VN Mediagids'Ik heb verloren van het leven'
Justitie / zelfdoding 17.02.2010
Hans (59) is bijna klaar voor zijn zelfgekozen einde. De depressie weegt te zwaar, het leven is kleurloos geworden. De suïcidecounselor luisterde naar hem: ‘En hij confronteerde me met dingen die ik me niet voldoende had gerealiseerd. Zoals de schuldvraag: wat het voor je omgeving betekent dat je een einde maakt aan je leven.’
Hans wil dood. ‘Ik zie mijn dood als een hoogtepunt. Niet in de zin van een feestelijk hoogtepunt. Want ik heb verloren van het leven. Maar voor mij betekent de dood dat er een einde zal komen aan mijn ondraaglijk lijden. Het is de laatste mogelijkheid om me te verlossen van de kwelling van het leven.’
Hij beschouwt zichzelf als een ‘terminaal psychiatrisch patiënt’. Al negen jaar lang leeft hij zijn leven met grote moeite. ‘Ik sukkel als aangeschoten wild door het leven,’ zegt hij. Om vijf uur ’s middags begint hij al op de klok te kijken, verlangend naar het einde van de dag. Tergend langzaam brengen de wijzers hem naar zes uur, zeven uur, acht uur ’s avonds. Dan zoekt hij zijn bed op.
Vijf jaar geleden besloot Hans dat het genoeg was, en probeerde hij zijn leven te beëindigen. Dat mislukte, tot zijn verdriet. ‘Het was geen poging om aandacht te trekken. Ik wilde echt dood.’ Maar de medicijnen die hij had ingenomen, konden niet voorkomen dat hij, hoe ver weggezakt ook, in een reflex de plastic zak van zijn hoofd trok die voor een definitief zuurstoftekort had moeten zorgen. ‘Een mensonterende methode.’
In zijn appartement ruikt het doordringend naar pijp. Op een plank staan de verzamelde werken van Freud – ‘die heb ik helemaal doorgeworsteld’ – een eindje verderop houdt een boeddhabeeld de wacht. Zijn boekenkast verraadt een grote belangstelling voor religieuze en spirituele thema’s. ‘Vroeger kon ik tot drie uur ’s nachts met anderen over Sartre praten, filosoferen. Dat lukt me nu niet meer. Mijn geheugen wordt minder, mijn denken is vertraagd. Ik ervaar voortdurend dat ik geestelijk aftakel.’
Objectief wordt die aftakeling niet bevestigd. Hij is niet aan het dementeren, sterker nog, vergeleken met de meeste Nederlanders is zijn geestelijke ontwikkeling bovengemiddeld. Daar twijfelt ook hij zelf niet aan. Maar hij is niet de meeste Nederlanders. Hij is Hans, en heeft zijn eigen criteria.
Daar komt bij dat vrijwel niets hem nog genoegen verschaft. ‘Zelfs niet de mooie woorden en gevoelens van anderen. Verstandelijk weet je dat je geraakt zou moeten zijn, maar je beleeft het niet zo.’
Niet dat hij niets heeft geprobeerd. Hij is twee keer verhuisd in de afgelopen negen jaar, en heeft een bezoek aan Indonesië gebracht. Het blijft allemaal kleurloos. ‘Vroeger genoot ik van kleine dingen. Een schilderijtje kopen in Zeeland. Olielampjes verzamelen, die ik dan opknapte. Ik speelde orgel, fluit, trompet. Deed aan yoga. Maar ik heb er de energie niet meer voor.’
Het is niet zo dat hij de plezierige kanten van het leven uit de weg gaat om zich, eenzaam opgesloten, te wentelen in somber zelfmedelijden. Zijn pijp smaakt hem goed, zijn boeken nemen hem tijdelijk op in een andere wereld.
‘Mijn boeken hebben me er tot nu toe doorheen gesleept, ik lees tachtig procent van de dag. Ik ga soms naar de schouwburg, naar een museum of een lezing. Ik ben voortdurend op zoek naar een lichtpuntje. Daarom luister ik Bach voordat ik ga slapen, vrijwel elke avond. Die muziek kan me nog wél raken, daar krijg ik een spiritueel, religieus gevoel bij.’
Maar zijn activiteiten buitenshuis zijn vooral een prestatie, geen ontspanning. ‘Dan ben ik trots op mezelf dat ik het, bijvoorbeeld in de schouwburg, een hele avond heb volgehouden. Maar ik geniet niet van de voorstelling, geen moment.’
Hij weet niet of het te maken heeft met de operatie die hij negen jaar geleden onderging, maar feit is wel dat hij een paar maanden na die gebeurtenis in een depressie belandde die hij nooit meer te boven is gekomen. ‘Ik heb het idee dat er tijdens de narcose iets met mijn hersens is gebeurd. De anesthesist heb ik niet meer bezocht. Daar had ik de moed en de kracht niet voor.’
Hij kwam in het hulpverleningscircuit terecht. ‘Gesprekken, therapieën.’ Iedereen stelde dezelfde diagnose. ‘Ze zeggen dat ik lijd aan een angstneurotische depressie. Na een jaar heb ik de hoop opgegeven dat ik beter kon worden. Dat komt ook omdat ik het verhaal van de hulpverlening wel ken. Ik heb er zelf tenslotte jarenlang rondgelopen.’
Hans werkte vijfentwintig jaar in de geestelijke gezondheidszorg, waarvan de laatste jaren als coördinator. Hij heeft nu nog een man onder zijn hoede die bij vlagen psychotisch is. ‘Ik ben de enige die hij heeft. Als ik er niet meer ben, is hij helemaal op zichzelf aangewezen. Daar maak ik me wel zorgen over.’
Zelf komt hij uit een groot gezin, van acht kinderen. Maar hij ziet maar één zus regelmatig. Een van zijn broers heeft zich in de beginperiode van zijn depressie over hem ontfermd. ‘Hij wilde dat ik ging fietsen, wandelen, op vakantie naar Frankrijk. Toen hij merkte dat zijn ideeën niet aansloegen, heeft hij afstand van mij genomen. Het is ook heel moeilijk om geconfronteerd te worden met datgene waar ik in mijn diepste wezen mee bezig ben.’
De aftakeling die zich volgens hem onherroepelijk voltrekt, wordt nog eens verergerd door de ouderdom. ‘Dat is een doemscenario.’ Een bezoek aan een verpleeghuis kon die zorgen bepaald niet wegnemen. ‘Als ik sommige mensen zie, denk ik: hoe is het mogelijk dat je nog leeft! Zo’n toestand wil ik op een elegante manier voor blijven, met behulp van medicijnen. Hoewel het maar de vraag is hoe elegant de praktijk zal zijn. Het stervensproces zal een uur of zes duren. Maar het is niet zo bizar als voor de trein springen.’
Hij ging dan ook naar het verpleegtehuis ‘om mezelf sterk te maken voor het grote moment van verlossing’. ‘Mensen zeggen tegen me: zo ziet jouw toekomst er niet uit. Maar ik ben ervan overtuigd dat mijn lijden alleen maar groter wordt. Uiteindelijk word je afhankelijk van de willekeur van anderen, in een verpleeghuis of in een psychiatrische inrichting, en degradeert je leven.’
Met een psychiater praten over zijn doodswens was en is taboe. ‘Als ik tegen een hulpverlener over de dood en een mogelijke zelfdoding sprak, was de reactie: “Als je dat écht wilt, moeten wij een aantal maatregelen nemen.” Je loopt het risico dat je gedwongen wordt opgenomen, omdat je, zoals zij dat zeggen, een gevaar bent voor jezelf. Terwijl het zo wezenlijk is om te lúísteren naar iemand met een doodswens. En ook niet meteen met medicatie aan te komen zetten.’
De huisarts zou je moeten kunnen doorverwijzen naar iemand die mensen met een doodswens kan begeleiden, vindt hij. ‘Los van waar dat in resulteert. Ik denk dat juist het taboe op praten over je doodswens, zelfdoding versnelt.’
Een partner of kinderen heeft hij niet – ‘daar heb ik nooit behoefte aan gehad’ – wel zes goede vrienden. ‘Ik hoop dat zij, door wat ik hun vertel, straks oprecht kunnen denken: het is goed zo, zijn lijden is afgelopen, dat gunnen we hem.’
Dat je je niet kunt voorstellen dat iemand het leven ten diepste niet meer wil leven, is geen reden om die persoon een zelfgekozen dood te ontzeggen, vindt hij. ‘God wil het niet, de maatschappij wil het niet, het is laagstaand. Toch zou je de samenleving zo moeten inrichten dat mensen het recht hebben zelf de keuze te maken of ze dood willen.’
Mensen kúnnen het ook niet begrijpen, zegt hij. ‘Het valt niet uit te leggen. En het is voor iedere zelfdoder ook weer anders. Daarom heb ik nooit de behoefte gehad om naar een lotgenotengroep te gaan.’
Hij is remonstrants. Voor hem betekent de dood een afscheid van het stoffelijk lichaam, de overgang naar een andere dimensie waarin hij geestelijk voortleeft. Er is niet niets na de dood, is zijn overtuiging. ‘Daarom denk ik ook dat ik mijn vrienden zal missen als ik dood ben.’
Hij voelt dat zijn besluit om zijn leven te beëindigen, de laatste maanden vooral rationeel van aard is. Hij vecht tegen de neiging die hij bij zichzelf bespeurt om genoegen te nemen met minder, en zodoende alsnog in de toestand te geraken die hij koste wat het kost wil vermijden: een oude, afgetakelde man in een verzorgingshuis. ‘Mijn verstand en mijn gevoel zijn de laatste tijd met elkaar in conflict geraakt. Mijn levensdrift staat tegenover de verstandelijke overweging om uit het leven te stappen. Vooral ’s ochtends is die levensdrift sterker. Tegen de avond denk ik: nu zou ik het kunnen doen.’
Hoewel hij had gedacht in de maand mei het slotje te openen van het kastje waarin hij zijn medicijnen bewaart, is dat niet gebeurd. ‘Er kwam van alles tussen, ik ben er nog niet klaar voor.’
Zijn graf is gekocht – ‘eerst naar de kerk, en dan nog drie uur rijden voordat ze me kunnen begraven, dat is wel hilarisch’ – de muziek voor de begrafenis uitgezocht. Maar – hij wijst om zich heen – wat moet hij met zijn boeken? ‘Ik wil niet dat hier een opkoper komt die zegt: voor vijfentwintig euro neem ik het wel mee. Ik heb een emotionele band met mijn boeken.’
Terwijl hij van de ene kant het moment afwacht waarop hij weet: nu moet het gebeuren – ‘dat moment kwam vijf jaar geleden ook’ – weet hij van de andere kant dat een gevoel van volledige overgave er niet zal komen. ‘Ik zal moeten accepteren dat ik nooit klaar ben, over twintig jaar nog niet. Het zou fijn zijn als ik op een bepaald moment zou voelen: het is genoeg geweest, ik heb er zo vrede mee. Maar dat heb ik niet en dat krijg ik ook niet.’
Tegelijkertijd komt het moment om met leven te stoppen steeds dichterbij, zegt hij. ‘Ik sta steeds minder open voor aardige, positieve dingen die mijn lijden even verlichten. Ik laat het steeds minder toe. Die deur die nu nog op een kier staat, gaat onherroepelijk dicht. En dan zit ik straks in het donker, met nog maar één uitweg: de dood.’
Hij ziet niet op tegen de dood, wel tegen het sterven. ‘De brug naar een andere existentie. Het zou fijn zijn als een paar mensen op die brug zouden meelopen. Maar dat kun je niemand moreel verplichten.’ Zijn grootste angst: dat iemand hem te vroeg vindt, dat zijn maag wordt leeggepompt en dat hij, voor de tweede keer, onbedoeld in leven blijft.
‘Ik had het graag anders gewild. Tien jaar geleden had ik allerlei plannen en ideeën. Dit is niet iets waar je naar verlangt; het overkomt je. En ik had nooit gedacht dat het mij zou overkomen.’
