobibor
Het vernietingskamp Sobibor

Richheimer wordt bijgestaan door een Duitse advocaat van begin veertig die haar met alle egards behandelt: 'Er wordt zorgvuldig met me omgegaan.' De man Demjanjuk waar het straks allemaal om zal gaan, doet haar niet zoveel. Ze ziet er ook niet tegenop om hem in de ogen te kijken. Het ergert haar, zegt ze, dat deze man na de oorlog een leven heeft kunnen opbouwen, vrouw en kinderen en kleinkinderen heeft gekregen. Er is haar verteld dat er ook een kans is dat hij wordt vrijgesproken. Ze haalt haar schouders op, vindt het een belachelijk idee.

Ze slaapt slecht de laatste tijd, zegt ze met een glimlach: 'Ik lig vaak te woelen.' Toch wil ze doorzetten: 'Ik doe dit voor mijn ouders en grootouders. Zij hebben me op tijd weggegeven, dankzij hen ben ik in leven gebleven. Ik heb mijn man, mijn kinderen en kleinkinderen. Ik vind dat ik wel wat mag terugdoen.' En dan, vastberaden: 'Ik wil daar in die Duitse rechtszaal ook laten zien dat het goed met me gaat. Ze hebben me er niet onder gekregen.'

Empathisch vermogen
Naast Jules Schelvis, Jetje Manheim en Mary Richheimer reizen er nog tweeëntwintig zonen, dochters, broers en zussen van omgebrachte familieleden naar München. Allemaal Nebenkläger, iets wat binnen ons strafrecht niet bestaat, maar wat in Duitsland heel gewoon is.
De groep nabestaanden zal worden ondersteund door een aantal vrijwilligers met klinkende namen, onder wie de socioloog professor Abram de Swaan, historica professor Selma Leydesdorff, Johannes Houwink ten Cate, internist Julius Roos, strafrechtadvocaat Manuel Bloch en hoogleraar internationaal strafrecht Harmen van der Wilt. Ze werden bij elkaar gebracht door Houwink ten Cate, die door alle betrokkenen wordt geroemd om zijn bindende rol. Soms nodigt hij iedereen bij hem thuis uit om alles door te praten. Dan verdwijnt hij na verloop van tijd in de keuken om heerlijk te koken.

Verschillende bijeenkomsten werden voorgezeten door Bram de Swaan, die in het verleden zijn sporen als psychotherapeut verdiende. Zijn empathisch vermogen en zijn talent om grote vergaderingen over emotionele kwesties goed te leiden, dwongen bij iedereen bewondering af. Tijdens het voorstelrondje vertelden de aanwezigen niet alleen wie ze waren, maar ook wie ze in Sobibor hadden verloren. Hun vader, hun moeder, beide ouders, zusjes en broers. 'Aangrijpend,' vond Manuel Bloch, die met zijn vierenveertig jaar een jonkie in het gezelschap is. 'De Swaan was fantastisch, hij wist precies de goede toon te treffen.'

Deze laatste weken voor het proces zijn hectisch voor de steungroep en de Stichting Sobibor. Duitse advocaten reizen af en aan, er worden overal in het land lezingen gehouden en de reis naar München moet worden voorbereid. Voor de Nederlandse ploeg is een hele verdieping in een hotel afgehuurd. De Duitse advocaten hebben foto's laten zien van de rechtszaal, zodat de Nebenkläger zich een voorstelling kunnen maken van de plek waar ze straks moeten zitten. De zaal is niet groot. De zittingsdagen zijn kort: Demjanjuk is bijna negentig, heeft allerlei kwaaltjes en mag niet langer dan een paar uur per dag in de verdachtenbank zitten.

Waarheidsvinding
Selma Leydesdorff, historica en gespecialiseerd in oral history, sprak met de meeste Nebenkläger over hun verleden. Haar moeder overleefde Auschwitz en haar grootouders werden in Sobibor vermoord. Toch heeft ze niet het gevoel dat ze te betrokken is om deze interviews te houden. Leydesdorff werd op verzoek van Jetje Manheim door Houwink ten Cate benaderd. 'Ik vond dat ik mee moest doen. Ik kon mijn grootouders toch niet in de steek laten?' Bovendien, zegt ze, is er voor Sobibor veel te weinig belangstelling geweest. 'Het is de laatste kans om bekendheid te geven aan Sobibor, om te laten zien hoe gruwelijk het er was.'

De meeste nabestaanden, zegt Leydesdorff, hebben hun verhaal in hun jeugd onvoldoende kwijt gekund. 'Ik had het op een bepaalde manier makkelijk. Als ik zei dat mijn moeder in Auschwitz was geweest, vonden mensen dat interessant. Iedereen kende Auschwitz. Maar Sobibor? Daar had niemand het over. Ik doe mijn best om met zoveel mogelijk van de medeaanklagers voor het begin van het proces te praten. Zo kunnen ze hun herinneringen ordenen. Ik laat de zoons en dochters, broers en zussen vertellen over het gat dat in hun leven is geslagen. De stilte in hun leven na de oorlog. Over Sobibor was veel verwarring en verdriet. Waar lag het eigenlijk? En was er nog iets van over?'

Ze filmt al haar interviews, die soms uren duren. Waar dat toe zal leiden, weet ze nog niet. Een dvd? Een boek? Het zou een goed idee zijn, vindt Leydesdorff, als al deze verhalen ook in Polen gebruikt konden worden. Als educatief materiaal.

Houwink ten Cate wil niet al te veel kwijt over het komende proces. Hij moet misschien als getuige-deskundige optreden. Vragen als 'is het niet te laat' en 'wat moet je met zo'n oude man die na al die jaren heus niet plotseling de waarheid zal gaan vertellen' wijst hij van de hand.

'In dit proces gaat het om waarheidsvinding en generale preventie. Vergeet niet, plegers van genocide zijn in de regel gewone mensen, conformisten die gaan moorden omdat anderen dat doen. Demjanjuk wordt ervan verdacht de onderste schakel in de bevelsketen te zijn geweest. Het is belangrijk dat de rechtbank alsnog de mate van zijn verantwoordelijkheid vaststelt.'

Het proces tegen John Demjanjuk begint op 30 november in München. De laatste zittingsdag is op 6 mei 2010. Jules Schelvis zal op 25 februari zijn verhaal vertellen. Als alles volgens schema verloopt, voert Johannes Houwink ten Cate op 3 maart het woord.

 

[reageren]