VN MediagidsProces Demjanjuk: de waarde van herinnering

Historica Selma Leydesdorff woont het proces tegen John Demjanjuk bij. Voor Vrij Nederland houdt ze een dagboek bij.
Vandaag, woensdag 20 januari, ben ik terug bij het proces Demjanjuk in München. Vooral om de getuigenissen van twee overlevenden van Sobibor te horen. Gisteren was Thomas Blatt aan het woord, de man die als jongetje van 15 belandde tussen de weinigen die werden uitgekozen om te werken.
Ik heb hem een tijd geleden langdurig geïnterviewd voor het oral history project dat ik samen met de overlevenden en de zogenaamde Nebenkläger doe. Het viel me toen ook op dat hij oud aan het worden is en niet meer zo goed hoort en luistert. Ook al deed hij op momenten goed het woord en weerde hij zich; details van zestig jaar geleden kon hij zich niet herinneren.
Ik bewonderde hem toen hij vertelde dat hij op die dag waarop hij al zijn familie verloor verleerde te huilen, terwijl hij dat vroeger zo goed kon. Het was mijn indruk dat de verdediging vooral probeerde te laten zien hoe vergeetachtig hij was door hem te ‘grillen’ over kleine passages uit interviews die hij in de jaren zestig heeft gegeven.
Vaak was de aanval onbeschoft en het leidde tot een heftige aanvaring tussen de rechter en de verdediger van Demjanjuk. Het is niet gewoon dat een rechter en een advocaat tegen elkaar schreeuwen.
Demjanjuk zelf leek te slapen. Hij viel weg, soms deed hij niet meer mee in een theater dat met hem begon. Een waarin mijn inziens de verdediging niet voldoende ruimte kreeg, en steeds in de rede werd gevallen. Ik verwacht bij een eerlijk proces anders. De dag ging over de waarheidsgetrouwheid van herinnering en de daarop gebaseerde getuigenis en het ging dus om Thomas Blatt. De getuige leek aangeklaagd te worden. Ik vroeg me regelmatig af in welk macaber toneelspel ik verzeild ben geraakt.
De feiten en de nuances
De grote lijn van de verdediging is dat Demjanjuk zich niet aan de moordpartijen kon onttrekken zonder zelf gevaar te lopen. Die inzet is er vanaf het begin geweest. Zal daarom de andere partij het tegendeel moeten aantonen? Dat de verdediging daarbij de positie van de Oekraïense bewakers met die van de Joden in het kamp vergeleek en gelijkstelde is brutaal. Maar kennelijk is er de afgelopen weken zoveel gebeurd in de rechtszaal dat er ‘gevochten’ wordt.
De juristen zoeken feiten, ik, de historica, zoek de nuance van de geschiedschrijving. Een vergelijking: ook Japanse soldaten onttrokken zich tijden de oorlog aan te wrede folterpraktijken, soms kozen ze voor de dood boven het bevel een medemens te veel pijn te doen en te doden.
Maar welke zijn de omstandigheden waarin kwaad wordt getolereerd en mensen wel het kwaad gaan belichamen, omdat ze geloven er een hoger doel mee te dienen? Primo Levi beschreef de ontmenselijking van de slachtoffers bij de entree in het kamp. Hij noemde het ‘de grijze zone’, daar waar waarden niet meer tellen. Het ging om een wereld waarin roof normaal was.
Mijn tweede historische kritiek is dat ik als oral historian al jaren weet dat mensen zich details van zestig jaar geleden niet kunnen herinneren. Interviewen over herinneringen heeft alleen zin als het gaat om grote schokken, vreselijke momenten, de loop van gebeurtenissen, en gevoelens zoals verdriet. We kunnen wel te weten komen hoe zij de wereld toen zagen, maar het is nooit de zekerheid die juristen zoeken. En soms hebben we niets anders dan de moeilijke bron van de herinnering. Dus kromden mijn tenen toen steeds weer naar al die feiten gevraagd werd.
Ook al was het een SS-er
Er is zoveel dat we niet weten over Sobibor. Opnieuw was er dat verhaal over een Nederlandse opstand in Sobibor, vlak voor de grote opstand van oktober 1943. Volgens dat verhaal zouden Nederlandse werkjoden geprobeerd hebben hooggeplaatste SS-ers te vergiftigen. Er is geen overlevende om het te vertellen, of liever: we zoeken zo iemand. Nu blijft het een verhaal dat steeds terugkomt.
Vast staat dat opeens 72 Nederlanders als vergelding (voor wat?) werden vergast. Daardoor ontstond er behoefte aan nieuwe werkjoden en tot hun noodlot koos de ss die uit een transport uit Minsk. Ze kozen daarmee krijgsgevangen Joodse Sovjet militairen, onder bevel van de geniale Satchka Petchevski die de opstand konden leiden. En die de kleermakers en handelaars bracht tot wat ze nooit gedacht hadden te kunnen: een ander mens doden. Ook al was het een SS-er.
Waarom kwamen jullie niet eerder in opstand vroeg een kampbeul aan Blatt, jaren na de oorlog. Jullie Joden kunnen toch best vechten, dat zie je aan Israël? Blatt antwoordde dat de Joden geen wapens hadden. Maar in Warschau is bij de opstand aanvankelijk zonder wapens gevochten. Een beter antwoord zou kunnen zijn; we hadden geen leiding, we probeerden ieder afzonderlijk te overleven, we waren door en door geïntimideerd. Het kwam niet bij ons op.
