VN MediagidsHet proces tegen Wesam Al Delaema

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Justitie / wesam al d / rechtsstaat 14.11.2008

Door Freke Vuijst

Afbeelding bij Het proces tegen Wesam Al Delaema

Vorig jaar werd voor het eerst een Nederlandse terreurverdachte uitgeleverd aan Amerika: Wesam Al Delaema. Voor Nederland was de zaak tegen de Iraaks-Nederlandse kapper daarmee gesloten. Tot het Nederlandse vervolgingsbeleid onlangs in een Amerikaanse rechtszaal werd doorgelicht.

Het is het eerste uur van de eerste dag van de hoorzitting over de bewijslast in de zaak USA vs Delaema op de federale rechtbank in Washington. In de getuigenbank zit officier van justitie Marianne van Ling. Zij leidde het Nederlandse onderzoek naar de Amersfoortse kapper, die door Van Ling bij zijn voornaam ‘Wesam’ wordt genoemd. ‘Bedoelt u meneer Delaema,’ onderbreekt de rechter haar. Ja, natuurlijk, antwoordt de officier, verbouwereerd over een vraag waarop het antwoord evident is.

Het is een klein maar veelzeggend moment in de botsing tussen twee culturen die een week lang in de rechtszaal weerkaatst. Het familiaire gebruik van de voornaam van de verdachte door de Nederlanders komt op de Amerikanen over als gebrek aan respect. De Amerikanen – zowel rechter, officier van justitie als advocaat – noemen de terreurverdachte consequent ‘meneer Delaema’.

De basis voor de uitlevering van verdachten is dat landen elkaars rechtssysteem respecteren. Dus ook de onderzoeksmethoden van het land waar de verdachte is gearresteerd. Elke regel kent echter een uitzondering en Al Delaema’s Amerikaanse pro deo-advocaat Robert Tucker maakt er handig gebruik van. Tucker heeft een motie ingediend om de Nederlandse bewijslast tegen zijn cliënt niet ontvankelijk te verklaren.

Daarvoor voert hij twee argumenten aan. Het onderzoek naar Al Delaema was een Amerikaans-Nederlandse joint venture, wat betekent dat zijn cliënt onder de Amerikaanse wetgeving valt die de rechten van de verdachte beschermt. Aangezien in Nederland, met name tijdens de verhoren, de rechten van Al Delaema volgens Amerikaanse maatstaven zijn geschonden, zou de rechter die verhoren naar de prullenbak moeten verwijzen. Tuckers tweede argument betreft de Nederlandse tapverslagen. Ook die zouden uit de bewijslast verwijderd moeten worden, want hoewel het aftappen van Al Delaema’s telefoon conform de Nederlandse wet heeft plaatsgevonden, zouden ze vergaard zijn op een manier ‘that shocks the conscience’.

De hoorzitting moet op deze vragen een antwoord geven. Mocht de rechter in het voordeel van Al Delaema beslissen, dan rijst de vraag of de Amerikanen nog wel een zaak hebben tegen de Nederlandse terreurverdachte. Want vrijwel alle bewijslast komt uit Nederland.

Twijfels
Waaruit bestond het Nederlandse onderzoek? Daarvoor moeten we terug in de tijd. Naar augustus 2004, toen er zowel bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) als bij de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) een tip was binnengekomen dat Al Delaema een van de moordenaars was van Nicholas Berg, een jonge Amerikaanse zakenman die in mei in Irak was vermoord door jihad-strijders. Beelden van de gruwelijke onthoofding circuleerden op internet. Ook zou Al Delaema regelmatig via Syrië naar Irak reizen. Om daar te vechten en te sterven als een martelaar had hij wapens uit Syrië naar Irak gesmokkeld en had hij een trainingskamp voor jihad-strijders bezocht.

Zware beschuldingen, en voor Van Ling reden om Al Delaema’s telefoon af te tappen, afluisterapparaten aan te brengen in zijn auto en in het kantoortje van een bevriende Iraaks-Nederlandse garagehouder, de computer op dat kantoortje af te tappen, en een camera te plaatsen op de deur van de garage. Ook werd Al Delaema geobserveerd. Een intensief onderzoek dus.

Er deed zich wel een probleem voor: de FBI vertelde de Nederlandse speurneuzen in een vroeg stadium van het onderzoek dat Al Delaema niets met de moord op Berg te maken had. De Nederlanders legden deze cruciale informatie echter naast zich neer en op 2 mei 2005 viel een arrestatieteam Al Delaema’s woning binnen.

‘Persoonlijk dacht ik niet dat we iets zouden vinden dat met terrorisme te maken had,’ vertelt rechercheur Jos de Greef in het getuigenbankje in Washington. Ook officier Van Ling had haar twijfels. ‘We hadden een verdenking van inbraak, van handel in wapens en misschien ook van een criminele organisatie, maar of het nog een terreurzaak was, was de vraag.’

Mijn probleem niet
De twijfels verdwenen toen bij de huiszoeking door Al Delaema gemaakte videotapes gevonden werden met een nachtopname van moedjahedien in Fallujah, Al Delaema’s geboorteplaats. Op de video leggen gemaskerde mannen uit hoe ze een bermbom aanleggen om Amerikaanse militairen op te blazen. Al Delaema zelf is ook op de video te zien. Is Al Delaema een terrorist? Die vraag bleef in Nederland onbeantwoord. Voor een inhoudelijke zitting kon plaatsvinden, eiste Amerika zijn uitlevering.

Al Delaema is wel verhoord in Nederland en fragmenten van de op video vastgelegde verhoren worden met Engelse ondertiteling tijdens de hoorzitting vertoond. Wat wederom tot een clash van culturen leidt. De rechter kijkt met verwrongen gezicht naar de videoclips, want wat hij ziet, is voor Amerikaanse begrippen buiten alle perken. Bij het eerste verhoor was geen advocaat aanwezig. Bij het tweede verhoor kwam er een telefoontje binnen dat de advocaat onderweg was. Voor rechercheur De Greef en zijn collega geen reden om het verhoor op te schorten. De rechercheurs zetten Al Delaema zwaar onder druk om een verklaring af te leggen. Toen Al Delaema zich op zijn zwijgrecht beriep, gaven ze geen krimp en stelden nieuwe vragen. Tijdens het laatste verhoor, toen de advocaat – buiten beeld – opmerkte dat zijn cliënt geen vragen wil beantwoorden, snauwden ze hem toe: ‘U moet uw mond houden.’

Jos de Greef is zich van geen kwaad bewust. Het Landelijk Bureau Rechtshulp was op tijd ingelicht en dan moet de advocaat er zelf voor zorgen tijdig bij het verhoor aanwezig te zijn. De Greef: ‘Wij hoeven geen rekening te houden met de agenda van de advocaat. Het is niet relevant. Niet relevant in ons systeem.’ En: ‘Of de advocaat op tijd is, is mijn probleem niet.’

Alle harde verhoorscènes uit Amerikaanse televisieseries ten spijt, juridisch ligt de bescherming van een verdachte diep verankerd in de Amerikaanse wet. Waren Jos de Greef en zijn collega’s Amerikaanse rechercheurs geweest, dan had een rechter de zaak niet ontvankelijk verklaard op basis van de video’s van de verhoren.

Maar de Al Delaema-zaak was een Nederlands onderzoek en werd als zodanig getypeerd door een zekere Hollandse koppigheid. Bijvoorbeeld: in december 2004 was FBI-agent John Patarini naar Amsterdam gekomen om de Nederlanders te vertellen dat Al Delaema niet op de foto van de moordenaars van Berg stond. Officier Van Ling was niet op de vergadering aanwezig geweest, maar haar secretaris had verslag uitgebracht.

‘Ik was verbaasd dat de Amerikanen ploseling naar Nederland kwamen. Ik had nooit gehoord van John Patarini. Ik heb gezegd, dat wil ik wel eerst op schrift zien,’ getuigt Van Ling in Washington.
‘Hoe kunt u denken dat uw anonieme bron betrouwbaarder was dan de FBI?’ vraagt Al Delaema’s advocaat Robert Tucker verbaasd.

Van Ling: ‘Meneer Tucker, ineens komen er een paar Amerikanen langs – wie zijn die, wat is hun bevoegheid – en zeggen dit. Juridisch gezien heeft het geen waarde. Alles moet schriftelijk.’
Tucker: ‘Betwijfelde u dat ze FBI-agenten waren?’

Van Ling, sarcastisch: ‘Dat wilde ik nog wel geloven.’

Begin april 2005 ontving Van Ling een officieel memorandum van de FBI waarin op schrift nogmaals werd gesteld dat Al Delaema niet op de foto stond. Van Ling: ‘Wat voor mij niet uitsloot dat hij erbij betrokken was.’

Figuurlijke samenwerking
Was Van Lings ongeloof wellicht een gevolg van haar eerdere ervaring met de FBI? Herfst 2004 wilde Van Ling naar Washington vliegen om informatie in te winnen voor haar onderzoek. Die reis was door de Amerikanen afgeblazen, want men had in Washington geen relevante informatie. Van Ling moest toegeven dat dit haar bijzonder had ‘gefrusteerd’. Ze leidde immers een onderzoek naar een terroristische moord en haar onderzoek ‘zat vast’.

Misschien stelde ze zich daarom op de hoorzitting in Washington zeer formalistisch op. Al Delaema’s advocaat had gevraagd om het lid van het arrestatieteam te verhoren die Al Delaema een trap tegen zijn hoofd en een klap in zijn gezicht had gegeven toen de verdachte bij zijn arrestatie niet snel genoeg zijn handen op het dekbed legde. In het proces-verbaal wordt de agent aangeduid als ‘U13’.

Van Ling: ‘Als zijn identiteit met een nummer is aangegeven, dan wordt zijn identiteit niet bekend gemaakt.’ Overigens vond de officier de schop ‘gepast gedrag’. ‘De veiligheid van het team staat boven alles. Zijn handen moeten zichtbaar zijn. Dit was passend onder de Nederlandse wet. Absoluut.’

Evenmin wilde Van Ling de wekelijkse rapporten die zij over haar onderzoek had geschreven en die, omdat het een terreurzaak betrof, op het bureau van de minister van Justitie belandden, vrijgeven. Het Amerikaanse OM had om de rapporten gevraagd ‘maar die krijgen ze niet’. Overlegging aan de Amerikanen betekent dat ze openbaar worden en dat zou in Nederland nooit gebeuren.

De conclusie is duidelijk: de Amerikaans-Nederlandse joint venture was fictie.

Kees Verburg, werkzaam bij de Unit Contraterrorisme van de Nationale Recherche en verantwoordelijk voor de coördinatie van informatie over terreurmisdrijven die gepleegd zijn of die in de toekomst gepleegd kunnen worden, is door Al Delaema’s advocaat opgeroepen als getuige, juist om over de samenwerking te vertellen. Verburg heeft bijna wekelijks besprekingen met de FBI-attaché in Brussel (waaronder Nederland ressorteert) en begeleidde FBI-agent Patarini tijdens zijn bezoek in Amsterdam. Verburg hield de FBI op de hoogte van het onderzoek naar Al Delaema onder meer door relevante gesprekken uit de tapverslagen van Al Delaema en zijn vrienden aan de FBI te overleggen. Verburg had ook aan Patarini het gerucht doorgegeven dat een hoge functionaris van het Amerikaanse ministerie van Justitie druk had uitgeoefend op Nederland om het onderzoek naar Al Delaema voor te zetten.

Hoe kwam hij aan die informatie? Ja, dat had hij gehoord van teamleider Rachid Sousdi die na een bespreking met de procureur-generaal die conclusie had getrokken. Alleen, er stond niets over op schrift. Verburg had ook zijn collega Patarini uitgenodigd om bij de inval van Al Delaema’s woning aanwezig te zijn. Maar de Amerikaan had het afgewezen met een ‘thanks, but no thanks’.

Samenwerking? Volgens Verburg is dat een te sterk woord. Ook John Patarini, die door Al Delaema’s advocaat is opgeroepen, ontkent de ‘samenwerking’. Inderdaad, hij heeft de term joint investigation in zijn memo’s gebruikt, maar dat moet geïnterpreteerd worden als een figuurlijke uitdrukking voor het op de hoogte houden van het verloop van het onderzoek.

Emotioneel en verward
Het object van de ‘samenwerking’ of de ‘informatieuitwisseling’, de ‘bermbomterrorist’ – zoals hij in de Amerikaanse pers wordt genoemd – zit stilletjes aan de tafel van zijn advocaat. Na bijna twee jaar voorarrest in een Amerikaanse gevangenis heeft Al Delaema niets meer gemeen met de blitskikker die vijf jaar geleden tijdens de tv-show Cash & Carlo een reis naar Mexico won. Hij zwemt in zijn te grote fel-oranje bajesoverall, een rafelig wit hemd steekt onder de korte mouwen uit. Via een koptelefoon volgt hij de Arabische vertaling van de Engelse vert≠aling van het Nederlands van de getuigen. Bij de vertoning van de verhoorfragmenten waarop hij emotioneel en verward uitbarst, verbergt hij zijn gezicht achter zijn handen alsof hij niet naar zichzelf kan kijken.

Die fragmenten laten onbedoeld zien waar deze zaak om draait. Al Delaema vindt het aanvankelijk helemaal niet moeilijk om over de video’s te praten. Hij heeft de opnamen gemaakt voor Fares, een Iraakse journalist die voor een Frans persagentschap werkt en hij wilde ze verkopen om er wat aan te verdienen. (Hij had de beelden ook aangeboden aan SBS, dat niet geïnteresseerd was.)
Dan confronteert rechercheur De Greef hem met een opmerking die hij maakte toen hij een opgeblazen trein filmde.

De Greef: ‘Je zegt tegen de omstanders: “Is dat mijn landmijn?”’

‘Nee, nee,’ roept Al Delaema, ‘ik bedoel niet mijn, ik bedoel van het dorp.’ En je ziet hoe hij zich ineens realiseert welk gevaar hij loopt. ‘Ik heb foto genomen en wil het verkopen hier. Misschien dom geweest van mij. Ik bedoel er niets mee.’

Eind november doet de rechter uitspraak over de bewijslast. Het juryproces tegen Wesam al Delaema begint in maart 2009. Er staan tien weken voor gepland. Als hij schuldig wordt bevonden aan terreurdaden in Irak tegen Amerikanen kan hij tot levenslang veroordeeld worden.