Foto: Peter Marshall/Demotix/Corbis Foto: Peter Marshall/Demotix/Corbis

Aartsvijanden van Obama

2 maart 2012
Leestijd:

Achter de schermen spelen ze een grote rol in de verkiezingsstrijd: de miljardairs David en Charles Koch, verklaard Obama-haters.

Het had alle elementen van een Hollywoodthriller. Locatie: een luxehotel in de woestijn. Hoofdrolspelers: twee oliebaronnen. Plot: een plan om de herverkiezing van de president te dwarsbomen. Alleen: het was geen film, het was echt.

In het laatste weekend van januari kwam een selecte groep miljonairs en miljardairs in een resorthotel in Californië bijeen om achter gesloten deuren de politieke toestand in het land te bespreken. Ze waren uitgenodigd door de broers Charles (76) en David (71) Koch, de ultraconservatieve eigenaars van Koch Industries, een van de grootste familiebedrijven ter wereld, dat zijn oorsprong heeft in olie. De pers was niet welkom, zelfs de locatie was niet bekend. Toch lekte het belangrijkste nieuws uit: het gezelschap van superrijken had honderd miljoen dollar toegezegd om Obama te verslaan. De Koch-broers namen zestig miljoen van dit gigabedrag voor hun rekening.

Een week later reageerde Obama op de uitdaging van de miljardairs. Zijn campagneteam maakte de oprichting bekend van een super-PAC, een politiek actiecomité van rijke donateurs. Officieel mag een super-PAC niet met een kandidaat samenwerken, in de praktijk is die scheidslijn echter illusionair. Obama had het liever niet gedaan, want hij is kritisch over de tsunami van geld in de politiek, maar ja, hij kon niet anders, zei campagneadviseur David Axelrod. ‘We horen dat Karl Rove en de Koch-broers van plan zijn om een half miljard in te zetten tegen president Obama’s herverkiezing.’ Nancy Pelosi, leider van de Democraten in het Huis van Afgevaardigden, was explicieter: als de president het niet doet, ‘zullen de Koch-broers bepalen wie president wordt en welke partij een meerderheid in het Congres verovert’. Daarmee is het scenario voor deze verkiezing geschreven: het wordt een titanenstrijd van het grote geld.

Corrupte praktijken

Het is een oorlog die voornamelijk op televisie wordt uitgevochten, bleek begin dit jaar toen in swing states als Ohio een televisiespotje werd uitgezonden waarin Obama werd beschuldigd van corrupte praktijken rond overheidsgaranties voor een zonne-energiebedrijf. Het bedrijf was door Obama gepromoot maar ging failliet. Het spotje (kosten: zes miljoen dollar aan televisiereclametijd) was betaald door Americans for Prosperity, een belangenorganisatie die door de Koch-broers wordt gefinancierd en die de motor is achter de Tea Party-beweging. Opnieuw diende Obama’s campagneteam de Koch-broers van repliek, met een eigen spotje over duurzame energie als motor voor de werkgelegenheid. Hoewel een belangrijk onderwerp, niet bepaald een kwestie die het hart van de kiezer gepassioneerd doet kloppen. Dat was ook niet de intentie, want het spotje was een attack ad tegen een opponent die wellicht groter en machtiger is dan welke Republikeinse tegenstander dan ook, een onzichtbare, onbekende vijand: ‘secretive oil billionairs’, zei de sonore commentaarstem, ‘attaqueren president Obama’. De ‘stiekeme oliemiljardairs’ werden niet bij naam genoemd, hoewel politieke ingewijden het onmiddellijk herkenden als codetaal voor de Koch-broers. De onderliggende boodschap was voor iedereen te verstaan: miljardairs, juist de groep tegen wie Amerikanen nu een diepe haat koesteren, beïnvloeden op slinkse wijze het democratische proces.

David Koch, foto: Gretchen Ertl/New York Times/HH David Koch, foto: Gretchen Ertl/New York Times/HH

Tot voor kort waren de Koch-broers grote onbekenden in de Amerikaanse politiek. De plotselinge opkomst van de Tea Party-beweging veranderde dit, toen bleek dat de broers de stuwende kracht achter de beweging waren. Het spontane volksverzet bleek helemaal niet zo spontaan, het werd in hoge mate aangestuurd door een onbekende belangengroep, Americans for Prosperity, enkele jaren eerder opgericht door David Koch. Ineens vroeg Amerika zich af: wie zijn de Koch-broers en wat is hun rol in de politiek? Inmiddels is er een schat aan informatie bekend, achteraf gezien is het eigenlijk verbazingwekkend hoelang de broers achter de schermen hebben kunnen opereren.

Charles en David Koch zijn libertariërs wier ideologische overtuiging – een kleine overheid, drastische belastingverlaging, afschaffing van de sociale voorzieningen, deregulering van de industrie en een markt vrij van overheidsbemoeienis – in de vorige eeuw een randverschijnsel was binnen de Republikeinse Partij. Inmiddels is de partij zo naar rechts opgeschoven dat het gedachtengoed van de Koch-broers niet langer een uitzondering is, wat hun invloed binnen de partij versterkt. Die invloed bestaat in de eerste plaats uit geld. In de afgelopen vijftien jaar hebben de broers vijfentachtig miljoen gedoneerd aan zo’n tachtig libertarische en conservatieve denktanks, onderzoeksinstituten en belangengroepen. Ze hebben miljoenen 
gestort in de verkiezingskassen van Republikeinse politici en een enkele Democraat. Vooral de nieuwe lichting Tea Party-Republikeinen in het Congres kon op hun financiële steun rekenen.

Zeker zo belangrijk is het netwerk van de broers. Dankzij hun decennialange filantropie van conservatieve organisaties hebben ze nauwe banden met andere ultraconservatieve captains of industry, met prominente politici, bekende economen en publicisten. Hun tweejaarlijkse geheime conferenties, altijd belegd in luxehotels, trekken topmensen aan uit industrie en politiek. Zelfs conservatieve hoge rechters en televisiesterren als Glenn Beck komen opdraven. Vorig jaar lekte de locatie van hun conclaaf uit en de tweehonderd participanten die met privévliegtuigen arriveerden, werden oneerbiedig geconfronteerd met een legertje demonstranten. Het tijdschrift Mother Jones bemachtigde een audiotape van een andere bijeenkomst waarop te horen is hoe Charles Koch de komende presidentsverkiezing be-
schrijft als ‘de moeder aller oorlogen, een strijd op leven en dood voor dit land.’ Het was tijd om de portemonnee open te trekken, spoorde Koch zijn toehoorders aan. Laat het daar echter niet bij blijven, pleitte Koch. ‘Jullie moeten ook nieuwe partners inbrengen, nieuwe mensen. We kunnen het niet alleen doen.’

Charles Koch, foto: Larry W. Smith/Polaris/HH Charles Koch, foto: Larry W. Smith/Polaris/HH

Klimaatontkenners

Als er één kwestie is die de Koch-broers na aan het hart ligt, dan is het ontkenning van de klimaatverandering. Volgens Greenpeace geven de broers zelfs meer geld uit dan ExxonMobil aan organisaties en instituten die klimaatverandering aanvechten. Greenpeace noemt de broers ‘de schurken van de klimaatontkenning’. Die status werd onlangs opnieuw bevestigd toen interne documenten van het Heartland Institute, een bolwerk van klimaat-
ontkenners, uitlekten. De Koch-broers zijn niet de grootste donoren van Heartland, maar het instituut werd opgericht door iemand die zijn sporen in een andere door Koch gesponsorde denktank had verdiend.

Voor Charles en David Koch vloeit de financiering van de klimaatontkenners niet alleen voort uit hun ideologie, het is ook eigenbelang. De broers zijn eigenaars van Koch Industries, een conglomeraat actief in olie (raffinaderijen en pijplijnen), plastic, chemicaliën, papier, kunstmest, ranching, grondstoffenhandel en financiële dienstverlening. Het bedrijf is goed voor een jaaromzet van meer dan honderd miljard dollar, heeft 67.000 mensen in dienst en vestigingen in bijna zestig landen, waaronder Nederland (in Rotterdam heeft Koch een raffinaderij met een productiecapaciteit van tachtigduizend vaten olie per dag). Het hoofdkantoor is gevestigd in het hart van Amerika, in Wichita, Kansas. Koch Industries is een niet-beursgenoteerde onderneming en het op een na grootste privébedrijf in Amerika. De Koch-broers erfden het bedrijf van hun vader, maar de kiem van hun vermogen is terug te voeren op hun grootvader, een Nederlandse emigrant.

Zoals vaak in familiebedrijven kregen de broers ruzie, Charles en David kochten de twee andere broers uit, wat tot rechtszaken leidde die onbedoeld ook de bedrijfspraktijken – zoals ontduiking van de milieuwetten – van Koch Industries aan het licht brachten.

Tussen 1850 en de Eerste Wereldoorlog emigreerden meer dan tienduizend Friezen naar Amerika. De landbouwcrisis en de vervolging van de afgescheiden gereformeerden waren redenen voor de massale landverhuizing. Hotze Harry Koch, roepnaam Harry, was een van hen. Maar noch een precair economisch bestaan, noch zijn geloof leidde tot Harry’s emigratie: het is alsof een gemene stiefmoeder de impuls voor zijn vlucht naar Amerika was. Harry groeide op in Workum, waar Harry’s grootvader letterlijk aan wal was gespoeld. Johann Anthon Koch kwam oorspronkelijk uit Jever in de Duitse deelstaat Nedersaksen. Hij was eerste stuurman toen zijn schip in een storm op de Zuiderzee verging. Volgens Harry, die op zijn oude dag zijn herinneringen aan zijn jeugd opschreef, was zijn grootvader de enige overlevende, hij was ‘een goede zwemmer’. Het ging de schipbreukeling in Workum voor de wind. De jonge Duitser, ‘een grote stoere kerel’ trouwde de dochter van zijn werkgever, tevens burgemeester van Workum, en nam diens bedrijf – twee schepen, een leermolen en een zeemtouwerij – over.

Van een aan wal gespoelde vreemdeling was Johann Anthon weldra een bekend beurtschipper en koopman. Zijn oudste zoon volgde hem op in het bedrijf, de jongere zoon, ook Johan Anthon genaamd, studeerde medicijnen en vestigde zich volgens een mededeling in de Leeuwarder Courant in 1858 in Workum als ‘plattelandsheel- en vroedmeester’. Hij trouwde met een boerendochter en Harry, de vierde van zes kinderen, werd in 1867 geboren. Toen sloeg het noodlot toe. Zijn moeder stierf toen Harry acht jaar oud was, zijn vader hertrouwde met ‘de dochter van een bankier die zelfmoord had gepleegd en wiens bank een aantal mensen in Leeuwarden had geruïneerd’. De dochter, Harry’s stiefmoeder, was blijkbaar even onbetrouwbaar als de bankier, want ‘dit huwelijk ruïneerde mijn vaders praktijk’.

Aan het eind van zijn leven bezocht Harry in Nederland het graf van zijn moeder. ‘Ik zal haar dood en begrafenis nooit vergeten, ook al was ik pas acht jaar oud,’ schrijft hij. Misschien was het de stiefmoeder, of misschien waren het, zoals Harry schrijft, zijn kinderlijke fantasieën over ‘roodhuiden en buffalo’s’, hoe dan ook, hij vatte het plan op om naar Amerika te emigreren. Dat deed hij toen hij eenentwintig was, na enkele jaren als leerling in drukkerijen in Den Haag en Duitsland te hebben gewerkt.Zonder familie in Amerika trok Harry eerst naar Nederlandse enclaves in Chicago en Grand Rapids, Michigan, waar hij voor Nederlandstalige kranten werkte. Eenmaal het Engels machtig, reisde hij naar Texas waar hij zich vestigde in Quanah, een prairiestadje in het noorden van de staat. Hij kocht er een krant, een paar jaar later een tweede en voegde ze samen tot de Quanah Tribune-Chief. Tot zijn dood in 1942 zou hij hoofdredacteur en uitgever blijven.

Charles, Fred en Harry Koch Charles, Fred en Harry Koch

Van vader op zoon

De Koch-broers geven haast nooit interviews (ze reageerden ook niet op het verzoek van Vrij Nederland), maar in een van die zeldzame interviews vertelt David Koch over grootvader Harry die naar Quanah zou zijn getrokken uit ‘fascinatie met het Wilde Westen en de verhalen over cowboys en indianen’. Het lijkt een familiemythe, want Harry zelf schreef hoe hij westwaarts trok toen het ‘malariaklimaat’ van Oost-Texas waar hij eerst zijn geluk zocht, hem te veel werd. Wat het stoffige frontierstadje vooral aantrekkelijk maakte, waren de spoorwegen die door Quanah liepen. Harry ontpopte zich tot een eenmans kamer van koophandel. Hij schreef lovende artikelen over de ongekende mogelijkheden die Quanah bood en de kolonisten – die grond van de spoorwegmaatschappijen kochten – kwamen in groten getale. Voor zijn pr-werk werd Harry zelf met grond betaald. Uiteindelijk zou hij mede-eigenaar worden van een kleine spoorlijn die hij in zijn eigen krant uitbundig promootte.

Journalist Yasha Levine dook in de archieven van Quanah en schreef erover voor The Texas Observer. Levine vond de ultraconservatieve ideeën van de Koch-broers terug in de artikelen die hun Nederlandse grootvader in zijn eigen krant had geschreven. Het was alsof de conservatieve ideologie als DNA was overgeleverd van vader op zoon op kleinzoons. ‘Wat ik opmerkelijk vind aan Harry,’ vertelt Levine over de telefoon vanuit Californië, ‘is hoe hij zijn krant gebruikte, niet alleen voor zijn eigen zakelijke belangen maar ook als een ideologische megafoon voor een pro-business agenda.’ Terwijl de bevolking van Quanah en omgeving door de Dust Bowl en de depressie in diepe armoede raakte, ageerde Harry in zijn krant tegen Roosevelts New Deal en schreef commentaren tegen de regulering van banken, tegen de vakbonden en het ouderdomspensioen. ‘Wat Harry toen schreef horen we nu van hun kleinzoons,’ vertelt Levine. ‘Dat belastingen de industrie ruïneren, dat regulering van de industrie tegen de grondwet indruist, dat uitkeringen mensen afhankelijk maken, Harry schreef er al over.’

Quanah is nu weer een onbeduidend stadje. De grootste werkgever is een gipsfabriek – eigendom van Koch Industries. Harry Koch liet zijn krant na aan zijn oudste zoon en de Quanah Tribune-Chief zou tot in de jaren zeventig in de familie blijven. De jongste zoon trok weg uit Quanah. Fred Koch studeerde chemische technologie aan MIT en bedacht een procedé om meer benzine uit ruwe olie te halen. Toen zijn uitvinding door een patentenoorlog met concurrenten op niets uitliep, zocht hij zijn geluk in Stalins Rusland, waar hij vijftien raffinaderijen bouwde en technici opleidde. Hij keerde terug naar Amerika als een rijk man en begon zijn eigen oliebedrijf. Hij kwam ook terug met een diepe haat tegen het communisme. In eigen beheer publiceerde Fred A Business Man Looks at Communism waarin hij waarschuwde voor een communistische overname van Amerika. Fred was een van de oprichters van de John Birch Society, de aartsconservatieve beweging die overal communistische complotten zag, zelfs president Dwight Eisenhower zou een geheime communistische agent zijn.

Harry Koch (zittend) bij de drukkerij van de Quanah Tribune-Chief Harry Koch (zittend) bij de drukkerij van de Quanah Tribune-Chief

Toen Fred in 1967 stierf, erfden zijn vier zoons zijn oliebedrijf. Als eerbewijs aan hun vader gaven ze het de naam Koch Industries. Zoals vaak in familiebedrijven kregen de broers ruzie, Charles en David kochten de twee andere broers uit, wat tot rechtszaken leidde die onbedoeld ook de bedrijfspraktijken – zoals ontduiking van de milieuwetten – van Koch Industries aan het licht brachten. Als CEO leidde Charles Koch Industries met straffe hand. En met succes: de boekwaarde van Freds bedrijf vermenigvuldigde met een factor tweeduizend. Het persoonlijke fortuin van de twee broers groeide tot vijfentwintig miljard dollar ieder. (Charles en David staan op een gedeelde vierde plaats op de Forbes-ranglijst van Amerikaanse miljardairs.) Charles is van de twee broers het zakelijke zwaargewicht. In zijn businessboek The Science of Success, beschreef hij zijn Market-Based Management-filosofie (geregistreerd als handelsmerk), het libertarisme toegesneden op de bedrijfsvoering. ‘Soms klinkt hij als een calvinistische dominee,’ schreef Forbes.

Kochtopus

In tegenstelling tot zijn stugge, wat saaie broer, een typisch product van het Midden-Westen, heeft de jongere David een bredere belangstelling dan alleen conservatieve politiek en zaken. David Koch heeft honderden miljoenen dollars geschonken aan culturele instellingen in zijn woonplaats New York. Zijn naam staat groot op theaters, alsook op medische onderzoeksinstituten voor zijn miljoenen giften voor kankeronderzoek. Als de rijkste man in New York leidde hij jarenlang het leven van een playboy, tot hij met een veel jongere vrouw trouwde en vader werd van drie kinderen.

Beide broers houden ideologisch de nagedachtenis aan hun vader in ere. Niet meer in de John Birch Society, inmiddels binnen de Repu blikeinse Partij verketterd als een paranoïde, racistische en antisemitische organisatie, maar andere aspecten van hun vaders ideologie zijn hun met de paplepel ingegoten. In een interview zei David Koch: ‘Zelfs toen we klein waren vertelde hij ons voortdurend wat er allemaal mis is met de overheid. Daarmee ben ik opgegroeid, een fundamentele zienswijze dat een grote overheid slecht is omdat het ons privé- en economische leven beheerst.’ Het bewijsstuk: Roosevelts New Deal, voor Fred net zo’n obsessie als het eens voor Harry was.

Charles en David vonden inspiratie bij Friedrich von Hayek, de politiek- econoom die in The Road to Serfdom waarschuwde voor de gevaren van een grote overheid, die zou leiden tot totalitarisme. De broers sloten zich aan bij een nieuwe politieke beweging: het libertarisme. ‘Zonder de Koch-broers was de libertarische beweging nooit zo gegroeid,’ vertelt Brian Doherty, redacteur van het libertarische tijdschrift Reason. Doherty schreef Radicals for Capitalism (2007), een geschiedenis van het Amerikaanse libertarisme waarvoor hij beide broers uitgebreid interviewde. ‘In de jaren zeventig en tachtig was elke libertarische publicatie, elk instituut, elke organisatie financieel afhankelijk van de broers, soms voor honderd procent.’ Binnen de libertarische beweging werd Charles Koch gezien als de ‘wandelende portemonnee’, wat tot de nodige rancune leidde en de broers de bijnaam ‘Kochtopus’ opleverde.

De Koch-broers klagen steen en been, meestal via een legertje van pr-medewerkers en juristen, over de manier waarop Obama, de Democratische Partij en de media hen demoniseren.

De Koch-broers traden voor het eerst politiek naar buiten met de presidentsverkiezing in 1980. David Koch was de vicepresidentskandidaat van de Libertarische Partij en financierde de verkiezingscampagne uit eigen zak. Zijn twee miljoen dollar leverde echter slechts een procent van de stemmen op. De Amerikanen kozen dat jaar voor Ronald Reagan, die wel gebruikmaakte van hayekiaanse retoriek, maar niets gemeen had met het radicale partij programma van de Libertarische Partij dat afschaffing van de beurscommissie, de FBI, 
de CIA, het ministerie van Energie, het minimumloon en de AOW propageerde alsook de legalisering van drugs en prostitutie. Voor de Koch-broers betekende de flirt met een presidentsverkiezing tevens het einde van hun financiële steun voor de Libertarische Partij (ze zijn ook geen supporters van libertariër Ron Paul, een van de Republikeinse kandidaten voor het presidentschap).

De impopulariteit van het libertarische gedachtengoed onder Amerikaanse kiezers spoorde de broers aan zich extra in te zetten voor de verspreiding van de ideologie op universiteiten en denktanks. Het Cato Institute in Washington groeide uit tot een gezaghebbende denktank. De economische faculteit van George Mason University kreeg een financiële Koch-injectie en genereert nu als het Mercator Center belangrijke beleidsvoorstellen. Ook investeerden de broers in beurzen voor de libertarische stoottroepen van de toekomst: jonge academici. Hun vrijgevigheid is echter niet vrijblijvend, aan Koch-geld hangen condities. David Koch vertelde Brian Doherty: ‘Als we veel geld geven, willen we wel donders goed weten of het geld wordt uitgegeven conform onze intentie. Als ze dingen doen waarmee wij het niet eens zijn, trekken we de fondsen in. Die macht gebruiken we.'

Zoals onlangs bleek bij de economische faculteit van Florida State University. Een van de stichtingen van de Kochs deed een gift aan de universiteit voor de aanstelling van twee hoogleraren met de stipulatie dat de stichting de kandidaten moest goedkeuren. Zestig procent van de sollicitanten viel af, blijkbaar waren ze niet voldoende hayekiaans in de leer. (De Kochs ondersteunen faculteiten economie op zo’n twintigtal universiteiten. Op deze manier gaan de hayekianen het alsnog winnen van de keynesianen. Zie ook VN nummer 4 voor de discussie tussen aanhangers van Hayek en Keynes, www.vn.nl.)

Antivakbondfanatisme

De afgelopen jaren lijken de Koch-broers het theoretiseren over de libertaire samenleving een beetje moe. Het is Brian Doherty ook opgevallen. ‘Het is alsof ze het proces willen versnellen, ze richten zich meer op de korte termijn, ze willen invloed uitoefenen op het beleid nu. Misschien heeft het te maken met hun leeftijd. Niet dat ze dit zelf zeggen, maar het is een mogelijke interpretatie.’

Het verklaart wellicht het geld dat de broers hebben geïnvesteerd in de verkiezingen voor de parlementen van individuele staten en de campagnes van Republikeinse gouverneurs. Alsof ze hun libertaire utopie willen realiseren in een staat in het Midden-Westen. Bijvoorbeeld in Wisconsin. Dankzij de electorale steun van de Tea Partiers en de financiële steun van de Koch-broers won de Republikein Scott Walker in Wisconsin de gouverneursverkiezing. Walker was nauwelijks beëdigd in zijn ambt of hij ontpopte zich van een aimabele conservatieve politicus tot een extreem-rechtse fanaticus die de macht van de vakbonden wilde breken. Onder het mom van bezuinigingen ontnam hij de ambtenarenbonden het recht om over secundaire arbeidsvoorwaarden als pensioenen en ziektekostenverzekeringen collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten. De bonden protesteerden, dit zou voor hen de doodslag betekenen. Ze organiseerden demonstraties die in de vrieskou van de bittere Wisconsin-winter duizenden mensen op de been brachten. Zelfs het parlement van Wisconsin werd drie weken lang bezet, een voorloper van de Occupy-beweging.

Inmiddels hebben Walkers tegenstanders een miljoen handtekeningen ingezameld om een recall-verkiezing af te dwingen. Die zal dit jaar plaatsvinden. Walkers antivakbondfanatisme heeft een held van hem gemaakt in Republikeinse kringen. Miljoenen dollars, ook van de Kochs, stromen naar zijn verkiezingskas waarmee hij zich tegen de recall kan verdedigen. In een interview zei David Koch: ‘We helpen hem… we hebben al veel geld in Wisconsin uitgegeven en we gaan nog meer uitgeven.’ Want als de vakbonden de recall winnen, ‘dan is er niets dat de macht van de vakbonden kan breken’. Voor progressief Amerika is de strijd in Wisconsin zeker zo belangrijk als de presidentsverkiezing. Tegen de greep van het kapitaal op de politiek zijn weinig organisaties aan linkerzijde opgewassen. Alleen de vakbonden zijn breed georganiseerd, hebben de mankracht en de financiële reserves om de groeiende politieke invloed van het bedrijfsleven het hoofd te bieden. Het is precies de reden waarom Walker de vakbonden wilde uitschakelen. Het had niets met bezuinigingen te maken, het ging om macht.

Pijnlijke verrassing

Voor mannen die jarenlang achter de schermen hebben geopereerd, komt de schijnwerper die Democraten, vakbonden, actiegroepen en de media nu op hun politieke activiteiten richten, als een pijnlijke verrassing. De Koch-broers klagen steen en been, meestal via een legertje van pr-medewerkers en juristen, over de manier waarop Obama, de Democratische Partij en de media hen demoniseren. ‘Ze gebruiken ons als zondebok,’ jammert David Koch. Hij heeft gelijk. De Koch-broers staan nu model voor het grote geld in de politiek, voor manipulatie van onwetende kiezers, voor subversieve krachten in de democratie, voor het schrikbeeld van een plutocratie. Charles Koch vermoedde waarschijnlijk niet hoe profetisch zijn woorden waren toen hij over deze verkiezingen zei: ‘Dit is de moeder aller oorlogen, een strijd op leven en dood voor dit land.’

Over Freke Vuijst

Freke Vuijst is correspondent voor Vrij Nederland in Amerika.

Analyse

Max van Weezel

De Arabierenhaat van een nieuwe generatie Israëliërs

Israëlische jongeren worden steeds radicaler. 'Arabieren haten is een kwestie van normen en waarden'

Blog

Max van Weezel

Kamer is afgeknapt op Kiev

Hoe lang zal het nog duren voordat we ook strafmaatregelen tegen Porosjenko en Klimkin moeten overwegen?

 

Max van Weezel

Wilders nu ook tegen Poetin

PVV nu anti-Poetin? Hoe MH17 leidt tot vreemde allianties aan het Binnenhof

Dit is goed! Ik ontvang graag wekelijks verhalen in mijn inbox

Helaas is er een onverwachte fout opgetreden

Ons administratief systeem is tijdelijk niet bereikbaar. Probeer het later nog eens.
Onze excuses voor het ongemak!

Neem nu een
abonnement
Jaar
Half jaar
Kwartaal
Proef
Papier en digitaal
Alleen digitaal