VN MediagidsHet CPB doet het een tikje te heilig

De roepnaam is KiK, en dat staat voor Keuzes in Kaart. Het is het rapport van (vooral) het Centraal Planbureau (CPB) en (een beetje) het Planbureau voor de Leefomgeving over de doorrekening van de effecten van de verkiezingsprogramma’s. Sinds de publicatie, vorige week donderdag, verwijzen politici er graag – en selectief – naar. De SP is kampioen huren verlagen. De VVD is kampioen economische groei. GroenLinks is kampioen broeikasgasreductie.
Het enthousiasme waarmee de resultaten nu selectief worden uitgevent, staat in schril contrast met de kritiek die klonk in de weken voorafgaande aan de publicatie. Deze kritiek wordt door het CPB keurig gepareerd. Maar tegelijkertijd doet het bureau net een tikje te heilig over de eigen positie. Intussen is het grootste probleem: te veel partijen. Lees maar.
Keuzes in kaart bestaat sinds 1986 toen drie partijen het CPB vroegen om doorrekening van hun verkiezingsprogramma’s. In deze zevende editie is het aantal deelnemende partijen gegroeid tot negen. Onder de kop ‘Een bedreiging voor de democratie?’ antwoorden de onderzoekers op de kritiek van de afgelopen weken, die trouwens al sinds 1986 ongewijzigd is, met hier en daar een nieuwe formulering.
- Even een paar miljard bezuinigingen inboeken op Europa en ambtenarensalarissen kan dus niet
Perkt de doorrekening politieke keuzen van partijen in? Nee, stelt het CPB, ten eerste niet omdat deelname vrijwillig is. Een partij kan simpelweg niet meedoen, zoals de Partij voor de Dieren. Ten tweede niet omdat het CPB en ingeschakelde hulptroepen alleen de gevolgen van politieke keuzen in kaart brengen, en geen oordeel geven over die politieke keuzen zelf.
Geeft het CPB rapportcijfers? Nee. ‘De analyse is geen rapportcijfer of goedkeuringsstempel, en al helemaal geen stemadvies. Alle programma’s zijngoed, zij behelzen echter uiteenlopende politieke keuzen.’ En die worden in kaart gebracht.
Verbiedt het CPB bepaalde bezuinigingen, zoals op Europa of op ambtenarensalarissen? Nee, maar de onderzoekers verlangen wel juridische, bestuurlijke en economische zindelijkheid. Bezuinigen op de Nederlandse afdracht aan Europa kan een Nederlands kabinet wel willen, maar ze kan er niet over besluiten. Bij het vaststellen van ambtenarensalarissen zijn naast de werkgevers ook de werknemers betrokken, en bovendien dwingt de arbeidsmarkt af dat loonstijgingen in de private en publieke sector op lange termijn gelijk zijn. Even een paar miljard bezuinigingen inboeken op Europa en ambtenarensalarissen kan dus niet. Omdat de wereld zo niet werkt. Al deze kritiek wordt dus keurig gepareerd. En het is ook goed voor de politiek dat het CPB tot discipline dwingt.
Het ‘heilige’ karakter van de verdediging schuilt in het argument dat politieke partijen zelf kunnen kiezen of ze meedoen aan de doorrekening. Strikt genomen is het waar, materieel niet. Het Planbureau constateert zelf – terecht – dat het doorrekenen een ‘instituut’ is geworden. En dat impliceert dat aan het links laten liggen van dit instituut voor een partij kosten zijn verbonden. Dat zijn geen financiële kosten, maar kosten in de vorm van reputatieschade. In die zin geeft het CPB dus ook wel degelijk een goedkeuringsstempel: niet op de inhoud van de keuzen, maar op het doorlopen van de procedures. Een partij die zich niet wil onderwerpen aan deze procedures, betaalt de rekening in de vorm van verlies aan kiezers. ‘Een monopolist die partijen via het reputatiemechanisme dwingt tot deelname,’ is een betere omschrijving van de toestand dan die van ‘een leuke aanbieder waar vragers desgewenst terecht kunnen’.
Het grootste probleem voor de lezer is intussen juist het grote aantal deelnemende partijen. Wat bij drie deelnemers nog overzichtelijke vergelijkingen oplevert – in tabellen en grafieken met drie kolommen – wordt bij negen partijen al gauw een zoekplaatje. Maar goed, we kunnen het CPB moeilijk verwijten dat we in Nederland voor elk nuanceverschil een nieuwe politieke partij oprichten.
