VN MediagidsSinan Çankaya

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Justitie / Dwarsdenkers 2012 30.01.2012

Door Marian Husken

De politieman die de politie bekritiseerde

Afbeelding bij Sinan Çankaya

Sinan Cankaya maakte de problemen van allochtonen in het Amsterdamse politiekorps zichtbaar.

'Op die woorden sloeg ik aan: "out of the box", "onconventioneel". Ik las in de trein de Metro. Ik veerde pas echt op toen ik zag dat het een advertentie was van de Amsterdamse politie, die op zoek was naar vrije geesten,' zegt Sinan Çankaya (Nijmegen, 1982). Oom agent was tot dat moment - nu vijf jaar geleden - niet zijn beste vriend, althans hij was ambivalent over de rol van het blauw op straat, zegt hij. Uit nieuwsgierigheid solliciteerde Çankaya.

Samen met elf andere academici en kunstenaars kon de cultureel antropoloog Çankaya zich vanaf 2007 'Juxta' noemen, officiële tegenspreker van de hoofdstedelijke politie. Hij hoorde tot voor kort tot 'de bende van Bernard Welten'. De opmerkelijke oproep was een initiatief van deze korpschef. 'Politiemensen zijn te zeer geneigd om hun meerdere gelijk te geven,' vond Welten. De politiebaas verlangde van zijn Juxta's juist tegengas als het gaat om de gebruikelijke aanpak van criminaliteit. De korpschef hield zijn dwarse denkers voor dat ze zich vooral moesten blijven opstellen als buitenstaanders. Çankaya: 'Je moet ervoor waken dat je niet verliefd wordt op de politie, zei Welten bij aanvang. Dat klopt. Ik liep een paar maanden mee met de agenten van de noodhulp. Ze staan in de frontlinie van de samenleving. Als ik door een straat loop, zie ik huizen, maar ik denk niet na over de mensen die erin wonen. Laat staan dat ik denk aan hun problemen. Maar als de politie een melding krijgt, ga je - bam! - samen met die agenten zomaar zo'n huiskamer binnen. Je ziet dat er een oude vrouw aan het huilen is. Er wordt hulp geboden. Je staat midden in een verhaal. Door dit meedraaien is mijn beeld over de agenten honderdtachtig graden gedraaid: ik ben zeer onder de indruk van wat ze doen.'

Waarom keek u eerst anders tegen de politie aan?
'Ik ben tweede generatie en van Turkse afkomst. Ik ben geboren en opgegroeid in Nijmegen. Als jongen van 14, 15 jaar ging ik voetballen op "ons" pleintje. We trokken dan de aandacht van de politie. Ik heb nog nooit een auto gehad, maar mijn vrienden reden al vanaf hun achttiende rond in de stad. Ze vertelden dat ze vaak door agenten aan de kant werden gezet. Die ervaringen en verhalen beïnvloeden je beeld van de politie.'

Ontvingen de politiecollega's u met open armen?
'De top ondersteunde ons werk. Maar het Amsterdamse korps is groot. Als wij als Juxta's bij een wijkteam aanklopten, waren we niet altijd even welkom. In sommige gevallen was er zelfs weerstand. Overigens geldt binnen de politiecultuur over het algemeen dat je jezelf eerst moet bewijzen. Als Juxta ben je hooggeschoold. Maar bij de politie zitten juist ook veel mensen met jarenlange praktijkervaring. Je hoort dan al snel: Wat kan jij me nu vertellen? Jij hebt alleen maar theoretische kennis.'

Maakte het uit dat u van allochtone afkomst was?
'Alle Juxta's moesten op eigen gelegenheid een politiepasje halen. Bij de ingang van het bureau moest ik mij legitimeren. Logisch, vond ik. Later kwam ik erachter dat de portier dat alleen aan mij had gevraagd. Dat is niet consequent en voelt toch wat ongemakkelijk.'

Vroegtijdig vertrek
'Mijn werk voor Juxta duurde anderhalf jaar,' zegt Çankaya. 'Daarna werd de groep opgeheven. Van de twaalf bleven er vier in dienst. Ik werkte als adviseur en deed onderzoek. Voor mijn proefschrift Buiten veiliger dan binnen interviewde ik collega's over het werkklimaat. Vanaf de jaren tachtig probeerde de politie immers allochtone agenten binnen te halen. Maar ondanks een voorkeursbeleid bleef het resultaat nog steeds achter bij het gestelde doel.'
Korpschef Welten gaf bij zijn vertrek in oktober nog hoog op van de meerwaarde van deze politiemensen. Onder meer omdat ze met burgers ook Turks of Marokkaans kunnen spreken, zei hij in een interview in Vrij Nederland. Maar uit het proefschrift van Çankaya blijkt dat die geroemde tweetaligheid intern aanleiding is tot spanningen en soms zelfs leidt tot onderling wantrouwen. Buiten proberen allochtone agenten zich extra te bewijzen door tegen eigen mensen harder op te treden dan ze eigenlijk zouden willen. 'Veel allochtone politiemensen hebben het gevoel aan dat ze er niet altijd echt bij horen,' stelde de antropoloog. 'Voor hen is het werkklimaat een reden om na te denken over een vroegtijdig vertrek.'

Hoe kwam die boodschap aan?
'In het openbaar kritiek uiten op de politie wordt intern niet altijd als prettig ervaren. Ze beschouwden mij vooral als iemand van "binnen" - als een van hen. Er waren dus vervelende reacties, maar ook goede. Eindelijk had iemand verwoord wat al langer gevoeld werd door een aantal mensen. Zelf heb ik aan dit alles een complexe houding tegenover het korps overgehouden. Toch wil ik het Amsterdamse korps zeker alle credits geven voor het feit dat ik dit onderzoek überhaupt heb kunnen doen.'

In uw proefschrift gaat het over de in- en uitsluiting van allochtonen binnen de politie. Welke invloed heeft dat alles op het werk op straat?
'Agenten hebben een bepaald beeld van groepen in de samenleving. Een beeld dat ook bestaat in de media. Ik schrijf erover in mijn proefschrift. "Wij," dat is de Nederlandse politie, de veilige binnenwereld. "Zij," dat zijn vaak de allochtone criminelen. Bij de beeldvorming gaat het om in het oog lopende criminaliteit. Maar er is slechts een kleine groep Marokkaanse jongens die nare dingen doen. Sommige agenten zeggen zelf dat het slechts kruimeldieven zijn. Maar dat beeld over die gevaarlijke buitenwereld is zo sterk dat het zelfs wordt geprojecteerd op collega's die lager in rang zijn. En dan vooral de jonge mannen van Marokkaanse afkomst. Dat steekt dus.'

Zijn uw conclusies op cijfers gebaseerd?
'Er is onderzoek uit de jaren negentig waaruit blijkt dat allochtonen - in tegenstelling tot hun autochtone collega's - niet kiezen voor een langdurige carrière bij de politie. Daar verwijs ik naar. Ik heb vervolgens onderzocht waarom dat zo is. Vertrek heeft te maken met de kwaliteit van het werkklimaat. Over mijn proefschrift zijn Kamervragen gesteld. Volgens de minister waren er geen recente cijfers over vroegtijdig vertrek voorhanden, daarom was de omvang van het probleem onduidelijk. Vervolgens gingen ze in Den Haag over tot de orde van de dag. Dat is jammer. Mijn conclusies zouden op zijn minst een teken aan de wand moeten zijn.'

Hoogste tijd voor een vervolgonderzoek met cijfers?
Hij grinnikt. 'Ik vind dat een kwalitatief onderzoek net zoveel waarde heeft als een cijferonderzoek. Ik heb gesproken met mensen die nog bij de politie werken. Zij ervaren hun huidige werkomstandigheden als zodanig slecht dat ze nadenken over vertrek. Als ze dus blijven, zitten ze er met minder motivatie. Die negatieve arbeids-satisfaction maak ik aannemelijk. Het gaat hierbij niet om expliciete discriminatie. Het schort soms aan loyaliteit ten opzichte van elkaar. Het probleem laat zich niet vangen in makkelijke soundbites over allochtone afkomst, het is diffuus.'

Bevalt het om een dwarse denker te zijn?
'Het is een rol die me past. Van jongs af aan stel ik me existentiële vragen. Wie ben ik? Wat is mijn plaats in de maatschappij? Vragen stellen is inmiddels een manier van leven voor mij. Nadat ik bij de politie weg ging, heb ik het domein www.tegenspraak.com vastgelegd.

Foto: Sander Veeneman
Foto: Sander Veeneman