Vrij Nederland Op reis in 'bevrijd Syrië'
Ahmad Gharabli/AFP/ANP
Op reis in 'bevrijd Syrië'
Ze stempelen paspoorten, hebben een mediacentrum en runnen een gevangenis. Verslag van het rebellenleven rond Aleppo.
Ze stempelen paspoorten, hebben een mediacentrum en runnen een gevangenis. Verslag van het rebellenleven rond Aleppo.
‘Het ministerie van Toerisme heet u welkom in Syrië.’ Het bericht verschijnt op je mobiel wanneer je de grens vanuit Turkije oversteekt. Maar aan de Syrische kant wacht geen ontvangstcomité van de regering van Assad.
In het grenskantoor regelen opstandelingen de douaneformaliteiten. Aan de vlaggenmasten die precies op de grens staan, wapperen groen-wit-zwart gestreepte vlaggen (drie rode sterren op de witte baan) van de oppositie, pal naast de Turkse.
Op deze plek lijkt het of de revolutie is voltooid, dat Assad is verdreven en Syrië aan een nieuw tijdperk is begonnen. Maar dat het nog niet zover is, blijkt niet alleen uit de in kogelwerende vesten gestoken journalisten die het land in gaan. Al gauw melden zich vluchtelingen bij de douane, op weg naar Turkije. Zware gevechten rond Aleppo hebben een nieuwe stroom op gang gebracht. Abu Youssef, camouflagepet op, maar verder in spijkerbroek en T-shirt, controleert de paspoorten. Hij ziet het vertrek van zijn landgenoten met lede ogen aan. ‘Het noorden van Syrië is bevrijd. Ik ben ervan overtuigd dat Assads troepen nooit meer zullen terugkeren naar deze plek. Ons gebied zal alleen maar groter worden, tot hij weg is uit Damascus.’Je hoeft niet ver van de grenspost te rijden om te zien dat het oude Syrië nog heel dichtbij is. Een paar kilometer van de op sommige plekken zwaar gehavende grensplaats Azzaz ligt een militaire vliegbasis van As sad. Vijf helikopters staan duidelijk zichtbaar op de landingsbaan. Het terrein is vrijwel geheel omsingeld door rebellen en wordt regelmatig bestookt met granaten en kalasjnikovs. De troepen van Assad die er nog zitten, beantwoorden het vuur met mortieren of sturen een helikopter de lucht in. Geen van beide partijen komt een stap verder.Maar de grootste trofee in de directe omgeving is Aleppo, de grootste stad van het land (ongeveer 2,5 miljoen inwoners) en een belangrijk economisch centrum. Het ligt zo’n veertig kilometer verderop. Abu Yous sef, die als sluipschutter meevocht in Azzaz, denkt dat de opstandelingen er kunnen winnen, ook al hebben ze geen straaljagers of helikopters. ‘Gewoon zoals we dat in Az zaz hebben gedaan, zo lukt het straks ook in Aleppo en op andere plaatsen. Bovendien staat God aan onze kant.’
Via kleine wegen is het mogelijk om een buitenwijk van Aleppo te bereiken die grenst aan dorpen in handen van het Vrije Syrische Leger. Aan de rand, naast een paar flats, staat een verlaten tank van Assad. Het valt op dat bijna niemand naar Aleppo rijdt, er is vrijwel alleen maar verkeer dat de stad verlaat. Minibusjes en pick-ups volgeladen met vrouwen en kinderen, beddegoed, kleren in plastic zakken. Vaak gaat ook de koelkast mee, vooral als vluchtelingen zich bij familie elders voegen.
Het is stil op straat. Twee uitgebrande stadsbussen zijn dwars over de weg als versperring neergezet. Maar om de hoek is het druk. Bij een kruispunt staat een groep inwoners te
kijken naar een uitgebrand minibusje. Even verderop: een kapotte stadsbus met drie rebellen ernaast. ‘Alleen de chauffeur zat erin, maar die is oké.’ Een half uur eerder heeft een Mig-straaljager de wijk onder vuur genomen. De rebellen dragen camouflagevestjes en zonnebrillen. Ze houden hun kalasjnikovs in één hand, met de loop recht omhoog. Hun stoere pose verandert niets aan het feit dat je met een kalasjnikov niet veel uitricht tegen een straaljager. ‘Toch hebben wij wel wapens om doelen in de lucht te raken,’ zegt Ahmed, die al uit Aleppo is gevlucht, maar de stad in rijdt om een vriend te bezoeken. ‘Dat zijn raketten die het vooral goed doen tegen helikopters.’ Ahmed denkt dat de echte slag om Aleppo nog moet beginnen. ‘Dit is nog maar voorwerk. Ze willen kijken waar de rebellen zitten en gaan er dan met zwaar geweld in.’Even verderop hangt een helikopter hoog boven een gevangenis, waar volgens omwonenden rebellen opgesloten zijn. Er zou een opstand zijn en de helikopter schiet wat salvo’s rond het gebouw. Een veld naast de gevangenis vliegt in brand.
Executies door de rebellen? Zonde van de vele kogels. 'Dat kan ook met een mes'
De Syrische oppositie hoopt dat Aleppo het Benghazi van Syrië wordt. Maar het is nu vooral een slagveld, waarbij de uitkomst van de strijd ongewis is. ‘Nie mand weet wie Aleppo straks in handen heeft,’ erkent Ahmed. ‘Maar uiteindelijk zullen we Assad verdrijven.’ Voorlopig speelt Azzaz de rol van Ben ghazi. En net zoals in de Oost-Libi sche stad direct een mediacentrum werd ingericht, zo hebben de Syrische opstandelingen dat ook gedaan. Het zit in het voormalig kantoor van de Ba’ath-partij in Azzaz, dat nu het hoofdkwartier is van de lokale rebellen. Die weten dat er internationaal veel vragen leven over de Syrische oppositie. Niet eens zozeer over hun militaire mogelijkheden, maar vooral over wie ze nu precies zijn en wat ze met Syrië willen. Maar hun pogingen om de wereld gerust te stellen, maken soms een wanhopige indruk. Graag laten de opstandelingen de rebel Zacharia opdraven, een knappe twintiger die met droge ogen beweert dat het ‘een revolutie van liefde’ is: ‘Zo veel verschillende nationaliteiten komen hier samen.’
Het is een bijzondere manier van een conflict beschrijven dat juist een aantal landen tegen elkaar heeft opgezet. Een ‘revolutie van invloedsferen’ eerder, waarbij Rusland en Iran hardnekkig vasthouden aan hun vriend Assad. Daar tegenover een verdeeld Westen dat de oppositie wel steunt, maar weer bang is om direct wapens te leveren. En landen als Qatar en Saoedi-Arabië die hun soennitische Syrische vrienden openlijker steunen. De vraag welke revolutie het nu precies is en waar die toe zal leiden, is niet makkelijk te beantwoorden, zeker niet in het mediacentrum.
Samir Hadjaman, politiek leider van het lokale Vrije Syrische Leger, doet of hij nog nooit heeft gehoord van buitenlandse strijders die meevechten aan de kant van de opstandelingen. ‘Dat gebeurt helemaal niet.’ Het verhaal van de gijzeling van de Neder-landse fotograaf Jeroen Oer le mans door buitenlandse moedjahedien zegt hij niet te kennen. Maar een van de lokale opstandelingen vertelt later dat hij is getraind in een zelfde soort kamp als waar Oerlemans werd vastgehouden. ‘Dat werd gerund door Tsjetsjenen, Egyptenaren en Palestijnen. Ik heb er vijftien dagen gezeten, in mei. Je krijgt een fysieke training, instructie in wapengebruik en er zijn religieuze lessen.’ Het kamp was volgens deze rebel, die zijn verhaal anoniem wil doen, gefinancierd door een Egyptenaar en lag vlak bij de Turkse grens maar op een andere plek dan het ‘Oerlemans’-kamp.
Hij zegt te twijfelen aan de eigenlijke bedoelingen van dat soort mensen. ‘Ik hoef ook geen islamitische staat. Maar deze lui kunnen wel goed vechten, weten precies hoe je een tank uitschakelt. Ze hebben overal gevochten en wij zijn voor een groot deel gewoon burgers.’ Hij vindt de ophef in het Westen over de aanwezigheid van die buitenlandse strijders overdreven. ‘Het gaat echt maar om beperkte groepen, die ons wél steunen. Jullie doen dat niet. Waarom kregen de Libiërs wel hulp en wij niet? Wat is er mis met de Syriërs?’De internationale ophef over de standrechtelijke executies in Aleppo van vier leden van een beruchte clan die pro-Assad was, valt eveneens slecht. De leiding van het Vrije Syrische Leger nam afstand van dergelijke praktijken, maar in het veld denken de opstandelingen er anders over. Abu Youssef vindt het vooral zonde van de vele kogels. ‘Dat kan ook met een mes.’
Ook in Azzaz circuleert een filmpje van een executie. Het begint met een man die met zijn handen op zijn rug gebonden uit de kofferbak van een auto wordt getrokken. Hij wordt een veld in geduwd en meteen doodgeschoten. En ook hier valt op hoelang het schieten daarna nog doorgaat. ‘Dat was Abu Haydar, een heel slechte man, een shabiha,’ vertelt Abu Yous sef. De shabiha zijn de gevreesde milities van Assad. Een van de mannen die het doodvonnis voltrekken, zou een vader zijn die net twee zonen had verloren in de strijd rond Azzaz. Ook zou een rechter nog even naar de zaak hebben gekeken, althans dat beweren de opstandelingen.
Dat de standrechtelijke executies niet meewerken aan de bereidwilligheid van Assad-aanhangers om de strijd op te geven en over te lopen, is een punt waarover weinig rebellen zich druk lijken te maken. De oorlog wordt nu gewoon uitgevochten, waarbij het alawitisch deel van de samenleving waartoe Assad behoort, vreest dat zij ook na een vertrek van de president doelwit van wraakacties zullen blijven. Maar ‘liefdes-rebel’ Zacharia beweert dat de alawieten nooit als geheel de prijs zullen betalen voor de oorlog. ‘Mensen worden verantwoordelijk gehouden voor hun daden, niet omdat ze alawieten zijn.’
'Waarom kregen de Libiërs wel hulp en wij niet? Wat is er mis met de Syriërs?'
De oppositie spreekt nadrukkelijk tegen dat het een ‘take no prisoners’-beleid heeft. Het bewijs daarvoor is te vinden in een kleine plaats, ongeveer twintig kilometer van Aleppo. In een schoolgebouw zitten zo’n honderdvijftig gevangen genomen soldaten van Assad en anderen die worden beschuldigd van samenwerking met het regime.
Abu Hatem, die in korte tijd van boer gevangenisdirecteur werd, loopt naar een afgesloten klaslokaal. Bin nen zitten ongeveer vijftig mannen op de grond, allemaal uit Aleppo. De helft erkent dat ze militair waren. Ze zijn bijna allemaal opgepakt bij een militaire vliegbasis bij Aleppo. Voor de andere aanwezigen ligt het ingewikkelder. Malek Fatouh zegt dat hij onschuldig is. ‘Ik liep gewoon door Aleppo en werd door het Vrije Syrische Leger opgepakt. Ze zeiden dat ik hun posities doorgaf aan het leger van Assad. Dat heb ik helemaal niet gedaan.’ De jongeman die op het matje ernaast zit, erkent dat hij als burger het leger heeft geholpen. ‘Er was een checkpoint vlak bij mijn huis. Ik heb geen baan en zij gaven mij geld om daar te helpen.’ Sommige aanwezigen hebben dikke, blauw geslagen gezichten. Toch spreekt niemand over mishandelingen in de gevangenis. Velen kijken bij moeilijke vragen naar de deur van het lokaal, waar bewaarders met kalasjnikovs staan. Een majoor verklaart de blauwe plekken rond zijn ogen met ‘ik ben ziek’. Hij zegt dat hij een ismaeliet is, een kleine sjiitische minderheid. Anderen zeggen dat ze soenniet zijn, of ‘we zijn allemaal moslims’. Het woord alawiet valt niet, net zomin als de term shabiha. De mannen hebben geen idee wat er met hen zal gebeuren. Ook gevangenisdirecteur Abu Hatem heeft dat niet, zeker niet zolang de oorlog volop aan de gang is. ‘Een rechter zal er ooit naar moeten kijken. Ja, ik weet ook wel dat er mogelijk onschuldigen tussen zitten. Maar we behandelen ze goed. Ze eten hetzelfde voedsel als de bewaarders.’In de gang wordt net de maaltijd bereid. Het Rode Kruis is volgens Abu Hatem welkom, maar heeft zich nog niet gemeld. De gevangenen zitten er nu ruim een week. Hun gezinnen hebben meestal geen idee waar ze zijn, of ze nog leven. De gevangen majoor denkt dat Assad op een slechte manier aan zijn eind zal komen. Of het land daarna uiteenspat in sektarisch geweld? ‘Ik denk dat we prima met zijn allen in vrede verder kunnen leven.’ Zijn verschrikte ogen, die zich steeds weer draaien naar zijn bewakers, zeggen wellicht meer dan zijn woorden.
Intussen komt er, ondanks de hevige gevechten in Aleppo en andere plaatsen vlak bij de grens met Turkije, elke dag meer structuur in het grenskantoor van de rebellen. Er worden nu ook stempels gezet in de paspoorten: ‘Syrië, politiek kantoor’ staat erop. ‘Gelukkig hebben we hier alleen de foto’s van Assad kapotgemaakt, maar verder geen vernielingen aangericht toen we het innamen,’ zegt Abu Youssef. ‘De computer doet het nog en ik kon zelfs terugbladeren naar de tijd voordat we hier zaten. Toen vond ik toch weer Iraniërs die hier zijn binnengekomen. Vast mensen die voor Assad gingen werken.’ Hij lacht: ‘Weet je wat apart is, ik ben gebeld door een ambtenaar van de douane in Tartus (een Syri sche havenstad, waar ook een Russische basis is, red.), die iets wilde faxen. Ik zei: “Weet je wel met wie je spreekt?” Hij zei: “Ja, het grenskantoor, toch?” Hij had niet door dat wij van het Vrije Syri sche Leger zijn. Ik heb het ook niet gemeld. Ik ben gewoon erg benieuwd of die fax nog komt en wat erop staat.’