VN MediagidsWesam Al Delaema, de Nederlandse 'bermbomterrorist' is terug
Justitie / wesam al d / rechtsstaat 26.05.2010
De ‘bermbomterrorist’, zoals de Amersfoortse Wesam Al Delaema in de media werd gedoopt, is terug in Nederland. Op 7 juni verschijnt hij voor de rechtbank in Rotterdam. Die moet de straf die de Amerikaanse rechter hem oplegde omzetten naar Nederlandse maatstaven. Om te weten op grond van welke argumenten de Rotterdamse rechtbank tot een strafbepaling komt, moeten we terug in de tijd, naar april 2009. Toen vond in de rechtszaal van de federale rechter Paul Friedman in Washington een opmerkelijke zitting plaats. Op de agenda stond de strafoplegging van Wesam Al Delaema, de Nederlandse terreurverdachte die in januari 2007 was uitgeleverd aan Amerika.
Wesam had al een plea getekend. Hij had schuld bekend aan het beramen van moordaanslagen op Amerikaanse militairen in Fallujah. Het Amerikaanse Openbaar Ministerie en Wesams advocaten waren in de plea agreement overeengekomen dat hij vijfentwintig jaar cel zou krijgen.
Formeel heeft de rechter echter het laatste woord; een formaliteit die meestal in een uurtje is geklaard omdat de rechter doorgaans gewoonweg de plea bekrachtigt. Maar Wesams strafoplegging strekte zich over twee dagen uit. Alle partijen – OM, advocaten en rechter – wilden een dossier bouwen om op hun manier de Nederlandse rechtsgang te beïnvloeden. Met als resultaat dat de zitting een miniproces werd, waarbij justitie en verdediging hun visie op de zaak-Wesam voor het eerst in de rechtszaal beargumenteerden. Hier speelde de Amerikaanse slotfase van deze ‘zeer uitzonderlijke zaak’, zoals rechter Friedman de zaak-Wesam noemde. Zeer uitzonderlijk, want driemaal uniek. Uniek, omdat Wesam de eerste terreurverdachte was die Nederland uitleverde. Uniek, omdat Wesam als eerste en enige verdachte strafrechtelijk werd vervolgd in Amerika voor terroristische activiteiten in Irak. En uniek, omdat in tweehonderddertig jaar geschiedenis van Amerikaanse bezettingen – van de Filipijnen tot Japan, van Duitsland tot Vietnam – nooit eerder een buitenlander in Amerika was vervolgd voor een misdrijf gepleegd in bezet gebied.
Het proces-verbaal van de zitting was lange tijd niet openbaar. Vrij Nederland heeft de meer dan tweehonderd pagina’s gelezen. Het is een fascinerend document waarin grote politieke en filosofische vragen in een juridische context worden gezet. Wat is terrorisme? Wat is verzet in een oorlog? Wat is propaganda? Deze discussie is nooit in een Nederlandse rechtszaal gevoerd, omdat minister van Justitie Hirsch Ballin (hij was net Piet Hein Donner opgevolgd) besloot Wesam uit te leveren. Het uitleveringsverzoek was gerechtvaardigd, oordeelde de minister omdat ‘een deel van het bewijsmateriaal zich in de Verenigde Staten bevindt’. Inmiddels is dit een pertinente onwaarheid gebleken die de rechtsgang in Nederland heeft gefrustreerd. In het Amerikaanse strafdossier tegen Al Delaema zit nul komma nul Amerikaans bewijsmateriaal. Het enige bewijs dat de Amerikanen aan het Nederlandse strafdossier toevoegden, pleit in het voordeel van Wesam. Het forensische onderzoek van de FBI kon niet vaststellen dat de bermbom die Wesam in Irak aanraakt – vastgelegd op de video die in zijn Amersfoortse huis is gevonden – ook daadwerkelijk is ontploft en Amerikaanse militairen heeft geraakt.
Rechter voor het blok
Voor het Amerikaanse Openbaar Ministerie was het cruciaal dat de Rotterdamse rechtbank een vonnis ter beoordeling zou ontvangen met het woord ‘terrorisme’ erin. Want als twee verschillende rechtssystemen met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht – de officier van justitie noemde het ‘een vergelijking van appels met peren’ – is er een constante nodig: het misdrijf terrorisme. ‘Anders gaat meneer Delaema terug naar Nederland en zegt: ik heb nooit bekend dat ik een terrorist ben.’ Want hoewel Wesam schuld had bekend aan het beramen van een aanslag, had hij niet erkend dat hij een terrorist was. In het Amerikaanse rechtssysteem is het echter aan de rechter om te bepalen of het misdrijf onder de definitie van ‘a federal crime of terrorism’ valt.
- Sinds wanneer is verzet tegen de vijand terrorisme?
Dat zette de rechter voor het blok. Een terrorisme-classificatie betekent een minimale straf van dertig jaar cel en een maximale van levenslang. Veel meer dan de vijfentwintig jaar die de partijen in de plea agreement waren overeengekomen. Rechter Friedman voelde zich toch al ongemakkelijk met de gang van zaken. Zijn rol in de rechtspraktijk was gereduceerd tot een ‘academic exercise’.
De straf die hij Wesam oplegde, was tenslotte niet meer dan een ‘aanbeveling’ aan een hem onbekende Nederlandse rechter. Hij kon slechts hopen dat zijn verre collega over de rechtsgang in Amerika zou zeggen: ‘het was eerlijk, het was rationeel, het was redelijk’ en de straf ‘gepast’ zou vinden.
‘Wij zijn het daar niet mee eens,’ protesteerde Wesams raadsman Robert Tucker. ‘Wij vinden een straf van vijfentwintig jaar niet passend voor wat deze jongeman heeft gedaan.’ Waarom had de raadsman er in de plea agreement dan mee ingestemd? Omdat hij wist dat de straf zou worden omgezet naar Nederlandse maatstaven en dus lager zou uitvallen. En zo had de Amerikaanse rechtsgang in deze ‘opmerkelijke’ zaak al een knauw gekregen.
Gemaskerde moedjahedien
‘Het bewijsmateriaal in deze zaak bestaat uitsluitend uit videomateriaal,’ zei officier van justitie Gregg Maisel vorig jaar op de zitting in Washington. Video’s die bij de huiszoeking van Al Delaema’s woning in Amersfoort waren gevonden. De cruciale tape is van 30 oktober 2003. Het is een nachtopname van gemaskerde moedjahedien uit Fallujah die uitleggen hoe de explosieven die in de berm van de weg zijn verstopt Amerikaanse militairen zullen opblazen. De video is door Al Delaema gemaakt, hij heeft zelfs voor de camera geposeerd. Aan de hand van de video beargumenteerde het OM dat Al Delaema niet door de ‘strijders’ was mishandeld of onder druk was gezet.
Integendeel: hij was een enthousiaste participant. Uit eigen vrije wil verklaarde hij de jihad tegen de Amerikanen. En er waren andere tapes. Opnames van geslaagde aanslagen van de ‘strijders van Fallujah’ die Al Delaema op 31 oktober met duidelijke instemming had gefilmd. Jihadi-video’s, waaronder ruw materiaal dat in filmpjes gemonteerd kon worden. Er was maar één conclusie mogelijk, besloot het OM. Wesam Al Delaema had de video’s in zijn bezit voor ‘operationele doeleinden, voor propaganda’. Wesam was de ‘videograaf voor de opstandelingen’ en de nachtopnamen van de bermbom was een ‘how-to video’.
Strijders van Fallujah
Gregory Smith, Wesams tweede raadsman, vindt de slotsom van het OM bespottelijk. Temeer omdat er geen enkel bewijs is dat Al Delaema de ‘hoe-maak-je-een-bermbomvideo’ ooit heeft verspreid. Noch is er enig bewijs dat Al Delaema zelf propagandavideo’s maakte en op internet zette. Maar waarom filmde hij de moedjahedien bij hun bermbom? Daar komen de raadsmannen ook niet uit. Robert Tucker bekent: ‘We weten niet wat de omstandigheden waren die nacht in de woestijn.’ Misschien, speculeert hij, was Wesam door de opstandelingen van straat geplukt om hen te filmen en wilde Wesam hen ervan overtuigen dat hij een van hen was. ‘Het is onduidelijk wat de relatie was die hij met hen had,’ zegt Tucker. Wesam zei die nacht: ik wil de wereld tonen hoe ‘wij’, de ‘strijders van Fallujah’ de strijd aanbinden met het machtige Amerikaanse leger. Maar hij doet niets met de tape. (Volgens Wesam had hij de tape bij SBS aangeboden. Het OM heeft het nagetrokken. Niemand bij SBS kon zich iets herinneren van een tape uit Fallujah).
Vaststaat dat hij bang was voor wat zijn familie in Fallujah zou worden aangedaan als het nieuws over de nachtopname zou uitlekken. Negen weken na zijn arrestatie verscheen op een Arabische website een artikel over zijn zaak. Vier dagen later werden zijn twee stiefbroers beschoten voor hun kapperszaak in Fallujah. De oudste kwam om het leven. De jongste, een jongen van zeventien, raakte verlamd.
Wet is wet
Het was oorlog in Fallujah. De kapper keek in zijn Amersfoortse woning op televisie naar de vernieling van zijn geboortestad. Zij familie woonde in tenten. Leden van zijn familie waren omgekomen. Wesam was er kapot van. Fallujah was bezet gebied. ‘Sinds wanneer,’ vraagt raadsman Smith, ‘is verzet tegen de bezetter terrorisme? Ze zeggen nu dat iedereen die zich verzet of samenzweert met iemand in een informele militie (of wat voor groep ook die niet erkend wordt als een officiële krijgsmacht) die vecht tegen de bezettende macht, strafrechtelijk vervolgd kan worden. Met andere woorden: terugvechten is samenzwering tot moord.
Een dergelijke zienswijze betekent dat George Washington door de Britten vervolgd had kunnen worden voor moord... En dat iedere boer in Virginia die op een Union-soldaat schoot tijdens onze Burgeroorlog, vervolgd had kunnen worden voor het beramen van moord.’ Hij rakelt andere voorbeelden op uit de meer recente geschiedenis: Ollie North, die de Contra’s steunde, Amerikaanse regeringsleiders die de Afghaanse moedjahedien steunden in hun gewapende strijd tegen de Russen. Ze hadden allemaal terecht kunnen staan voor moord. ‘En wat heeft de vervaging van de grens tussen het recht in vredestijd en het recht in oorlogstijd, deze ongekende expansie van ons strafrecht die ik liever een perversiteit noem, ons opgeleverd? Wesam Al Delaema, van wie niet bewezen kan worden dat hij ooit iemand heeft beschoten, heeft opgeblazen, heeft vermoord, zelfs geen Amerikaanse soldaat heeft verwond... Hij is ons uithangbord.’
Maar de wet is de wet. Officier van justitie Maisel is kort van repliek. De wet zegt: was zijn misdrijf bedoeld om de handelwijze van de overheid te beïnvloeden door intimidatie of dwang of door wraak te nemen. ‘Dat probeerde hij te doen. Hij heeft het zelf herhaaldelijk gezegd, zijn mede-Moedjahedien zeiden het, zijn daden zeiden het.’
Rechter Friedman is het met de officier eens: Wesams misdrijf is terrorisme. Het bewijs is de videotape die Wesam zelf heeft opgenomen. Niettemin schikt de rechter zich in de straf die in het plea agreement is overeengekomen. Wesam Al Delaema krijgt vijfentwintig jaar cel. De rechter prijst hem voor zijn gedrag in de rechtszaal en wenst hem het beste toe.
Als Wesam op 7 juni voor de rechter in Rotterdam staat, zal zijn uitlevering niet ter sprake komen. Die staat niet ter discussie. Toch is het die uitlevering en niet de vervolging in Amerika die de rechtsgang ernstig heeft verstoord. De waarheidsvinding over vermeende terroristische activiteiten van een Nederlands staatsburger had in Nederland moeten plaatsvinden. Vooral gezien het grootschalige onderzoek dat hier heeft plaatsgevonden. Er was, in tegenstelling tot wat de minister beweerde, geen Amerikaans bewijs. Het belang van Amerika als betrokken partij had niet mogen opwegen tegen het belang van de verdachte, een Nederlands onderdaan.
Lees hier het proces verbaal van de strafoplegging deel 1 en deel 2
